ECLI:NL:RBROT:2026:7543

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
10-002940-26
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 57 SrArt. 58 SrArt. 62 SrArt. 231 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen handel cocaïne en nalaten hulp bij levensgevaar

De rechtbank Rotterdam heeft verdachte veroordeeld voor drie feiten: het medeplegen van het afleveren, verstrekken en vervoeren van een grote hoeveelheid cocaïne (ongeveer zeven kilo), het voorhanden hebben van een vals Nederlands paspoort, en het nalaten van hulp aan een slachtoffer dat in levensgevaar verkeerde.

De bewezenverklaring is gebaseerd op camerabeelden, chatberichten, getuigenverklaringen en de bekentenis van verdachte. Ondanks het ontbreken van fysieke cocaïnemonsters, acht de rechtbank het wettig en overtuigend bewezen dat verdachte betrokken was bij de drugshandel. Het nalaten van hulp aan het slachtoffer, dat in aanwezigheid van verdachte werd neergeschoten en later overleed, werd eveneens bewezen. De rechtbank verwierp het verweer dat er gevaar voor verdachte bestond of dat het slachtoffer al overleden was.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 30 maanden op voor de drugshandel en het bezit van het vals paspoort, met aftrek van voorarrest. Voor het nalaten van hulp werd een afzonderlijke straf van één maand hechtenis opgelegd. De rechtbank benadrukte de ernst van de feiten, de ontwrichtende werking van de drugshandel en het pijnlijk effect voor de nabestaanden. De straf is hoger dan de eis van de officier van justitie.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf en 1 maand hechtenis voor drugshandel, vals paspoort en nalaten hulp.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-002940-26
Datum uitspraak: 6 mei 2026
Datum zitting: 21 april 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1962 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
zonder vaste woon- of verblijfplaats,
gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] .
Advocaat van de verdachte: mr. A.C.M. van Lieshout
Officieren van justitie: mrs. S.S.S. Heinerman en J. Spaans (hierna: officier van justitie)
Kern van het vonnis
De verdachte heeft samen met een ander een grote hoeveelheid cocaïne verstrekt, afgeleverd en vervoerd. Ook heeft hij een vals paspoort voorhanden gehad. Ten aanzien van die feiten wordt de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van voorarrest. Hiernaast heeft de verdachte nagelaten hulp te verlenen aan iemand die in levensgevaar was. Het slachtoffer is in bijzijn van de verdachte neergeschoten en is uiteindelijk komen te overlijden. Omdat dit feit een overtreding betreft, moet hiervoor een afzonderlijke straf worden opgelegd. Voor dit feit wordt aan de verdachte hechtenis voor de duur van één maand opgelegd.

1.Tenlastelegging

De volledige tenlastelegging houdt in dat:
1
hij op of omstreeks 15 november 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2
hij op of omstreeks 7 januari 2026 te Kerkrade een reisdocument als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van Pro het Wetboek van Strafrecht, te weten een Nederlands paspoort op naam van [naam 1] (documentcode [code document 1] ), waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze vals was, voorhanden heeft gehad;
3
hij op 15 november 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, toen hij getuige was van het ogenblikkelijk levensgevaar waarin [slachtoffer] verkeerde, heeft nagelaten deze hulp te verlenen en/of te verschaffen, immers heeft verdachte nadat hij had waargenomen dat die [slachtoffer] was beschoten, strompelde, op zijn rug ging liggen en niet meer reageerde, niet 112 gebeld danwel anderszins (medische) hulp/verzorging ingeroepen, gehaald en/of
ingeschakeld, terwijl daarbij voor verdachte redelijkerwijs geen gevaar voor zichzelf
en/of anderen te duchten was, terwijl de dood van die hulpbehoevende [slachtoffer] is gevolgd.

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor alle feiten. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1 en 3 en heeft zich ten aanzien van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte alle drie de feiten heeft gepleegd. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.4.
