Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7474

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
C/10/697945 / HA ZA 25-325 en C/10/716524 / HA ZA 26-245
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:32 BWArt. 3:33 BWArt. 3:34 BWArt. 3:35 BWArt. 3:41 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering advocaat wegens geestesstoornis cliënt en onrechtmatig handelen

In deze gecombineerde civiele procedures vordert een advocaat betaling van declaraties van de erven van zijn voormalig cliënt, die wordt afgewezen omdat de cliënt destijds geestesstoornissen had waardoor de opdracht werd vernietigd. De rechtbank oordeelt dat niet de persoonlijke werkmaatschappij van de advocaat, maar het advocatenkantoor zelf de opdrachtnemer was.

De erven stelden dat de cliënt niet wilsbekwaam was bij het sluiten van de overeenkomst, wat de rechtbank bevestigt op basis van medische rapporten en rechterlijke machtiging. De overeenkomst wordt vernietigd op grond van artikel 3:34 BW Pro en de Richtlijn oneerlijke bedingen, omdat het kostenbeding ondoorzichtig en oneerlijk was.

De advocaat heeft onrechtmatig gehandeld door werkzaamheden te verrichten zonder geldige opdracht, ondanks kennis van de geestesstoornis. Hierdoor heeft hij de erven onnodige kosten bezorgd, waarvoor hij wordt veroordeeld tot vergoeding van ruim €36.000 aan proces- en beslagkosten. De overige vorderingen worden afgewezen.

Uitkomst: Vordering advocaat afgewezen wegens geestesstoornis cliënt; advocaat veroordeeld tot schadevergoeding aan erven wegens onrechtmatig handelen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/697945 / HA ZA 25-325
Zaaknummer: C/10/716524 / HA ZA 26-245
Vonnis van 10 juni 2026
in de zaak van
[bedrijf X],
te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [bedrijf X] ,
advocaat: mr. M.A. T Schroots,
tegen

1..[persoon A] ,

te [plaats 1]
2.
[persoon B],
te [plaats 2] ,
3.
[persoon C],
te [plaats 3] ,
erfgenamen in de nalatenschap van [erflater] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [persoon A] c.s.,
advocaat: mr. A.D. Bauer-van Erp,
en in de zaak van

1.[persoon A] ,

te [plaats 1] ,
2.
[persoon B],
te [plaats 2] ,
3.
[persoon C],
te [plaats 3] ,
erfgenamen in de nalatenschap van [erflater] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [persoon A] c.s.,
advocaat: mr. A.D. Bauer-van Erp,
tegen
[advocatenkantoor X] ,
te [vestigingsplaats 2]
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [advocatenkantoor X] ,
advocaat: mr. M.A. T Schroots.

1.De zaak in het kort

In deze gevoegde zaken vordert een advocaat betaling van zijn declaraties van de erven van zijn voormalig cliënt. Die vordering wordt afgewezen vanwege een destijds bij de cliënt bestaande geestesstoornis als gevolg waarvan de erven de opdrachtverstrekking aan de advocaat hebben vernietigd. Er bestaat daarom geen grondslag voor de vordering van de advocaat. In de andere procedure wordt de advocaat grotendeels veroordeeld in de daadwerkelijke proceskosten van de erven nu hij met zijn handelwijze onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld en hen achteraf bezien op onnodige kosten heeft gejaagd. De procedure kent een aantal processuele verwikkelingen die hieronder eerst worden toegelicht.

