Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.De procedure
- de dagvaarding van 7 juni 2025, met producties 1 tot en met 25;
- het incident strekkende tot (partiële) onbevoegdheid van de kantonrechter, splitsing en verwijzing, tevens houdende een conclusie van antwoord in het incident ex art. 194 / 195 Rv, tevens houdende een conclusie van antwoord in de hoofdzaak, tevens houdende een conclusie van eis in reconventie, met producties 1 tot en met 4;
- de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident en in het incident ex art. 194 jo Pro. 195 lid 1 Rv;
- het vonnis van de kantonrechter in de incidenten van 12 december 2025, waarbij de zaak tussen [eiser] en [gedaagde] is verwezen naar team handel en haven van deze rechtbank;
- de oproepingsbrief van de rechtbank van 4 februari 2026 voor de mondelinge behandeling op 7 april 2026;
- de e-mail van de rechtbank van 26 februari 2026 met een zittingsagenda;
- de brief van 27 maart 2026 van [eiser] , met aanvullende producties 26 tot en met 29;
- de e-mail van 2 april 2026 van [eiser] , met vervanging van productie 29 en aanvullende productie 30;
- de oproepingsbrief van de rechtbank van 16 april 2026 voor de mondelinge behandeling op 11 mei 2026, nadat de zitting op 7 april 2026 is aangehouden;
- de mondelinge behandeling op 11 mei 2026 en de door partijen overgelegde spreekaantekeningen.
2.De zaak in het kort
3.De feiten
4.Het geschil
a. 3 mobiele telefoons: iPhone SE 2020 64 GB;
5.De beoordeling
€ 1.245,78 aan boetes aan [eiser] is opgelegd, heeft begaan. Daarom moet zij ook die kosten vergoeden. Het aanvankelijke beroep van [gedaagde] op verrekening leidt niet tot een ander oordeel omdat [gedaagde] op zitting heeft erkend dat de vermeende tegenvordering geen vordering is op [eiser] maar op de nalatenschap die geen partij is in deze procedure.
.Gelet hierop faalt ook het beroep van [gedaagde] op schending van de informatieplicht [9] en een daaraan door de rechtbank te verbinden sanctie.
€ 770.508,00. Hierop brengt de rechtbank het door [eiser] onbetwist gestelde correctiebedrag van € 103.301,38 [10] in mindering omdat dit het door erflater verschuldigde saldo is dat is ontstaan voor de huwelijkse periode en daarom buiten de huwelijksgoederen-gemeenschap valt. Dit betekent dat de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap het saldo van € 667.206,62 [11] verschuldigd is. De helft hiervan komt voor rekening van [gedaagde] . Dit leidt tot de slotsom dat [gedaagde] € 333.603,31 aan [eiser] moet betalen. Over dit bedrag is [gedaagde] de wettelijke rente [12] verschuldigd vanaf de dag van dagvaarding omdat gesteld noch gebleken is van een eerdere datum van aanmaning.
- Kosten dagvaarding € 120,21
- Griffierecht € 6.861,00
- Salaris advocaat € 5.770,00
- Beslagkosten € 2.859,17
- Nakosten