De bewezenverklaring van feit 2, het voorhanden hebben van een vals paspoort, is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft dit feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd, maar niet uitgeschreven:
De bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 21 april 2026;
Het proces-verbaal van bevindingen, nummer [nummer proces-verbaal] , pagina 419 tot en met 421 van het zaaksdossier met documentcode [code document 2] , inhoudende als relaas van verbalisanten [naam verbalisant 1] , [naam verbalisant 2] en [naam verbalisant 3] ;
Het proces-verbaal van bevindingen van de Koninklijke Marechaussee van 16 januari 2026, pagina 625 tot en met 643 van het zaaksdossier met documentcode [code document 3] .
De bewezenverklaring van de feiten 1 en 3 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen [1] en de onderstaande bewijsmotiveringen.
1.
Verklaring van de verdachte op de terechtzitting [2] Ik logeerde al een paar dagen bij [slachtoffer] op de Huniadijk in Rotterdam. Op 15 november 2025 kwam ik aan bij de woning. Ik was gebracht door [naam 2] . Er was een oudere man. We moesten naar hetzelfde huisnummer. Ik droeg zijn tas. Wij gingen samen naar binnen. Na een uur of langer kwam er nog een jongen. Er ontstond een worsteling tussen hem en [slachtoffer] . Die jongen viel op de grond met [slachtoffer] boven zich en begon te schieten. [slachtoffer] strompelde en viel op zijn rug op de grond. Voor mijn idee was hij al dood. Ik heb 112 niet gebeld. Die jongen ging weg en ik ben pas na iets van vijf of tien minuten weggegaan. [naam 2] heeft mij en die oudere man opgehaald.
2.
Verklaring van de verdachte bij de politie [3]
V: We gaan terug naar de woning. Jij en de Javaanse man staan in de keuken. De jongen gaat met tas en vuurwapen de woning uit. Wat gebeurt er met [slachtoffer] ?
A: Hij strompelt, gaat op zijn rug liggen met zijn ogen open.
V: En reageerde hij nog?
A: Nee ik zei nog hé maar hij reageerde niet meer. Ik dacht straks komt hij terug en maakt alle getuigen af.
V: Wat doen jullie dan?
A: Wij gingen de woning uit.
O: Deze foto is afkomstig van camerabeelden van de toegangshal van de Keverflat (Huniadijk te Rotterdam) van 15 november 2025 te 17:44 uur.
O: Aan de verdachte wordt foto met bijlagenummer [nummer] getoond.
V: Wie zijn de mannen op deze foto?
A: Dat ben ik en die man weer.
3.
Deskundigenverslag [4]
[slachtoffer] was levenloos aangetroffen op de vloer in de woonkamer van zijn woning. Aan de onderbuik tot schaamstreek rechts waren in totaal drie huidperforaties in het kader van één inschot. Dit letsel heeft geleid tot uitgebreid bloedverlies op basis waarvan het overlijden volledig kan worden verklaard.
Bij bovengenoemd letsel is geen acuut overlijden te verwachten. Het is dan ook mogelijk dat betrokkene nog enige tijd (in de ordegrootte van talrijke minuten tot uren) handelingsbekwaam is geweest.
4.
Verklaring van de getuige [naam 2] [5] Ik werd zaterdagmiddag
(rb: 15 november 2025)gebeld door [verdachte] . Hij vroeg aan mij of ik hem kon ophalen en of ik ook nog iemand kon ophalen in Amsterdam. Die man was een oudere man. De oude man had een sporttas bij zich. We zijn naar Rotterdam gereden. Ik heb ze vlakbij een flat afgezet en heb ze nog het portiek in zien gaan. [verdachte] zei dat het bezoek een uurtje zou duren. Na een uur of anderhalf uur werd ik opeens gebeld door [verdachte] dat ik ze snel moest halen. Ze zijn weer ingestapt. [verdachte] vertelde dat er een meneer naar die woning was gekomen die hem en de oudere man wilde beroven.
V: Toen ze in uw auto stapten, hadden ze toen die sporttas bij hun?
A: Nee, die hadden ze niet meer bij hun.
5.
Proces-verbaal van de politie [6] Gedurende het onderzoek heb ik diverse beschikbare camerabewakingsbeelden onderzocht.