2.De procedure

2.1.
Bij het vonnis in het incident van 23 juli 2025 zijn [persoon A] c.s. in de gelegenheid gesteld om [advocatenkantoor X] als partij in de zaak met zaaknummer
697945 / HA ZA 25-325in conventie en in reconventie op te roepen. In plaats daarvan hebben [persoon A] c.s. [advocatenkantoor X] afzonderlijk gedagvaard en zijn daarmee in feite een tweede procedure gestart. In die procedure heeft [advocatenkantoor X] op haar beurt een vordering in reconventie ingesteld. In feite lopen er nu dus twee aparte procedures. Vanwege de samenhang van de procedures en omdat de stellingen en processtukken over en weer herhaald en ingelast zijn, acht de rechtbank het opportuun om de zaken gevoegd te behandelen. Dit is ook zo met partijen ter zitting besproken en akkoord bevonden. Dit betekent dat alle vorderingen van alle partijen in één inhoudelijke beoordeling zullen worden behandeld. In het dictum zal uiteindelijk afzonderlijk per zaak worden beslist. In dit vonnis zal de rechtbank verwijzen naar de zaak met zaaknummer
697945 / HA ZA 25-325als de eerste zaak en naar de zaak met zaaknummer
716524 / HA ZA 26-245als de tweede zaak.
2.2.
Het verloop van de procedures blijkt uit:
- de dagvaarding van 10 februari 2025, met producties 1 tot en met 13;
- de akte van [bedrijf X] overzicht kosten, met productie 14;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, tevens houdende incidentele vordering, met producties 1 tot en met 5;
- de conclusie van antwoord in het incident;
- het vonnis in het incident van 23 juli 2025;
- de dagvaarding van 26 augustus 2025 ( [persoon A] c.s. – [advocatenkantoor X] ), met producties 5, 6, 7 en 9;
- de akte overlegging producties van [persoon A] c.s., met producties 1 tot en met 4, 8 en 10 tot en met 13;
- de conclusie van antwoord, tevens (voorwaardelijke) eis in reconventie, met producties 1 tot en met 4;
- de zittingsagenda van 6 februari 2025;
- de brief van 18 februari 2026 van mr. Schroots, met 2 producties;
- de conclusie van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie, met producties 14 tot en met 20;
- de brief van 2 maart 2026 van mr. Schroots, met 1 productie;
- de e-mail van 10 maart 2026 van mr. Bauer-Van Erp, met de ontbrekende Bijlage E bij productie 1.
2.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[bedrijf X] is de persoonlijke werkmaatschappij van de heer [persoon X] (hierna: [persoon X] ), advocaat te Rotterdam.
3.2.
[advocatenkantoor X] is het advocatenkantoor waar [persoon X] werkzaam is.
3.3.
[persoon A] c.s. zijn de nichten en erfgenamen van de heer [erflater] (hierna: de heer [erflater] ). De heer [erflater] is op 19 november 2024 overleden. [persoon A] c.s. hebben de nalatenschap zuiver aanvaard en [persoon A] (hierna: de nicht) is executeur.
3.4.
Sinds 2015 was bij de heer [erflater] sprake van hersenletsel na het verwijderen van een hersentumor. Zijn nicht heeft jarenlang voor de heer [erflater] aan huis gezorgd.
3.5.
Bij levenstestament van 8 december 2020 heeft de heer [erflater] zijn nicht benoemd tot zijn algemeen gevolmachtigde.
3.6.
In mei 2023 heeft de heer [erflater] een herseninfarct gehad. Sinds medio 2023 verbleef de heer [erflater] in een verpleeghuis.
3.7.
Bij beschikking van 2 mei 2024 heeft de rechtbank op grond van de Wzd een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf van de heer [erflater] verleend voor de duur van zes maanden. In het kader van de aanvraag heeft specialist ouderengeneeskundige [persoon D] bij brief van 9 april 2024 gerapporteerd over de heer [erflater] .
3.8.
Begin mei 2024 heeft een kennis van de heer [erflater] , de heer [persoon E] (hierna: [persoon E] ), contact gezocht met [persoon X] om bepaalde werkzaamheden voor de heer [erflater] te verrichten. Op 14 mei 2024 heeft een eerste fysieke ontmoeting in het verpleeghuis plaatsgevonden tussen de heer [erflater] en [persoon X] , in aanwezigheid van [persoon E] .
3.9.
Op 21 mei 2024 heeft de heer [erflater] een handgeschreven briefje ondertekend waarin staat dat hij de algemene volmacht van zijn nicht intrekt.
3.10.
Bij brief van 18 juni 2024 heeft specialist ouderengeneeskunde [persoon F] van GeriCall op verzoek van [persoon G] gerapporteerd over de wilsbekwaamheid van de heer [erflater] .
3.11.
Op 19 juni 2024 heeft de nicht een verzoekschrift ingediend bij de kantonrechter, strekkende tot instelling van bewind en mentorschap ten behoeve van de heer [erflater] , met benoeming van de nicht tot bewindvoerder/mentor. Op 25 juli 2024 heeft [persoon X] een verweerschrift namens de heer [erflater] ingediend. Op 30 juli 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden waarbij de heer [erflater] werd bijgestaan door [persoon X] . Bij beschikking van 1 augustus 2024 heeft de kantonrechter de verzoeken afgewezen. De nicht heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking, maar vanwege het overlijden van de heer [erflater] is het beroep ingetrokken.
3.12.
Op 26 juni 2024 is door notaris N.P. Papaïoannou een nieuw levenstestament voor de heer [erflater] opgemaakt, waarin alle eerder gemaakte levenstestamenten en de daarin verleende algemene volmachten zijn herroepen en mevrouw [persoon H] (hierna: [persoon H] ) is benoemd tot algemeen gevolmachtigde van de heer [erflater] .
3.13.
In september 2024 heeft [persoon X] een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank strekkende tot instelling van bewind en mentorschap ten behoeve van de heer [erflater] , met benoeming van [persoon H] tot bewindvoerder/mentor. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen in verband met het op dat moment nog lopende hoger beroep tegen de beschikking van 1 augustus 2024.
3.14.
[persoon X] heeft over de periode van mei 2024 tot en met november 2024 declaraties ingediend bij de heer [erflater] voor verrichte werkzaamheden van een totaalbedrag van € 53.435,00.
3.15.
Op de dag van overlijden van de heer [erflater] heeft [persoon X] een verzoekschrift ingediend tot het leggen van conservatoir beslag op de rekening en de woning van de heer [erflater] . Op 22 januari 2025 heeft de rechtbank verlof verleend. Op 27 januari 2025 en 3 februari 2025 zijn de beslagen gelegd.
3.16.
Op 28 november 2024 heeft [persoon X] [persoon A] c.s. gesommeerd tot betaling van de declaraties. Op 9 januari heeft [persoon X] [persoon A] c.s. in gebreke gesteld en opnieuw gesommeerd tot betaling.
3.17.
Op 29 januari 2025 heeft de nicht een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten over de handelwijze van [persoon X] in relatie tot de heer [erflater] en [persoon A] c.s. Bij beslissing van 19 januari 2026 heeft de Raad van Discipline de klacht gegrond verklaard en aan [persoon X] de maatregel van schrapping opgelegd. [persoon X] is hiertegen in beroep gekomen bij het Hof van Discipline. De uitkomst daarvan was ten tijde van de mondelinge behandeling nog niet bekend.

4.Het geschil

In de zaak 697945 / HA ZA 25-325 (de eerste zaak)
in conventie
4.1.
[bedrijf X] vordert – samengevat – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [persoon A] c.s. te veroordelen tot betaling aan [bedrijf X] van:
de hoofdsom van een bedrag van € 53.435,00, te vermeerderen met de wettelijke rente;
een bedrag van € 1.584,31 (inclusief btw) aan buitengerechtelijke incassokosten;
de proceskosten;
de beslagkosten.
4.2.
[persoon A] c.s. voeren verweer. [persoon A] c.s. concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [bedrijf X] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [bedrijf X] .
in reconventie
4.3.
[persoon A] c.s. vorderen – samengevat – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair
1. [advocatenkantoor X] te veroordelen in de volledige kosten van [persoon A] c.s., dan wel in de forfaitaire proceskosten van de beslagprocedure en de onderhavige procedure, te vermeerderen met de nakosten;
subsidiair
2. [bedrijf X] te veroordelen in de volledige kosten van [persoon A] c.s., dan wel in de forfaitaire proceskosten van de beslagprocedure en de onderhavige procedure, te vermeerderen met de nakosten.
4.4.
Hoewel [bedrijf X] geen conclusie van antwoord in reconventie heeft ingediend in deze procedure, is duidelijk dat zij zich tegen deze vordering verweert en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [persoon A] c.s., dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [persoon A] c.s., met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [persoon A] c.s. in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit volgt uit het verweer van [advocatenkantoor X] in de tweede procedure. Met partijen is ook besproken dat de stellingen en verweren in beide procedures over- en weer als herhaald en ingelast worden beschouwd om te bewerkstelligen dat het hele geschil in volle omvang kan worden beoordeeld.
In de zaak 716524 / HA ZA 26-245 (de tweede zaak)
in conventie
4.5.
[persoon A] c.s. vorderen – samengevat – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair
1. [advocatenkantoor X] te veroordelen in de volledige kosten van [persoon A] c.s., te vermeerderen met de nakosten;
subsidiair
2. [advocatenkantoor X] te veroordelen in de forfaitaire proceskosten van de beslagprocedure en de onderhavige procedure, te vermeerderen met de nakosten;
3. met handhaving van de vorderingen van [persoon A] c.s. bij conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie ten aanzien van [bedrijf X] , voor zover geoordeeld wordt dat [advocatenkantoor X] geen procespartij in deze is.
4.6.
[advocatenkantoor X] voert verweer. [advocatenkantoor X] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [persoon A] c.s., dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [persoon A] c.s., met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [persoon A] c.s. in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
in voorwaardelijke reconventie
4.7.
In het geval dat wordt geoordeeld dat niet [bedrijf X] maar [advocatenkantoor X] de opdrachtnemer van de overeenkomst met de heer [erflater] is geweest dan vordert [advocatenkantoor X] – samengevat – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [persoon A] c.s. te veroordelen tot betaling aan [advocatenkantoor X] van:
de hoofdsom van een bedrag van € 53.435,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente;
een bedrag van € 1.584,31 (inclusief btw) aan buitengerechtelijke incassokosten;
de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.8.
[persoon A] c.s. voeren verweer. [persoon A] c.s. concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [advocatenkantoor X] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [advocatenkantoor X] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [advocatenkantoor X] in de (werkelijke) kosten van deze procedure.

