ECLI:NL:RBROT:2026:745

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
11936290 CV EXPL 25-22667
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 7:225 BWArt. 7:248 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming wegens huurachterstand

In deze zaak vordert eiseres betaling van een huurachterstand en ontbinding van de huurovereenkomst met gedaagde, die de woning aan een adres in Rotterdam huurt. De huurachterstand bedraagt € 3.796,72 tot en met oktober 2025, erkend door gedaagde. De kantonrechter oordeelt dat deze achterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te ontbinden, mede omdat de achterstand bijna zes maanden bedraagt en vermoedelijk verder is opgelopen.

De kantonrechter veroordeelt gedaagde tot betaling van de huurachterstand, incassokosten van € 333,48, en rente van € 58,09 tot 9 oktober 2025. Tevens moet gedaagde een gebruiksvergoeding van € 642,96 per maand betalen tot de ontruiming. De ontruiming moet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis plaatsvinden. De proceskosten van € 1.336,45 komen voor rekening van gedaagde.

Er is onderzocht of er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst zijn, maar die zijn niet vastgesteld. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat het direct kan worden uitgevoerd ondanks eventuele hoger beroep procedures. Hiermee wordt de vordering van eiseres grotendeels toegewezen en wordt gedaagde verplicht de woning te verlaten en de achterstallige betalingen te voldoen.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden wegens huurachterstand, gedaagde moet betalen en de woning binnen veertien dagen ontruimen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11936290 CV EXPL 25-22667
datum uitspraak: 23 januari 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres] ,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
eiseres,
gemachtigde: gerechtsdeurwaarder M.P.A. Roelands,
tegen
[gedaagde] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 17 oktober 2025, met bijlagen;
  • het antwoord;
  • de repliek.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] huurt de woning aan de [adres] in Rotterdam van [eiseres] . De huur is nu € 642,96 per maand. Er is een huurachterstand ontstaan. [eiseres] eist dat [gedaagde] die huurachterstand betaalt en dat de kantonrechter de huurovereenkomst ontbindt. [gedaagde] moet van de kantonrechter inderdaad de huurachterstand betalen en de woning verlaten. Hierna wordt uitgelegd waarom.
[gedaagde] moet een huurachterstand van € 3.796,72 betalen
2.2.
[gedaagde] wordt veroordeeld om € 3.796,72 aan [eiseres] te betalen. [gedaagde] heeft erkend dat dit de huurachterstand tot en met de maand oktober 2025 is.
De huurovereenkomst wordt ontbonden
2.3.
De huurovereenkomst wordt ontbonden, omdat [gedaagde] verplicht was om de huur op tijd te betalen en dat niet heeft gedaan (artikel 6:265 BW Pro). De huurachterstand is ernstig genoeg om de huurovereenkomst te beëindigen. Dat is meestal zo bij een achterstand van meer dan drie maanden, maar de kantonrechter moet rekening houden met alle omstandigheden. [1] De kantonrechter heeft er in dit geval rekening mee gehouden dat de huurachterstand tot en met de maand oktober bijna zes maanden bedraagt. Bij repliek heeft [eiseres] aangevoerd dat de huur over de maand november 2025 ook niet (op tijd) is betaald. [gedaagde] is in de gelegenheid gesteld om te reageren op de repliek, maar dat heeft hij niet gedaan. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat het klopt wat [eiseres] in deze akte naar voren heeft gebracht en dat de huurachterstand tijdens deze procedure dus is opgelopen.
[gedaagde] moet de woning ontruimen en een gebruiksvergoeding betalen
2.4.
Omdat de huurovereenkomst is ontbonden, moet [gedaagde] de woning met al zijn spullen verlaten. Dat moet binnen veertien dagen nadat dit vonnis is betekend.
2.5.
Tot en met de dag van de ontruiming moet [gedaagde] een gebruiksvergoeding van € 642,96 per maand betalen (artikel 7:225 BW Pro), voor zover hij dat nog niet heeft gedaan. [eiseres] eist ook een vergoeding voor de rest van de maand, maar heeft niet uitgelegd waarom [gedaagde] die moet betalen. Daarom wordt dit deel van de eis afgewezen. Voor het verhogen van de gebruiksvergoeding gelden dezelfde regels (artikel 7:248 BW Pro) als voor het verhogen van de huur.
[gedaagde] moet incassokosten betalen
2.6.
De incassokosten van € 333,48 (inclusief btw) worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW Pro).
[gedaagde] moet rente betalen
2.7.
De rente wordt toegewezen, omdat [eiseres] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. Daarom zit in het totale bedrag dat [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen de rente van € 58,09 die [eiseres] heeft berekend tot 9 oktober 2025.
Geen oneerlijke bepalingen
2.8.
De kantonrechter heeft onderzocht of er oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.9.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 145,45 aan dagvaardingskosten, € 514,- aan griffierecht, € 542,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten × € 271,-) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.336,45. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.10.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 4.188,29 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over € 3.796,72 vanaf 9 oktober 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
ontbindt de huurovereenkomst tussen de partijen en veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan de [adres] in Rotterdam te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van [eiseres] te stellen;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] om vanaf november 2025 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt aan [eiseres] te betalen € 642,96 per maand met de verhoging die is toegestaan;
3.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.336,45;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Kolk en in het openbaar uitgesproken.
43416

Voetnoten

1.Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810