Op zaterdag 15 november 2025 om of omstreeks 17:44 (camerabeelden Keverflat)
Een donkerkleurige personenauto komt aangereden over de Huniadijk te Rotterdam en stopt voor de Keverflat. Uit deze personenauto stappen tenminste twee mannen, die vervolgens naar de toegangshal van de Keverflat lopen. Beide mannen, NNman en NNman1, lopen vervolgens deze toegangshal van de Keverflat binnen. NNman is qua huidskleur donker getint en heeft een kaal hoofd
(rb: betreft verdachte [verdachte] ). NNman1 heeft een blank huidskleur, grijskleurig haar.
Om 17:45 uur wordt er aangebeld bij [adres 1] te Rotterdam. Beide mannen lopen door via de centrale hal en richting de woning van het slachtoffer [slachtoffer] . Te zien is dat NNman1 een zwartkleurige sporttas over zijn linkerschouder heeft hangen. Te zien is dat deze tas meerdere rechthoekige blokvormige objecten bevat.
6.
Proces-verbaal van de politie [7] In proces-verbaal met documentcode [code document 4] werd onder andere gerelateerd dat NNman1 een zwartkleurige sporttas over zijn schouder had hangen. Abusievelijk is in voornoemd proces-verbaal gerelateerd dat NNman1 op dat moment de sporttas droeg, maar dit betrof dus NNman.
Tijdens het onderzoek van de camerabeelden zag ik op 15 november 2025 omstreeks 19:33:23 uur twee personen rustig lopend in beeld komen, vanuit de richting van onder andere de woning [adres 1] te Rotterdam. Het lijkt zeer aannemelijk dat NNman en NNman1 omstreeks 19:34 uur door getuige [naam 2] zijn opgehaald en niet meer de sporttas bij zich hadden die NNman die dag omstreeks 17:44 uur wel droeg.
7.
Verklaring van de getuige [naam 3] [8] [voornaam slachtoffer]
(rb: [slachtoffer] )was bezig met dingen met wit poeder. [voornaam slachtoffer] was verkoper.
V: [voornaam slachtoffer] stuurde je op 11 november 2025 een afbeelding. Wat kan jij hierover vertellen?
A: Dat is dat witte spul. Dat is coke. [accountnaam 1] is de naam van [voornaam slachtoffer] die hij op Signal gebruikt. Op 10 november 2025 stuurt [voornaam slachtoffer] mij een foto van een blok met het Apple logo. Dit is een blok coke. De mannen die u mij net hebt laten zien op de foto’s
(rb: verdachte [verdachte] en NNman1)zijn de mannen die die spullen hadden. Die Surinaamse man sliep bij [voornaam slachtoffer] .
8.
Verklaring van de getuige [naam 4] [9] V: Had [voornaam slachtoffer]
(rb: [slachtoffer] )de cocaïne al?
A: [voornaam slachtoffer] had een partij die hij kon verkopen. (..) Het was als base vanuit het buitenland gekomen. Hier wordt er een stempel opgezet en zit het netjes in blokken.
V: Wat voor stempel zat erop?
A: Een Apple stempel.
[slachtoffer] zei dat hij een Surinaamse man had die kon komen kopen. (..) Het was eerst die 2 kilo en als dat goed ging zouden ze meer leveren. Volgens mij 15 kilo. (..) [slachtoffer] zou verkopen voor iemand. Een Surinamer was dat. Dat was de tussenpersoon en daar was die kamer voor. En ik denk een Colombiaan. (..) [slachtoffer] kreeg het voor 14000 euro, maar de prijs is 15000 euro.
9.
Verklaring van de getuige [naam 5] [10] [voornaam slachtoffer]
(rb: [slachtoffer] )had iets te koop wat te mooi om waar te zijn was. [voornaam slachtoffer] belde mij op een woensdag of een donderdag. Hij was met een oudere Surinaamse man. Dat was de vertegenwoordiger van die spullen of de eigenaar van die spullen. [voornaam slachtoffer] had mij een foto gestuurd van de verdovende middelen.
V: Hoe zagen die verdovende middelen eruit?