5.De beoordeling

Inleiding
5.1.
In de eerste zaak vordert [bedrijf X] van [persoon A] c.s. betaling van de declaraties voor haar werkzaamheden die zij heeft verricht voor de heer [erflater] . [bedrijf X] legt daaraan ten grondslag de overeenkomst van opdracht die zij met de heer [erflater] heeft gesloten. [persoon A] c.s. stellen zich op het standpunt dat de overeenkomst niet rechtsgeldig tot stand is gekomen en dat, als wel sprake is van een overeenkomst, niet [bedrijf X] maar [advocatenkantoor X] de opdrachtnemer is. De rechtbank zal daarom eerst antwoord moeten geven op de vragen wie de opdrachtnemer is ( [bedrijf X] of [advocatenkantoor X] ) en of er rechtsgeldig een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen tussen die opdrachtnemer en de heer [erflater] . Vervolgens zal de rechtbank zich buigen over de gevorderde declaraties en over de vorderingen van [persoon A] c.s.
De opdrachtnemer is [advocatenkantoor X] niet [bedrijf X]
5.2.
[bedrijf X] stelt zich op het standpunt dat zij heeft te gelden als opdrachtnemer van de overeenkomst met de heer [erflater] . Dat [bedrijf X] de opdrachtnemer is heeft [persoon X] expliciet besproken met de heer [erflater] tijdens de eerste ontmoeting op 14 mei 2024. [persoon E] was bij die eerste ontmoeting aanwezig en heeft in zijn verklaring van 26 november 2024 bevestigd dat de overeenkomst met [bedrijf X] is gesloten. Daarnaast staat op alle aan de heer [erflater] verzonden declaraties vermeld dat betaling aan [bedrijf X] moet worden gedaan.
5.3.
[persoon A] c.s. betwisten dat [bedrijf X] de opdrachtnemer van de overeenkomst met de heer [erflater] was en stellen zich op het standpunt dat [advocatenkantoor X] dit was. [persoon X] is als advocaat verbonden aan [advocatenkantoor X] en de declaraties zijn ook door [advocatenkantoor X] verstrekt. Daarnaast bevestigt [persoon E] in zijn verklaring juist dat de opdracht is gegeven aan [advocatenkantoor X] . Bovendien wordt in de algemene voorwaarden, waarnaar [bedrijf X] zelf verwijst, vermeld dat alle opdrachten worden geacht uitsluitend aan [advocatenkantoor X] te zijn gegeven.
5.4.
De rechtbank oordeelt als volgt. Vast staat dat er geen schriftelijke overeenkomst en/of bevestiging van de opdracht is opgesteld. [bedrijf X] heeft op de mondelinge behandeling nader uitgelegd hoe de opdracht tot stand is gekomen. Tijdens de eerste fysieke ontmoeting van 14 mei 2024 zou [persoon X] expliciet met de heer [erflater] hebben besproken dat [bedrijf X] de opdrachtnemer van de overeenkomst is. [persoon E] , die bij de bespreking aanwezig was, schrijft echter in zijn e-mail van 26 november 2024 dat hij [advocatenkantoor X] heeft ingeschakeld:
“(…) Op 1 mei van dit jaar gaf [erflater] mij opdracht om [advocatenkantoor X] in te schakelen om zijn belangen te laten behartigen. Advocaat [persoon X] was bereid om voor een tarief van Euro 250,00 per uur exclusief BTW de belangen van [erflater] te behartigen en daarmee ging [erflater] direct akkoord. (…)”
[bedrijf X] wordt in de verklaring van [persoon E] niet genoemd. De e-mail biedt dan ook geen onderbouwing van het standpunt van [bedrijf X] dat de overeenkomst met haar is gesloten.
5.5.
[bedrijf X] voert verder aan dat uit de declaraties aan de heer [erflater] volgt dat [bedrijf X] de opdrachtnemer van de overeenkomst was. Op de aan de heer [erflater] geadresseerde declaraties staat onderaan vermeld dat betaling dient de geschieden “t.n.v. [bedrijf X] .”. Daarentegen staat ook op de declaraties vermeld: “Voor de werkzaamheden van [advocatenkantoor X] (…)”, gevolgd door de periode waarop de declaratie betrekking heeft en het bijbehorende honorarium. Hieruit valt op te maken dat de werkzaamheden zijn verricht door [advocatenkantoor X] . Daarbij is het briefpapier van [advocatenkantoor X] gebruikt en staan haar gegevens op de declaraties vermeld, zoals het e-mailadres en het telefoonnummer.
5.6.
Daarnaast verwijst [bedrijf X] in haar dagvaarding naar de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van [advocatenkantoor X] . In de algemene voorwaarden wordt [bedrijf X] nergens genoemd. Wel is in artikel 3 bepaald Pro dat alle opdrachten uitsluitend aan [advocatenkantoor X] worden geacht te zijn gegeven.
5.7.
Met inachtneming van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat [bedrijf X] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat [bedrijf X] de opdrachtnemer was van de overeenkomst van opdracht met de heer [erflater] . Het enkele feit dat in de declaraties staat vermeld dat betaald dient te worden aan [bedrijf X] kan niet tot de conclusie leiden dat [bedrijf X] heeft te gelden als de opdrachtnemer van de overeenkomst. Van andere aanwijzingen dat [bedrijf X] de opdrachtnemer was is niet gebleken. Daarentegen zijn er wel sterke aanwijzingen dat juist [advocatenkantoor X] de opdrachtnemer van de overeenkomst was. Voor de verdere beoordeling van de zaak wordt dan ook als uitgangspunt genomen het (subsidiaire) standpunt van [advocatenkantoor X] dat zij de opdrachtnemer was van de overeenkomst van opdracht met de heer [erflater] .
Conclusie in de eerste zaak 697945 / HA ZA 25-325
5.8.
In de eerste zaak vordert [bedrijf X] betaling van de declaraties op grond van de overeenkomst met de heer [erflater] . Nu [bedrijf X] niet kan worden aangemerkt als de opdrachtnemer van de overeenkomst ontbreekt de rechtsgrond van haar vordering tot betaling van de declaraties. De vorderingen van [bedrijf X] zullen worden afgewezen.
5.9.
In reconventie vorderen [persoon A] c.s. primair om [advocatenkantoor X] in de volledige proceskosten van [persoon A] c.s. te veroordelen. [advocatenkantoor X] is echter geen partij in de eerste zaak. De vordering zal dan ook worden afgewezen. Subsidiair vorderen [persoon A] c.s. om [bedrijf X] in de volledige proceskosten van [persoon A] c.s. te veroordelen in het geval dat de rechtbank oordeelt dat [bedrijf X] de opdrachtnemer van de overeenkomst van opdracht met de heer [erflater] was. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat dit niet het geval is, zal ook deze vordering worden afgewezen. In plaats daarvan zal de rechtbank partijen over en weer veroordelen in de gebruikelijke (forfaitaire) proceskosten.
