ECLI:NL:RBROT:2026:7472

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
C/10/697042 / HA ZA 25-284
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 237 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking vorderingen in civiele procedure tegen verzekeraar

In deze civiele procedure vorderde eiser aanvankelijk schadevergoeding en andere veroordelingen tegen BRR Assurantiën B.V. BRR voerde verweer en stelde dat eiser niet-ontvankelijk was omdat de vordering bij Klap B.V. moest worden ingesteld. Na overleg bood BRR aan dit verweer te laten vallen indien eiser afstand deed van vorderingen tegen Klap B.V. Eiser trok daarop zijn vorderingen tegen BRR in, behalve de vordering tot proceskosten.

De rechtbank oordeelde dat BRR geen onrechtmatig gedrag had vertoond door het aanbieden van een pragmatische oplossing en dat eiser vrij was om de procedure voort te zetten. De verwijzing naar Klap B.V. was bekend bij eiser, die echter geen contact met Klap B.V. had gezocht. De stelling dat BRR nodeloos kosten had veroorzaakt werd verworpen.

Omdat eiser zijn hoofdvorderingen introk, werd hij gelijkgesteld met de in het ongelijk gestelde partij en veroordeeld tot betaling van de proceskosten van BRR, begroot op €12.820,00, te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Eiser wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van BRR na intrekking van zijn vorderingen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/697042 / HA ZA 25-284
Vonnis van 3 juni 2026
in de zaak van
[eiseres],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
tevens zijn eigen advocaat, mr. A.J.G. [eiseres] ,
tegen
BRR ASSURANTIËN B.V.,
te Rotterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: BRR,
advocaat: mr. M.J.G. Boender-Lamers.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 18 maart 2025, met producties 1 tot en met 8;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 12;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de brief van [eiseres] van 2 februari 2026, met producties 9 tot en met 13;
- de mondelinge behandeling van 12 februari 2026 en het proces-verbaal daarvan;
- het B16-formulier van BRR van 11 maart 2026;
- de akte uitlaten van [eiseres] van 15 april 2026;
- de antwoordakte van BRR van 13 mei 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Aanvankelijk vordert [eiseres] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:
te verklaren voor recht dat BRR schadeplichtig is jegens [eiseres] ;
BRR te veroordelen tot vergoeding aan [eiseres] van de schade ten bedrage van € 321.491,40, te vermeerderen met de wettelijke vertragingsrente;
BRR te veroordelen tot een door uw Rechtbank in goede justitie vast te stellen
schadebedrag, te vermeerderen met de wettelijke vertragingsrente;
4. BRR te veroordelen om verschillende bescheiden in het geding te brengen, op straffe van een dwangsom;
5. BRR te veroordelen in de kosten van de procedure en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
2.2.
BRR voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
2.3.
Op de mondelinge behandeling van 12 februari 2026 is aan de orde geweest de vrijwaringsverplichting die BRR heeft ten aanzien van Klap B.V., de vennootschap die enkele verzekeringsportefeuilles van BRR heeft overgenomen. In het licht van het verweer van BRR dat [eiseres] Klap B.V. dient aan te spreken en niet BRR, is besproken dat BRR in overleg zal treden met Klap B.V. om eventuele procesafspraken te maken.
2.4.
BRR heeft vervolgens bij B16-formulier de rechtbank bericht dat – samengevat – zij bereid is haar verweer te laten vallen dat [eiseres] Klap B.V. had moeten aanspreken, mits [eiseres] aangeeft dat hij ondubbelzinnig en onherroepelijk afstand doet van enige vordering op Klap B.V. Als [eiseres] hiertoe niet bereid is zal BRR dat verweer handhaven.
2.5.
In reactie hierop heeft [eiseres] zijn vorderingen onder 1 tot en met 4 ingetrokken. Over die vorderingen is derhalve geen beslissing meer mogelijk.
2.6.
[eiseres] handhaaft zijn vordering om BRR in de proceskosten te veroordelen. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat BRR hem nodeloos op kosten heeft gejaagd en dat daarom de door hem gemaakte proceskosten voor rekening dienen te komen van BRR op grond van artikel 237 lid 1 Rv Pro, laatste zin. [eiseres] legt hieraan ten grondslag dat BRR met het onder 2.4. vermelde B16-formulier, [eiseres] onder druk heeft gezet om een keuze te maken terwijl BRR ook zelf de keuze had kunnen maken om haar beroep op niet-ontvankelijkheid achterwege te laten. Daarnaast heeft BRR vóór het aanhangig maken van de procedure voor [eiseres] relevante informatie over de met Klap B.V. gesloten overeenkomst achtergehouden. De inhoud van de overeenkomst met Klap B.V. heeft BRR pas in de conclusie van antwoord met [eiseres] gedeeld. Hierdoor heeft [eiseres] zijn procedurele positie niet op een juiste wijze kunnen bepalen en heeft BRR [eiseres] op kosten gejaagd.
2.7.
BRR stelt zich op het standpunt dat er geen reden bestaat om af te wijken van het uitgangspunt dat de partij die zijn vordering intrekt, op één lijn moet worden gesteld met de in het ongelijk gestelde partij als bedoeld in artikel 237 Rv Pro. BRR handhaaft haar vordering tot vergoeding van haar proceskosten door [eiseres] .
2.8.
De rechtbank oordeelt als volgt over de proceskosten.
BRR heeft in het B16-formulier een pragmatische oplossing aangeboden aan [eiseres] , inhoudende dat als [eiseres] afstand deed van enige vorderingen op Klap B.V., BRR haar niet-ontvankelijkheidsverweer zou laten vallen.
De rechtbank ziet niet hoe BRR [eiseres] hiermee onder druk zou hebben gezet. Het stond [eiseres] vrij om op die pragmatische oplossing niet in te gaan en de procedure voort te zetten en zijn vorderingen en de daartegen gevoerde verweren, waaronder het gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer dat dan niet werd ingetrokken, inhoudelijk te laten beoordelen door de rechtbank.
Daarbij is van belang dat uit de door [eiseres] overgelegde e-mail van 10 januari 2025 blijkt dat BRR, als reactie op de aansprakelijkheidstelling, [eiseres] heeft geadviseerd om klachten aan Klap B.V. te richten omdat de portefeuille in kwestie sinds juni 2023 is ondergebracht bij Klap B.V. Op de mondelinge behandeling heeft [eiseres] bevestigd dat hij na de verwijzing van BRR naar Klap B.V. geen contact heeft opgenomen met Klap B.V. In plaats daarvan heeft [eiseres] BRR in rechte betrokken. Dat stond [eiseres] vrij, maar BRR valt daarover geen verwijt te maken. De stelling dat BRR nodeloos proceskosten aan de zijde van [eiseres] heeft veroorzaakt wordt dan ook verworpen.
2.9.
Omdat [eiseres] BRR in de procedure heeft betrokken maar zijn hoofdvorderingen naderhand allemaal heeft ingetrokken, wordt hij gelijk gesteld met de in het ongelijk gestelde partij. [eiseres] wordt daarom in de proceskosten (inclusief nakosten) veroordeeld. De proceskosten van BRR worden begroot op:
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
5.770,00
(2 punten × € 2.885,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
12.820,00
2.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 12.820,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.2.
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.3.
wijst het meer of anders gevorderde af en verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.
3304/638