A: Wit, Apple logo en geseald.
V: Hoeveel waren het er?
A: 2 waren er.
V: Wat was de prijs?
A: 15.
V: Wij tonen een foto
(rb: van verdachte [verdachte] ).Wie is deze man?
A: Dit is [bijnaam] uit Eindhoven.
10.
Proces-verbaal van politie [11]
Op 15 november 2025 bleek dat verdachte [medeverdachte 1] een bezoek bracht aan het slachtoffer. Zijn telefoon bleef achter in de woning (AASL0257NL). Uit de camerabeelden van de Keverflat, bleek dat [medeverdachte 1] op 12 november 2025 ook al bij het slachtoffer was geweest.
De Signal chats afkomstig uit het toestel SIN AASL0257NL zijn inzichtelijk gemaakt. Gebleken is dat [medeverdachte 1] contact heeft met [medeverdachte 2] . Uit de telefoon van het slachtoffer is de accountnaam [accountnaam 1] aan zijn Signal gekoppeld.
Op 11 november 2025 stuurt [medeverdachte 2] het adres [adres 2] naar [medeverdachte 1] . [medeverdachte 2] stuurt twee screenshots door van het gesprek met [accountnaam 1] , waarop ook een foto met vermoedelijk een blok cocaïne te zien is.
Op 12 november 2025 stuurt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 2] “Ik ga zo bewegen naar daar he”. Omstreeks 13:09 uur stuurt [medeverdachte 1] een video naar [medeverdachte 2] waar een blok cocaïne met Apple logo te zien is.
Op 13 november 2025 wordt er door [accountnaam 1] een foto gestuurd waar vermoedelijk vijf blokken cocaïne met het logo van Apple op te zien zijn. [medeverdachte 2] vraagt of [accountnaam 1] ze al heeft, waarop [accountnaam 1] stuurt “nee nog niet”.
Op 15 november 2025 wordt er geprobeerd een afspraak te maken. [medeverdachte 2] vraagt omstreeks 17:16 uur aan [medeverdachte 1] met hoelang hij bij de taxi is en of hij zeker weet of hij janoe heeft. Vermoedelijk gaat [medeverdachte 1] met iemand vertrekken en heeft hij een vuurwapen bij zich. Vervolgens stuurt [medeverdachte 2] “Aii hij heeft ze daar”, “Zorg dat ze van ons worden aub bro”, waarop [medeverdachte 1] stuurt “Ze gaan van ons worden”. Omstreeks 17:36 uur vraagt [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] of hij vertrokken is. Tien minuten later stuur [medeverdachte 2] een screenshot van een videogesprek die hij heeft met [accountnaam 1] . Hierop zijn vermoedelijk zeven blokken cocaïne met het logo van Apple te zien. De achtergrond van de foto lijkt in de woning op de [adres 1] te Rotterdam. Vermoedelijk hebben de blokken cocaïne op 15 november 2025 op de bank gelegen van de [adres 1] te Rotterdam.
Omstreeks 18:27 uur stuurt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 2] “Hoeveel moet er afgerekend worden”. Hier reageert [medeverdachte 2] met een screenshot van zijn rekenmachine op. [medeverdachte 2] stuurt voor
7x15.000, 105.000en dat ze zogenaamd komen voor
15.000x15, 225.000en dat ‘hij’ dit moet krijgen. Vermoedelijk zijn er op dat moment 7 blokken cocaïne in de woning en zouden ze uiteindelijk ‘zogenaamd’ 15 blokken willen.
[medeverdachte 1] vraagt aan [medeverdachte 2] “Heeft die niet gestuurd in wat het zit”, waarop [medeverdachte 2] stuurt “Pak gewoon tas bij hem of heb je tas”. Vervolgens stuurt [medeverdachte 1] dat hij gewoon gaat zeggen, ga meenemen en kom terug met pap (geld) en als die moe (moeilijk) doet dat hij gelijk trekt op ze moeder ze kaak. [medeverdachte 2] reageert dat [medeverdachte 1] eerst zogenaamd moet checken. Later stuurt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 1] “Anders pop op hem”. Ambtshalve is bekend dat met pop bedoeld wordt schieten of vermoorden.