5.10.
[bedrijf X] is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [persoon A] c.s. in conventie worden begroot op:
- griffierecht € 1.374,00
- salaris advocaat
1.290,00
(1 punt × € 1.290,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.853,00
5.11.
[persoon A] c.s. zijn in reconventie in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [bedrijf X] in reconventie worden begroot op:
- salaris advocaat
1.290,00
(1 punt × € 1.290,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.479,00
De overeenkomst van opdracht
5.12.
Nu door de rechtbank wordt geoordeeld dat niet [bedrijf X] maar [advocatenkantoor X] de opdrachtnemer van de overeenkomst van opdracht met de heer [erflater] is geweest, vordert, in plaats van [bedrijf X] , [advocatenkantoor X] in de tweede zaak betaling van de declaraties op grond van de overeenkomst. [persoon A] c.s. stellen zich echter op het standpunt dat [advocatenkantoor X] de opdracht niet had mogen aannemen, dat de overeenkomst van opdracht niet (rechtsgeldig) tot stand is gekomen en doen zij een beroep op vernietiging van de overeenkomst. De heer [erflater] was niet in staat om zelfstandig beslissingen te nemen ter zake zijn financiële en niet-financiële belangen. [persoon X] heeft zich er ook niet van vergewist in hoeverre de heer [erflater] wilsbekwaam was, terwijl er alle reden was om daaraan te twijfelen gelet op het medisch dossier en de rechterlijke machtiging. Daarnaast is de nicht als algemeen gevolmachtigde nimmer geïnformeerd of om toestemming verzocht voor het aangaan van een dergelijke opdracht.
5.13.
[advocatenkantoor X] heeft hier het volgende tegenin gebracht. Van wilsonbekwaamheid van de heer [erflater] was geen sprake. [persoon X] heeft op de mondelinge behandeling uitgelegd dat hij tijdens de bespreking op 14 mei 2024 goed naar de heer [erflater] heeft geluisterd en uitgebreid heeft doorgevraagd. [persoon X] geeft aan dat de heer [erflater] adequaat antwoord gaf en dat het duidelijk was wat hij wilde. De heer [erflater] was volledig in staat zijn wil te bepalen en duidelijk te maken wat hij wilde. Dat de heer [erflater] wilsbekwaam was blijkt volgens [advocatenkantoor X] ook uit de verklaring van de notaris die het nieuwe levenstestament heeft doen laten passeren en uit de uitspraak van de kantonrechter waarbij het verzoek tot onderbewindstelling en/of mentorschap is afgewezen en is geoordeeld dat het levenstestament rechtsgeldig tot stand is gekomen. Bovendien heeft de heer [erflater] per brief van 21 mei 2024 de volmacht van de nicht ingetrokken.
5.14.
De rechtbank oordeelt als volgt. Het meest verstrekkende verweer van [persoon A] c.s. is het beroep op vernietiging van de overeenkomst. De rechtbank interpreteert het beroep van [persoon A] c.s. (mede) als een beroep op het bepaalde in artikel 3:51 lid 3 BW Pro – bij wijze van verweer een beroep op de in artikel 3:34 BW Pro neergelegde grond voor de vernietiging van een rechtshandeling. [persoon A] c.s. doen dit beroep in hun hoedanigheid als rechtsopvolgers onder algemene titel.
5.15.
Vooropgesteld dient te worden dat de heer [erflater] niet (juridisch) handelingsonbekwaam was in de zin van artikel 3:32 BW Pro. De heer [erflater] is namelijk niet onder curatele gesteld. Vernietiging van een rechtshandeling op grond van artikel 3:32 lid 2 BW Pro is dan ook niet aan de orde.
5.16.
Artikel 3:33 BW Pro bepaalt dat een rechtshandeling een op rechtsgevolg gerichte wil vereist, die zich door een verklaring heeft geopenbaard. Voor een rechtsgeldige rechtshandeling is dus nodig de subjectieve wil van de handelende persoon. Artikel 3:34 lid 1 BW Pro bepaalt voorts dat wanneer iemand wiens geestvermogens blijvend of tijdelijk zijn gestoord, iets heeft verklaard, een met de verklaring overeenstemmende wil wordt geacht te ontbreken, indien de stoornis een redelijke waardering van de bij de handeling betrokken belangen belette, of indien de verklaring onder invloed van die stoornis is gedaan. Het gevolg hiervan op grond van artikel 3:34 lid 2 BW Pro is dat de rechtshandeling vernietigbaar is.
Degene die op grond van deze bepaling een beroep doet op de vernietigbaarheid van een overeenkomst dient dus te stellen, en zo nodig te bewijzen dat:
  • i) op het moment van de rechtshandeling de geestelijke vermogens van de handelende persoon waren gestoord, en
  • ii) dat de stoornis een redelijke waardering der bij de handeling betrokken belangen belette, óf, dat zijn verklaring onder invloed van de stoornis is gedaan.
Beide opties onder (ii) vestigen een onweerlegbaar vermoeden. Bij het tweede vermoeden kan worden aangesloten bij het wettelijke (hulp)vermoeden dat in artikel 3:34 lid 1 BW Pro wordt genoemd: als de overeenkomst voor de geestelijk gestoorde nadelig was, wordt vermoed dat hij die overeenkomst onder invloed van zijn stoornis heeft gesloten. Het hulpvermoeden treedt echter niet in als het nadeel op het tijdstip der handeling redelijkerwijze niet was te voorzien.
5.17.
De rechtbank is van oordeel dat [persoon A] c.s. met voldoende feiten en omstandigheden hebben onderbouwd dat de geestesvermogens van de heer [erflater] waren gestoord toen hij op 14 mei 2024 de overeenkomst van opdracht met [advocatenkantoor X] sloot en dat de stoornis een redelijke waardering van de betrokken belangen belette. [advocatenkantoor X] heeft die feiten en omstandigheden onvoldoende gemotiveerd weersproken. Voor dit oordeel is het volgende redengevend.
5.18.
Sinds 2015 was bij de heer [erflater] reeds sprake van hersenletsel na het verwijderen van een hersentumor. De heer [erflater] heeft in mei 2023 een herseninfarct gehad en verbleef sindsdien in een verpleegtehuis.
5.19.
Op 9 april 2024 is de aanvraag gedaan voor een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf. Ter onderbouwing zijn verschillende medische verklaringen opgesteld.
In de medische verklaring van 9 april 2024 van [persoon I] , specialist ouderengeneeskunde, staat – voor zover van belang – het volgende:
“(…)
b. Tot welke diagnose bent u gekomen?
Cognitieve stoornissen o.b.v. niet-aangeboren hersenletsel (doorgemaakt CVA, therapieën ondergaan wegens hersentumor) bij man met narcistische persoonlijkheidsstructuur.
