Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7545

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
10-211934-25, 26-008538
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beslissing RC
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet DNAArt. 67 Wetboek van StrafvorderingArt. 131 Wetboek van StrafrechtArt. 8 EVRMArt. 10 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verwerking DNA-profiel na veroordeling voor opruiing zonder wettelijke uitzonderingsgrond

De rechtbank Rotterdam behandelde het bezwaar van een veroordeelde tegen de verwerking van zijn DNA-profiel na een veroordeling voor opruiing. De Wet DNA verplicht afname en verwerking van DNA bij veroordeelden, tenzij een uitzonderingsgrond redelijkerwijs aannemelijk is. De veroordeelde stelde dat verwerking van zijn DNA een schending vormt van zijn privacy en vrijheid van meningsuiting, omdat het ging om een vreedzame demonstratie.

De rechtbank oordeelde dat opruiing een uitingsdelict is dat valt onder de misdrijven waarvoor DNA-verwerking verplicht is. De aard van het misdrijf en de omstandigheden bieden geen grond voor een uitzondering. De rechtbank verwierp het argument dat de Wet DNA politieke vrijheden beperkt, omdat beperkingen aan deze rechten door het Wetboek van Strafrecht worden gesteld en de strafrechter in de hoofdzaak hierover oordeelt.

De rechtbank concludeerde dat de verwerking van het DNA-profiel proportioneel en noodzakelijk is in een democratische samenleving en dat het bezwaar ongegrond is. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken en is niet vatbaar voor rechtsmiddelen.

Uitkomst: Het bezwaar tegen verwerking van het DNA-profiel na veroordeling voor opruiing wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Strafrecht
Zittingsplaats Rotterdam
Parketnummer : 10-211934-25
Raadkamernummer : 26-008538
Beslissingvan de enkelvoudige raadkamer enkelvoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 7 Wet Pro DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA) van:

[veroordeelde] , veroordeelde,

geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
wonende op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
raadsman mr. D. Gaasbeek, advocaat te Amsterdam.

Procedure

Het bezwaarschrift is op 13 maart 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. De behandeling van het bezwaarschrift heeft plaatsgevonden ter zitting van de enkelvoudige besloten raadkamer van deze rechtbank op 29 mei 2026, alwaar de officier van justitie mr. D.D.B. Reuter en de raadsman van de veroordeelde zijn gehoord. De veroordeelde is, alhoewel goed opgeroepen, niet verschenen.

Beoordeling

De Wet DNA strekt ertoe gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van de veroordeelde op efficiënte wijze op te sporen, alsmede de veroordeelde te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Daarbij is het uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij zich een van de in het eerste lid genoemde uitzonderingen voordoet. Een van de uitzonderingen is, dat redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden, waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
Namens de veroordeelde is aangevoerd dat verwerking van zijn DNA-profiel een schending vormt van de artikelen 8, 10 en 11 van het EVRM (recht op privacy, bescherming van de manifestatievrijheid en vrijheid van meningsuiting), aangezien sprake was van een vreedzame demonstratie waarbij hij zijn mening heeft geuit. Dat de veroordeelde hierbij volgens de politierechter strafrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, doet niet af aan het feit dat met betrekking tot de verwerking van zijn DNA-profiel sprake is van een niet-noodzakelijke inbreuk op deze rechten. Opruiing is een uitingsdelict en daarmee naar zijn aard een misdrijf als bedoeld in artikel 2 lid Pro 1, sub b van de Wet DNA. Ook moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid van een “chilling effect”, waardoor demonstranten weerhouden kunnen worden om hun demonstratierecht uit te oefenen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA kan een bevel tot afname van celmateriaal worden bevolen bij een veroordeling voor een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank stelt vast dat het misdrijf waarvoor het bevel is afgegeven (opruiing, artikel 131 van Pro het Wetboek van Strafrecht), aan dit vereiste voldoet. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het gebruik van DNA bij de opsporing van dergelijke strafbare feiten niet als puur hypothetisch moet worden aangemerkt en dat de aard van het misdrijf hier geen wettelijke uitzonderingsgrond vormt.
De verdediging heeft aangevoerd dat de veroordeelde, en meer algemeen ook andere personen, door de Wet DNA worden beperkt in hun politieke vrijheden. De rechtbank volgt dit standpunt niet. De grenzen aan de vrijheid van meningsuiting en andere politieke vrijheden worden niet gesteld door de Wet DNA, maar door (onder meer) het Wetboek van Strafrecht. De beoordeling of sprake is van een botsing tussen dergelijke grondrechten en bij wet voorziene beperkingen en verplichtingen is aan de strafrechter in de hoofdzaak, die daarbij een volledige rechterlijke toets hanteert. Er is daarom geen sprake van strijd met artikel 10 en Pro 11 EVRM. Door afname van het celmateriaal van de veroordeelde en opname van zijn DNA-profiel in de databank wordt op geen enkele wijze het demonstratierecht en het recht op vrijheid van meningsuiting beperkt. Het kan alleen dan een gevolg hebben als de veroordeelde zich tijdens een nieuwe demonstratie eventueel opnieuw schuldig maakt aan strafbare feiten. Nu de Wet DNA een gerechtvaardigd doel nastreeft en door de wetgever noodzakelijk wordt geacht in een democratische samenleving, is ook voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.
Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake is van een wettelijke uitzonderingssituatie en dat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door
mr. J.M.L. van Mulbregt, rechter,
in tegenwoordigheid van R.M.T. Verheijde, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026.
Tegen deze beslissing staan geen rechtsmiddelen open.