Omstreeks 19:00 uur stuurt [medeverdachte 1] dat hij er over 2 minuten is. Vanaf 19:09 uur leest [medeverdachte 1] zijn berichten niet meer.
11.
Proces-verbaal van politie [12]
Op 7 januari 2026 is [verdachte] aangehouden. Hij had twee telefoons bij zich, waaronder een Samsung SIN AASA1359NL. Er werd gebruik gemaakt van de accountnaam ‘ [accountnaam 2] ’ en het telefoonnummer [gsm-nummer] was in de telefoon van het slachtoffer opgeslagen als ‘ [naam 6] ’.
Uit onderzoek bleek dat het slachtoffer contact had met ‘ [naam 6] ’ en dat zij een afspraak hebben op 15 november 2025 om vermoedelijk blokken te verhandelen. Uit onderzoek naar de Samsung blijkt dat [verdachte] zich bezighoudt met de handel in verschillende soorten verdovende middelen.
Chatgesprek [naam 7]
Op 20 oktober 2025 stuurt [verdachte] een spraakmemo naar ‘ [naam 7] ’, vermoedelijk in het Surinaams. Hier reageert ‘ [naam 7] ’ op met 15.5. Ambtshalve is bekend dat dit de vermoedelijke prijs is van een blok cocaïne 15.5 x 1000. Vervolgens reageert [verdachte] met ‘Colo?’, ambtshalve is bekend dat met ‘Colo’ vaak Colombiaanse cocaïne wordt bedoeld. [verdachte] reageert met een spraakmemo, waarin hij zegt dat hij 15,5 te duur vindt en want als hij zelf nog wat wil bijzetten wordt het 16,5 en dat is veel te duur. [verdachte] vraagt om een lagere prijs, waarop ‘ [naam 7] ’ stuurt dat hij ‘hem’ heeft gesproken en dat hij het voor 15 kan doen. Vervolgens stuurt ‘ [naam 7] ’ meerdere foto’s en filmpjes van vermoedelijke blokken cocaïne met verschillende logo’s. Ook hier reageert [verdachte] op dat hij het te duur vindt, waarop ‘ [naam 7] ’ reageert dat hij het gaat doorgeven.
Chatgesprek [naam 8]
Op 14 november 2025 heeft [verdachte] een gesprek met contact opgeslagen als ‘ [naam 8] ’. [verdachte] stuurt een spraakmemo. Hierin vertelt hij dat hij twee dames heeft en dat hij deze kwijt wil, maar dat een andere 15 heeft besteld. Ambtshalve is bekend dat in de verdovende middelen vaak wordt gesproken over meisje of dames, terwijl er vaak over blokken cocaïne wordt gesproken. Uit onderzoek is gebleken dat [verdachte] al een aantal dagen in de woning van het slachtoffer verbleef en dat in deze woning vermoedelijk ook twee blokken cocaïne aanwezig waren. Daarnaast hadden de contacten van het slachtoffer, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , 15 blokken cocaïne besteld. Vermoedelijk heeft [verdachte] het dus over deze deal tegen [naam 8] .
Chatgesprek [naam 9]
Een whatsapp gesprek met zijn vriendin uit Kenia viel op. Op 16 november 2025, de dag na het incident, stuurt [verdachte] verschillende berichten naar [naam 9] . Hij geeft aan dat hij 100 is verloren en dat hij weer geld moet maken.
12.
Proces-verbaal van politie [13]
Ik heb nader onderzoek gedaan naar de communicatie tussen het slachtoffer en [verdachte] . Ik zag dat de gebruiker van Signal gebruik maakt van de naam [accountnaam 1] . Er was een Signal-contact met de naam [naam 10] met telefoonnummer [gsm-nummer] . Dit komt overeen met het nummer van [verdachte] .