(…)
De aandacht is goed te trekken maar niet te houden. Meneer zendt vooral, hij praat aan één stuk door en is associatief.(…)
Meneer praat veel, maar richting zit er niet in. Van zorgverlener en medisch behandelaar hoor Ik dat dit zich ook voordoet t.a.v. zijn ADL-functies. Meneer komt tot weinig uit zichzelf en accepteert weinig sturing. Dan leidt dat snel tot een escalatie van zijn gedrag. In gezelschap van anderen zit er geen rem op zijn gedrag, hij overprikkelt daarmee zijn omgeving.
(…)
a. Veroorzaakt het gedrag van de cliënt als gevolg van een psychogeriatrische aandoening, een verstandelijke beperking of een daaraan gelijkgestelde aandoening (of een daarmee gepaard gaande psychische stoornis of een combinatie daarvan) ernstig nadeel?
Ja
b. Waaruit bestaat het ernstige nadeel of aanzienlijke risico daarop?
- Dat de cliënt zichzelf of anderen in gevaar brengt, ernstig lichamelijk letsel toebrengt, ernstige psychische schade toebrengt, ernstig verwaarloost of 'maatschappelijk ten onder gaat', of als zijn eigen ontwikkeling ernstig verstoord is of hij andermans ontwikkeling ernstig verstoort.
- Dat de veiligheid van de patiënt bedreigd wordt.
- Dat het gedrag van de patiënt zo hinderlijk is dat het agressie van anderen
oproept.
- Dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.
(…)”
In de verklaring van [persoon G] , specialist ouderengeneeskunde, van 9 april 2024, staat – voor zover van belang – het volgende:
“(…)
Deze patiënt heeft vanwege een complexe psychiatrische aandoening nl. een NAH beeld met fors ontremd gedrag zowel verbaal, fysiek als sexueel, intensieve begeleiding, verpleging en zorg nodig.
(…)
Patiënt kan zijn hulpvraag niet uitstellen en/of verwoorden en is niet in staat om tijdig hulp te vragen.
(…)
Er is overname van taken op alle levensterreinen nodig.
(…)
Psychosociale/cognitieve functies:
Bij deze patiënt ontbreken de besluitnemings- en oplossingsvaardigheden en moet het
initiëren en uitvoeren van bijna alle taken worden overgenomen. Patiënt heeft begeleiding nodig bij het beheren van geld en het verrichten van administratieve handelingen. Dit wordt door de nicht van de heer gedaan, zij is zijn eerste contactpersoon. Nicht vindt dit een zware taak en dreigt overbelast te raken.
Patiënt heeft intensieve ondersteuning nodig ten aanzien van alle cognitieve/psychische functies.
(…)
De zorg heeft de NOSCA ingevuld, dit is een schaal om cognitief functioneren te observeren en ze zijn hierbij uitgegaan van de afgelopen maand (besproken d.d. 5-03-2024).
Hieruit komt naar voren dat er verstoringen zijn in de aandacht, dhr. Raakt de draad van een gesprek kwijt, is snel afgeleid (zowel intern als extern) en geeft op momenten irrelevante antwoorden. Op het gebied van praxis worden er ook verstoringen gezien. Over het algemeen weet hij wel waar een object toedient, echter heeft hij wel eens vla gegeten met een mes en lukt het hem niet om zijn scheerapparaat te bedienen. Hij is regelmatig gedesoriënteerd, hij kan dan zoekend in de gang staan. Hij weet soms niet welk dagdeel het is. Er worden verstoringen op het gebied van geheugen waargenomen. Hij raakt spullen regelmatig kwijt en kan zich regelmatig niet herinneren wat eerder besproken is. Hij heeft verder de neiging om vaak dezelfde dingen te vragen zoals wanneer hij naar huis kan. Het onthouden van afspraken gaat wisselend. Tijdens de weinige momenten dat dhr. Ondersteuning bij ADL toelaat (gemiddeld 1 keer in maand), valt op dat hij sturing nodig heeft. Dhr. Kan dan veelvuldig één lichaamsdeel wassen en de rest overslaan. Dhr. Uit regelmatig onrealistische gedachten zoals dat hij een auto gaat kopen. Verder heeft hij bepaalde onderwerpen waar hij regelmatig over spreekt zoals politieke figuren. Hij onderneemt weinig tot niets, met uitzondering van het halen van de krant en het lezen hiervan. Het gebeurt echter ook dat hij dit vergeet en hij een aantal dagen dezelfde krant lees.
(…)”
5.20.
Bij beschikking van 2 mei 2024 heeft de rechtbank op grond van de Wzd een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf van de heer [erflater] verleend voor de duur van zes maanden. De beoordeling van de rechtbank luidt – voor zover van belang – als volgt:
“(…)2.1. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat
betrokkene lijdt aan een gelijkgestelde aandoening (…), te weten cognitieve stoornissen op basis van niet-aangeboren hersenletsel.
2.2.
Het gedrag van betrokkene leidt als gevolg van deze tot ernstig nadeel. Het ernstig
nadeel is gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op ernstig lichamelijk letsel,
ernstige psychische schade, ernstige verwaarlozing, maatschappelijke teloorgang, de situatie
dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept en de situatie dat de
algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is. Betrokkene is in het verleden
geopereerd aan een hersentumor. Door de operatie en nadien een cva heeft betrokkene
hersenbeschadiging opgelopen. Hierdoor kan betrokkene niet meer goed voor zichzelf
zorgen. Betrokkene heeft hulp nodig bij alledaagse taken. Betrokkene wast en verschoont
zichzelf niet, ondanks dat hij incontinent is. Ook laat betrokkene zich niet wassen door
anderen. Daarnaast vertoont betrokkene ontremd gedrag op onder meer verbaal en fysiek
gebied.
2.3.
De opname en het verblijf zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te
voorkomen of af te wenden. Betrokkene is gebaat bij 24-uurszorg en toezicht. De opname is
noodzakelijk om de nicht en buren van betrokkene te ontlasten, omdat zij overbelast raken
door de zorgvraag van betrokkene. Op de mondelinge behandeling is in aanvulling op de
beschikbare schriftelijke informatie door de behandelaars uitgebreid toegelicht dat en
waarom betrokkene intensieve zorg en begeleiding op alle terreinen van het dagelijks leven
nodig heeft gedurende de gehele dag. Betrokkene heeft geen goed besef van en geen enkel
reëel inzicht in de ernst van zijn aandoening, de mogelijkheden om zichzelf nog goed te
redden en het effect daarvan op zijn dagelijks leven.
(…)”
5.21.
Bij brief van 18 juni 2024 heeft specialist ouderengeneeskunde [persoon F] van GeriCall op verzoek van [persoon G] gerapporteerd over de wilsbekwaamheid van de heer [erflater] . In de brief staat – voor zover van belang – het volgende:
“(…)
In het gesprek die plaats heeft gevonden met Dhr. [erflater] zelf, wordt waargenomen dat er sprake is van stoornissen over meerdere cognitieve domeinen. Dit komt overeen met de informatie die ontvangen was vanuit Rivas. Er wordt geconstateerd dat Dhr. [erflater] onvoldoende uiting kan geven van het begrijpen van relevante informatie, en hierdoor ook onvoldoende uiting kan geven aan logisch redeneren in het overwegen van de mogelijke opties en de gevolgen hiervan. De cognitieve stoornissen zullen niet verbeteren In de loop van de tijd, of na (medische) behandeling(en).
Alles bij elkaar genomen zorgt dit ervoor dat Dhr. [erflater] niet zelfstandig in staat is tot het nemen van een beslissing over zaken in de financiën, administratie en medische
beslissing(en)/eigen gezondheid.(…)”
5.22.
Vooropgesteld wordt dat [advocatenkantoor X] de inhoud van de medische verklaringen niet heeft betwist. De rechtbank heeft ook geen enkele aanleiding om aan juistheid van de inhoud van die verklaringen te twijfelen. Uit de verklaringen volgt duidelijk dat bij de heer [erflater] sprake was van meerdere cognitieve stoornissen en/of psychiatrische aandoeningen. Reeds in april 2024 was overname op alle levensterreinen nodig. Bij de heer [erflater] ontbraken de besluitnemings- en oplossingsvaardigheden, zijn aandacht was niet goed te houden, hij praatte veel maar zonder richting. Door specialist ouderengeneeskunde [persoon F] wordt geconcludeerd dat de heer [erflater] niet zelfstandig in staat is tot het nemen van financiële, administratieve of medische beslissingen. Het feit dat laatstgenoemde medische verklaring is opgesteld na het sluiten van de overeenkomst van opdracht op 14 mei 2024 doet niet af aan het feit dat uit de verklaring kan en mag worden aangenomen dat de heer [erflater] al langer niet in staat werd geacht om dergelijke beslissingen te nemen. [persoon F] schrijft ook dat haar bevindingen overeenkomen met de eerdere informatie van [persoon G] . Bovendien is algemeen bekend dat dergelijke aandoeningen die bij de heer [erflater] speelde niet van de ene op de andere dag ontstaan.
5.23.
Ondanks de medische verklaringen volhardt [advocatenkantoor X] , bij monde van [persoon X] , in haar stelling dat de heer [erflater] ten tijde van het verlenen van de opdracht wilsbekwaam was en in staat was zijn wil te bepalen en over te brengen. Ter onderbouwing wijst [advocatenkantoor X] op de verklaring van de notaris en de beslissing van de kantonrechter van 1 augustus 2024. De notaris en de kantonrechter hebben zich echter niet gebogen over de vraag die in de onderhavige procedure voor ligt, namelijk of de overeenkomst van opdracht rechtsgeldig tot stand is gekomen. Bovendien maakt de rechtbank in deze procedures haar eigen beoordeling op grond van de aangedragen feiten en omstandigheden. In de beschikking heeft de kantonrechter alleen overwogen dat het niet aan de kantonrechter is om in die procedure de eventuele nietigheid van het levenstestament te beoordelen. De kantonrechter heeft slechts kunnen vaststellen dat de heer [erflater] in lijn met zijn aangepaste levenstestament verklaarde en dat het de notaris is die de wilsbekwaamheid heeft getoetst.
5.24.
Daarnaast heeft [advocatenkantoor X] het standpunt ingenomen dat [persoon X] zelf heeft ondervonden dat de heer [erflater] zijn wil wel degelijk kenbaar kon maken op basis van de gesprekken die hij met de heer [erflater] heeft gevoerd. Echter, niet is gebleken hoe [persoon X] dit dan heeft kunnen vaststellen. [persoon X] ontbreekt het aan enige specialistische kennis om een dergelijk oordeel te kunnen vellen. Hij heeft bijvoorbeeld geen ervaring in het voeren van procedures op grond van de Wvggz of de Wzd. Verder is ook niet gebleken dat [persoon X] en de heer [erflater] op andere momenten met elkaar hebben gesproken dan tijdens de eerste fysieke ontmoeting van 14 mei 2024.
5.25.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat in rechte voldoende vast staat dat bij de heer [erflater] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst van opdracht sprake was van stoornissen op cognitieve domeinen en dat de geestelijke vermogens van de heer [erflater] dus op dat moment waren gestoord. Ook is voldoende vast komen te staan dat de stoornis een beletsel voor de heer [erflater] vormde om de betrokken belangen bij het sluiten van een dergelijke overeenkomst met grote financiële en persoonlijke (rechts)gevolgen redelijkerwijs te kunnen waarderen. Op grond van het onweerlegbare vermoeden van artikel 3:34 lid 1 BW Pro wordt de wil van de heer [erflater] om de overeenkomst van opdracht te sluiten geacht te ontbreken.
5.26.
Op grond van artikel 3:35 BW Pro kan de rechtshandeling (de opdrachtverstrekking) echter niet worden vernietigd, in het geval dat de wederpartij van degene die de verklaring heeft gedaan ( [persoon X] ), die verklaring heeft opgevat als een aan hem gerichte verklaring van bepaalde strekking, overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden mocht toekennen. Deze regel strekt ter bescherming van de wederpartij van een geestelijk gestoorde, indien de wederpartij er gelet op de omstandigheden op mocht vertrouwen dat de geestelijk gestoorde werkelijk wilde wat hij verklaarde.
5.27.
[persoon X] komt op deze bescherming geen beroep toe. [persoon X] had beschikking tot het medisch dossier van de heer [erflater] en had kennis van de rechterlijke machtiging. Op de mondelinge behandeling heeft [persoon X] bovendien verklaard dat hij wist van de heer [erflater] zijn fysieke en psychische handicap. De stelling dat [persoon X] het ‘volste vertrouwen’ had gekregen in de wens van de heer [erflater] is tegen deze achtergrond volstrekt onvoldoende. Van [persoon X] mocht worden verwacht dat hij zich bewust was van de mogelijkheid dat de heer [erflater] zijn geestelijke vermogens waren gestoord en daardoor zijn wil niet langer kon uiten. [persoon X] had simpelweg beter moeten weten.
Tussenconclusie in reconventie in de tweede zaak 716524 / HA ZA 26-245
5.28.