De chat is een één op één chat tussen [accountnaam 1] en [accountnaam 2] . Het slachtoffer geeft op 10 november 2025 zijn adres. Het gesprek lijkt over de handel in cocaïne te gaan want er worden afbeeldingen verstuurd van blokken met een logo en er wordt gesproken over de prijs.
datum/tijd
verzender
inhoud
21-10-2025 16:14
[accountnaam 1]
signal-2025-10-21-16-14-40-192 m4a
“Rotzooi, rotzooi”
9-11-2025 23:31
[accountnaam 2]
image/jpeg
10-11-2025 16:28
[accountnaam 1]
[adres 1] postcode [postcode]
10-11-2025 16:29
[accountnaam 1]
Lombardije Rotterdam
11-11-2025 19:10
[accountnaam 2]
We have to do something with the price my brother than things going fastet
11-11-2025 19:11
[accountnaam 2]
Because everyone complained about the price and the smells. So I think is smarter to low the price. 13.5.
11-11-2025 19:11
[accountnaam 2]
Than we sell it 14.5
2.3.2.
Bewijsmotivering feit 1
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het afleveren, verstrekken of vervoeren van cocaïne dan wel het aanwezig hebben daarvan. De verdachte ontkent dat er cocaïne in de tas zat en er zijn geen monsters, wegingen of testresultaten van het NFI die het tegendeel bewijzen. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het om vijf kilo gaat en niet om zeven kilo, zoals de officier van justitie heeft betoogd.
Voorgaande verweren slagen niet. Uit het totaalbeeld van de inhoud van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte betrokken was bij de handel in cocaïne en dat hij op 15 november 2025, samen met NNman1, bij de woning van het slachtoffer is gearriveerd met een tas met daarin blokken cocaïne. Hoewel er geen cocaïne in beslag is genomen, kan op basis van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend worden vastgesteld dat het om cocaïne ging. De rechtbank gaat daarbij, met de officier van justitie, uit van een hoeveelheid van zeven kilo. Allereerst zijn er op een foto van 15 november 2025 op de bank in de woning van het slachtoffer zeven blokken te zien. De verdachte was op dat moment in die woning aanwezig. Ook is te zien dat het Apple logo op de verpakkingen van die blokken staat. Dat logo komt steeds terug in dit dossier en een foto van een dergelijk blok is ook eerder door de verdachte gestuurd. Daarnaast blijkt uit de chat tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] dat er op 15 november 2025 een berekening wordt gemaakt voor het betalen van zeven blokken (7x15000) en zegt de verdachte de dag na het incident dat hij “100 is verloren”, wat neerkomt op eenzelfde bedrag. Bovendien zegt de verdachte in een spraakbericht op 14 november 2025 dat hij
zelftwee blokken (dames) heeft. Ook daaruit volgt dat het dus niet het slachtoffer was die blokken tot zijn beschikking had, maar de verdachte.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat de verdachte samen met NNman1 een grote hoeveelheid cocaïne, waarbij wordt uitgegaan van zeven kilo, heeft afgeleverd, verstrekt en vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad.
2.3.3.
Bewijsmotivering feit 3
De verdediging heeft bepleit dat er na het schieten gevaar voor de verdachte te duchten was en dat hij daarom niet concreet heeft kunnen handelen. Daarnaast was hulp redelijkerwijs niet meer mogelijk omdat de verdachte zag dat het slachtoffer direct was overleden. Gelet daarop moet de verdachte worden vrijgesproken.
De rechtbank volgt deze verweren niet. De verdachte heeft verklaard dat hij na het schieten nog vijf of tien minuten in de woning is gebleven. Dat strookt niet met de stelling dat hij in de veronderstelling was dat er nog gevaar voor hem te duchten was. Bovendien had de verdachte ook van buiten de woning de hulpdiensten kunnen bellen voor het slachtoffer. Ten aanzien van de vraag of het slachtoffer reeds was overleden, slaat de rechtbank acht op het onderzoek van het NFI naar het overlijden van het slachtoffer. Hieruit volgt dat er geen acuut overlijden te verwachten was en dat het slachtoffer mogelijk nog talrijke minuten tot uren heeft geleefd. Voor zover de verdachte de conclusie zou hebben getrokken dat het slachtoffer reeds was overleden, was deze conclusie niet aan hem. Het is aan een arts voorbehouden en niet aan de verdachte om het overlijden van een persoon vast te stellen. Van de verdachte kon en mocht juist om die reden verwacht worden dat hij hulp ging verlenen dan wel hulp van buitenaf zou inschakelen.