Het voorgaande betekent dat het beroep van [persoon A] c.s. op de vernietigingsgrond van artikel 3:34 BW Pro, ter afwering van de vorderingen van [advocatenkantoor X] , slaagt. De opdrachtverstrekking moet op grond van artikel 3:51 lid 1 BW Pro als vernietigd worden beschouwd, welke vernietiging gelet op artikel 3:53 lid 1 BW Pro terugwerkt tot het tijdstip waarop de overeenkomst is gesloten, en die dus niet tot stand is gekomen. Daarmee is de grond voor de vorderingen van [advocatenkantoor X] komen te vervallen, zodat deze zullen worden afgewezen.
Ten overvloede: ambtshalve toetsing overeenkomst – ook vernietiging
5.29.
In het geval dat de stoornis van de geestesvermogens van de heer [erflater] wordt weggedacht en toch zou hebben te gelden dat tussen de heer [erflater] en [advocatenkantoor X] een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen, dan komt de rechtbank ook in die situatie tot het oordeel dat de overeenkomst moet worden vernietigd, op grond van de Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: Richtlijn oneerlijke bedingen). De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
5.30.
De overeenkomst die [advocatenkantoor X] aan haar vordering ten grondslag legt is gesloten tussen [advocatenkantoor X] als handelaar en de heer [erflater] als consument. Dit betekent dat ambtshalve moet worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, ook als dat door partijen niet aan de orde is gesteld. Bovendien hebben [persoon A] c.s. een dergelijk verweer gevoerd.
5.31.
Reeds is vastgesteld dat er geen schriftelijke overeenkomst en/of bevestiging van de opdracht is opgesteld. [advocatenkantoor X] heeft gesteld dat [persoon X] met de heer [erflater] mondeling een uurtarief heeft afgesproken van € 250,00. Dit is een kernbeding in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen, omdat het de kern van de contractuele verhouding bepaalt. De rechter toetst een kernbeding alleen op oneerlijkheid als het beding niet transparant genoeg is. Dat is hier het geval. Het enkel noemen van een uurtarief is onvoldoende voor een consument om alle financiële consequenties van de overeenkomst in te schatten. Een advocaat moet bovendien op grond van artikel 17 van Pro de Gedragsregels advocatuur van de Nederlandse Orde van Advocaten voor het sluiten van de overeenkomst een realistische inschatting te geven van de tijd die vermoedelijk nodig is voor de behandeling van de zaak en de te verrichten werkzaamheden. Niet gesteld of gebleken is dat dit is gebeurd. Hier komt bij dat het beding slechts mondeling is overeengekomen waardoor het beding op geen enkele manier controleerbaar is, nog daar gelaten dat dit in strijd is met artikel 16 van Pro de Gedragsregels advocatuur van de Nederlandse Orde van Advocaten.
5.32.
Het kostenbeding is dus niet voldoende transparant. Dit betekent niet per definitie dat het beding ook oneerlijk is. Dat moet de rechter beoordelen aan de hand van alle omstandigheden, waarbij nagegaan moet worden of sprake is van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht in het nadeel van de consument. Daarvan is hier sprake. Op basis van het kostenbeding kon [advocatenkantoor X] ongelimiteerd declareren, hetgeen ook is gebeurd. [advocatenkantoor X] vordert een bedrag van € 53.435,00 aan declaraties waarvan nog steeds onvoldoende duidelijk is, gelet op de gestelde verrichte werkzaamheden, hoe dit bedrag is opgebouwd en hoe dit tot deze hoogte heeft kunnen oplopen. Het kostenbeding is dan ook aan te merken als een oneerlijk beding in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen.
5.33.
Dit betekent dat het kostenbeding vernietigbaar is. In het onderhavige geval heeft dit als gevolg dat de gehele overeenkomst wordt vernietigd omdat de overeenkomst zonder het kostenbeding niet in stand kan blijven (artikel 3:41 BW Pro). Hiermee vervalt ook in deze situatie de grondslag voor de betalingsvordering van [advocatenkantoor X] en zijn de vorderingen dus evenmin toewijsbaar.
Vorderingen [persoon A] c.s. – schadevergoeding
5.34.
In de tweede zaak stellen [persoon A] c.s. zich op het standpunt dat zij door de onrechtmatige handelswijze van [advocatenkantoor X] schade hebben geleden. [persoon A] c.s. onderbouwen dit als volgt. [advocatenkantoor X] heeft zonder geldige opdracht werkzaamheden verricht en in rekening gebracht bij de heer [erflater] en na zijn overlijden bij [persoon A] c.s. Door het toedoen van [advocatenkantoor X] is de volmacht van de nicht ingetrokken en is het levenstestament van de heer [erflater] gewijzigd. [persoon A] c.s. waren genoodzaakt om maatregelen te treffen en om hierbij juridische bijstand in te schakelen. De nicht heeft daarnaast als gevolg van het handelen van [advocatenkantoor X] een verzoek tot onderbewindstelling en mentorschap ingediend en heeft in die procedure hoger beroep moeten indienen. Op het moment dat [advocatenkantoor X] , dan wel [bedrijf X] , haar gepretendeerde vordering wilde gaan verhalen, waren [persoon A] c.s. genoodzaakt om zich hiertegen te verweren. [persoon A] c.s. zijn een kortgedingprocedure gestart voor het opheffen van de door [advocatenkantoor X] / [bedrijf X] gelegde beslagen en hebben zich moeten verweren in de onderhavige procedures. [persoon A] c.s. voelden zich tevens genoodzaakt om een klachtprocedure te starten bij de Deken. De uitspraak van de Raad van Discipline bevestigt de onzorgvuldige en onrechtmatige handelswijze van [persoon X] .
5.35.
[advocatenkantoor X] stelt zich op het standpunt dat van onrechtmatig handelen geen sprake is. [advocatenkantoor X] heeft werkzaamheden verricht voor de heer [erflater] op basis van de overeenkomst van opdracht. De werkzaamheden heeft zij gedeclareerd en de declaraties zijn akkoord bevonden door [persoon H] . Nu de declaraties niet werden betaald heeft [bedrijf X] beslag laten leggen en heeft zij [persoon A] c.s. in rechte betrokken om haar vordering te verhalen.
5.36.