2.3.4.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 1
hij op 15 november 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft afgeleverd en verstrekt en vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
Feit 2
hij op 7 januari 2026 te Kerkrade een reisdocument als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van Pro het Wetboek van Strafrecht, te weten een Nederlands paspoort op naam van [naam 1] (documentcode [code document 1] ), waarvan hij, verdachte, wist dat deze vals was, voorhanden heeft gehad;
Feit 3
hij op 15 november 2025 te Rotterdam toen hij getuige was van het ogenblikkelijk levensgevaar waarin [slachtoffer] verkeerde, heeft nagelaten deze hulp te verlenen en/of te verschaffen, immers heeft verdachte nadat hij had waargenomen dat die [slachtoffer] was beschoten, strompelde, op zijn rug ging liggen en niet meer reageerde, niet 112 gebeld dan wel anderszins (medische) hulp/verzorging ingeroepen, gehaald en/of ingeschakeld, terwijl daarbij voor verdachte redelijkerwijs geen gevaar voor zichzelf en/of anderen te duchten was, terwijl de dood van die hulpbehoevende [slachtoffer] is gevolgd.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren het volgende strafbare de volgende strafbare feiten op:
Feit 1
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod;
Feit 2
een reisdocument als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht voorhanden hebben, waarvan hij weet dat het vals of vervalst is;
Feit 3
als getuige van het ogenblikkelijk levensgevaar waarin een ander verkeert, nalaten deze die hulp te verlenen of te verschaffen die hij hem, zonder gevaar voor zichzelf of anderen redelijkerwijs te kunnen duchten, verlenen of verschaffen kan, terwijl de dood van de hulpbehoevende volgt.
3.2.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straffen

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten 1 en 2 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 28 maanden met aftrek van voorarrest. Voor feit 3 moet hij worden veroordeeld tot een geldboete van € 750,-, te vervangen voor 7 dagen hechtenis bij niet voldoen daarvan.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de feiten 1 en 3, maar heeft subsidiair verzocht om bij het bepalen van een straf rekening te houden met het feit dat de verdachte geen relevante documentatie heeft.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich allereerst schuldig gemaakt aan het medeplegen van het afleveren, verstrekken en vervoeren van zeven kilo cocaïne. De handel in verdovende middelen is zeer ontwrichtend voor de samenleving. Er gaat veel geld in om, waardoor de financiële belangen groot zijn. Om die belangen te beschermen wordt geweld vaak niet geschuwd, zoals in deze zaak ook pijnlijk duidelijk is geworden. [slachtoffer] is in de aanwezigheid van de verdachte neergeschoten en hieraan overleden. De verdachte is enige tijd na het schieten weggegaan en heeft nagelaten hulp te verschaffen of in te roepen. Door weg te lopen is elke kans die het slachtoffer mogelijk nog had om te overleven hem ontnomen. Het slachtoffer werd pas twee dagen later aangetroffen in zijn woning. Dit is voor de nabestaanden van het slachtoffer zeer pijnlijk, zoals ook blijkt uit hun schriftelijke verklaringen. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij het overlijden van het slachtoffer heel erg vindt, maar zijn handelen strookt niet met die verklaring. Het heeft er alle schijn van dat de verdachte is gevlucht om zich te onttrekken aan zijn aanhouding omdat hij betrokken was bij een uit de hand gelopen ripdeal. Uit het onderzoek in de telefoon van de verdachte lijkt bovendien naar voren te komen dat hij zich ook na 15 november 2025 bezig is blijven houden met de handel in verdovende middelen. Zelfs de dood van een vriend, zoals de verdachte het slachtoffer beschrijft, heeft blijkbaar onvoldoende impact op de verdachte om te stoppen met dit handelen. Enig inzicht in de mogelijke gevaren en desastreuze gevolgen van de handel in verdovende middelen ontbrak blijkbaar ook hierna dus nog totaal. Tot slot heeft de verdachte zich bij zijn aanhouding, bijna twee maanden na het overlijden van het slachtoffer, gelegitimeerd met een vals paspoort. Daarmee heeft hij het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in de echtheid van dergelijke documenten beschaamd.
4.3.2.
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 19 maart 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
4.3.3.
Oplegging straffen
De door de verdachte gepleegde strafbare feiten onder 1 en 2 betreffen misdrijven. Gelet op de ernst van die strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Hieruit volgt dat bij het afleveren, verstrekken en vervoeren van zes tot zeven kilo cocaïne een gevangenisstraf van 28 maanden gevangenisstraf aan de orde is. Bij zeven tot acht kilo loopt dat op tot 32 maanden. Voor het bezit van een vals paspoort wordt een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden voorgeschreven. Gelet op de genoemde oriëntatiepunten acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden dan ook passend en geboden. Daarmee komt de rechtbank tot een hogere straf dan door de officier van justitie is geëist.
Het bewezenverklaarde onder feit 3 betreft een overtreding waarvoor een maximale hechtenis voor de duur van drie maanden kan worden opgelegd. Gelet op de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd, acht de rechtbank hechtenis voor de duur van één maand passend. Een geldboete, zoals door de officier van justitie is geëist, doet onvoldoende recht aan de ernst van het feit.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

5.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 47, 57, 58, 62, 231 en 450 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

6.Beslissingen

De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart
bewezendat de verdachte de feiten, zoals onder 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de onder 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straffen
Gevangenisstraf feit 1 en 2
veroordeelt de verdachte voor de feiten 1 en 2 tot een
gevangenisstraf van 30 maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Hechtenis feit 3
veroordeelt de verdachte voor feit 3 tot een
hechtenis van 1 maand.

7.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. D.F. Smulders, voorzitter,
en mrs. J.A. Terstegge en D. van Putten, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L. Hessing, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 6 mei 2026.
Mrs. Terstegge en Van Putten zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met documentcode [code document 2] .
2.Verklaard ter terechtzitting op 21 april 2026.
3.Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 127 tot en met 147 van het persoonsdossier [dossiernaam] met documentcode [code document 5] .
4.Voorlopig rapport forensisch pathologisch onderzoek, pagina 22 tot en met 33 van het zaaksdossier.
5.Het proces-verbaal van verhoor getuige, proces-verbaalnummer 289, pagina 99 tot en met 108 van het zaaksdossier, inhoudende als verklaring van [naam 2] .
6.Het proces-verbaal van bevindingen, documentcode [code document 4] , pagina 337 tot en met 348 van het zaaksdossier, inhoudende als relaas van verbalisant [naam verbalisant 4] .
7.Het proces-verbaal van bevindingen, documentcode [code document 6] , pagina 349 tot en met 360 van het zaaksdossier, inhoudende als relaas van verbalisant [naam verbalisant 5] .
8.Het proces-verbaal van verhoor getuige, documentcode [code document 7] , pagina 115 tot en met 126 van het zaaksdossier, inhoudende als verklaring van [naam 3] .
9.Het proces-verbaal van verhoor getuige, documentcode [code document 8] pagina 145 tot en met 155 van het zaaksdossier, inhoudende als verklaring van [naam 4] .
10.Het proces-verbaal van verhoor getuige, documentcode [code document 9] , pagina 577 tot en met 589 van het zaaksdossier, inhoudende als verklaring van [naam 5] .
11.Het proces-verbaal van bevindingen, documentcode [code document 10] , pagina 248 tot en met 291, inhoudende het relaas van verbalisant [naam verbalisant 6] .
12.Het proces-verbaal van bevindingen, documentcode [code document 11] , pagina 452 tot en met 490 van het zaaksdossier, inhoudende het relaas van verbalisant [naam verbalisant 6] .
13.Het proces-verbaal van bevindingen, documentcode [code document 12] , pagina 334 tot en met 336 van het zaaksdossier, inhoudende het relaas van verbalisant [naam verbalisant 7] .