De rechtbank oordeelt als volgt. Hiervoor is geoordeeld dat de rechtshandeling van de heer [erflater] tot het geven van de opdracht aan [advocatenkantoor X] is vernietigd en er daarom geen overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen. Dit betekent dat [advocatenkantoor X] zonder rechtsgeldige overeenkomst werkzaamheden heeft verricht. Gelet op de onzorgvuldigheid van [persoon X] bij het aangaan van de overeenkomst heeft [persoon X] hiermee verwijtbaar gehandeld zowel tegenover de heer [erflater] als later tegenover [persoon A] c.s. Dit wordt [advocatenkantoor X] toegerekend. [advocatenkantoor X] is een overeenkomst aangegaan met de heer [erflater] die niet of onvoldoende in staat was zijn wil te bepalen. [persoon X] heeft zich er niet van vergewist dat de heer [erflater] in staat was om aan [advocatenkantoor X] een opdracht te verstrekken. Dit terwijl er alle reden was om hieraan te twijfelen gelet op het medisch dossier van de heer [erflater] en de rechterlijke machtiging tot opname en verblijf. Daarnaast heeft [persoon X] in strijd gehandeld met verschillende gedragsregels. De rechtbank kan dan ook niet tot een andere conclusie komen dan dat [advocatenkantoor X] onrechtmatig heeft gehandeld door het verrichten van werkzaamheden voor de heer [erflater] .
5.37.
[advocatenkantoor X] heeft ter afwering van de schadeplichtigheid een beroep gedaan op haar algemene voorwaarden waarin is bepaald dat iedere aansprakelijkheid is beperkt tot maximaal een bedrag van € 10.000,00 in het geval dat de aansprakelijkheidsverzekeraar geen uitkering doet (artikel 7) en dat aansprakelijkheid voor indirecte schade of gevolgschade onder alle omstandigheden is uitgesloten (artikel 8). Omdat is geoordeeld dat geen overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen vanwege het vernietigen van de opdrachtverlening, komt [advocatenkantoor X] geen beroep toe op de eventueel van toepassing zijnde algemene voorwaarden op die overeenkomst.
5.38.
[advocatenkantoor X] zal worden gehouden tot vergoeding van de schade die [persoon A] c.s. hebben geleden ten gevolge van het onrechtmatig handelen van [advocatenkantoor X] . Van belang is dus welke werkzaamheden [advocatenkantoor X] voor de heer [erflater] heeft verricht en waartegen [persoon A] c.s. zich vervolgens redelijkerwijs hebben moeten verweren en kosten voor moeten hebben maken. Het gaat dan om de kosten die [persoon A] c.s. zonder de onrechtmatige vertegenwoordiging door [advocatenkantoor X] van de heer [erflater] niet hadden hoeven maken.
5.39.
Daaronder vallen in ieder geval de kosten die [persoon A] c.s. hebben moeten maken in verband met de twee onderhavige procedures die zijn aangevangen om de declaraties van [advocatenkantoor X] te verhalen. Ook vallen daaronder de kosten die [persoon A] c.s. hebben moeten maken in verband met de gelegde beslagen. De kosten die zijn gemaakt in verband met het verzoek tot onderbewindstelling en/of mentorschap vallen hier buiten. [persoon A] c.s. hebben dit gedaan op advies van de zorginstelling waar de heer [erflater] verbleef nadat de volmacht van de nicht was ingetrokken en [persoon H] tot volmachtigde is benoemd in het nieuwe levenstestament. Het is onduidelijk welke rol [advocatenkantoor X] hierin heeft gespeeld. Niet vast is komen te staan dat dit het gevolg is geweest van de werkzaamheden van [advocatenkantoor X] . Ook de kosten met betrekking tot de klachtprocedure komen niet voor vergoeding in aanmerking. Alhoewel de rechtbank deze stap begrijpt, is het indienen van een klacht tegen [persoon X] geen noodzakelijke stap geweest voor [persoon A] c.s. om zich te verweren tegen het handelen van [advocatenkantoor X] . De daaraan verbonden kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
5.40.
[persoon A] c.s. hebben op de mondelinge behandeling nader uiteengezet welke kosten zij hebben moeten maken. [advocatenkantoor X] heeft de bedragen niet betwist. Voor de twee onderhavige procedures zal een bedrag worden toegekend van € 22.960,79, te vermeerderen met een bedrag van € 1.597,92 voor de procedure in incident. Eveneens wordt een bedrag toegekend van € 4.793,71 voor de beslagprocedure. Bij elkaar opgeteld bedraagt dit € 29.352,42. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de gevorderde 6% kantoorkosten (€ 31.113,57) en vervolgens met 21% BTW. Dit komt neer op een bedrag van € 37.647,42.
Hierop zal in mindering worden gebracht het bedrag aan forfaitaire proceskostenvergoeding waartoe [bedrijf X] in de eerste zaak is veroordeeld. Een forfaitaire proceskostenveroordeling in de tweede zaak blijft achterwege gelet op de gedeeltelijke toewijzing van de vordering van [persoon A] c.s. die onder meer ziet op de proceskosten in de onderhavige procedure. Wel zal [advocatenkantoor X] worden veroordeeld tot betaling van de nakosten indien zij niet tijdig aan de veroordelingen van het vonnis voldoet en het vonnis moet worden betekend.
5.41.
In totaal wordt [advocatenkantoor X] veroordeeld tot betaling aan [persoon A] c.s. van een bedrag van € 36.168,42. De veroordeling zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. De overige vorderingen van [persoon A] c.s. zullen worden afgewezen.

6.De beslissing

In de zaak 697945 / HA ZA 25-325 (de eerste zaak)
De rechtbank
in conventie
6.1.
wijst de vorderingen van [bedrijf X] af,
6.2.
veroordeelt [bedrijf X] in de proceskosten van € 2.853,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [bedrijf X] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
in reconventie
6.3.
wijst de vorderingen van [persoon A] c.s. af,
6.4.
veroordeelt [persoon A] c.s. in de proceskosten van € 1.479,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [persoon A] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
6.5.
veroordeelt [persoon A] c.s. in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
6.6.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
In de zaak 716524 / HA ZA 26-245 (de tweede zaak)
De rechtbank
in conventie
6.7.
veroordeelt [advocatenkantoor X] om aan [persoon A] c.s. te betalen een bedrag van € 36.168,42, plus de kosten van betekening als [advocatenkantoor X] niet aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.8.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.9.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.10.
wijst de vorderingen van [advocatenkantoor X] af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J. Arts, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Vernee, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.
3304/3455