ECLI:NL:RBROT:2026:7548

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
C/10/717131 / JE RK 26-582
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing wegens ernstige zorgen over moeder en opvoedsituatie

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, vanwege ernstige zorgen over het middelengebruik van de moeder, haar woon- en leefsituatie en de opvoedsituatie.

De moeder oefent het ouderlijk gezag uit, maar het kind verblijft sinds 25 maart 2026 met spoed in een pleeggezin. De kinderrechter had eerder de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd, maar constateert dat er onvoldoende voortgang is in het onderzoek naar terugplaatsing. De woning van de moeder is nog niet volledig bewoonbaar en er is onvoldoende zicht op haar middelengebruik.

De moeder betwist het middelengebruik en hekelt het gebrek aan een gedegen plan van aanpak en het ontbreken van een woningbezoek door de GI. De kinderrechter oordeelt dat ondanks verbeterde samenwerking tussen moeder en GI, de zorgen en onduidelijkheden te groot zijn om terugplaatsing te rechtvaardigen. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt daarom verlengd tot 8 juli 2026 en de beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van het kind wordt verlengd tot 8 juli 2026 vanwege ernstige zorgen over de moeder en haar opvoedsituatie.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/717131 / JE RK 26-582
Datum uitspraak: 22 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd in Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R. Moghni, kantoorhoudende in Rotterdam.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 2 april 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • de briefrapportage van de GI van 18 mei 2026, binnengekomen bij de rechtbank op 19 mei 2026.
1.2.
Op 22 mei 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] .
De moeder is niet verschenen. Zij heeft zich voorafgaand aan de zitting afgemeld.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 februari 2026 de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 8 maart 2027.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 april 2026 de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 27 mei 2026.

3.Het (aangehouden) verzoek

3.1.
De GI heeft verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van drie maanden, te weten tot 8 juli 2026 en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De machtiging tot uithuisplaatsing is reeds toegewezen tot 27 mei 2026 en voor het overige verzochte aangehouden.
3.3.
De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. [voornaam minderjarige] doet het goed in het pleeggezin, waar zij voorspelbaarheid, stabiliteit en continuïteit krijgt. Er bestaat nog onvoldoende zicht op het middelengebruik van de moeder. De moeder dient aan te tonen dat zij geen middelen gebruikt en hierover afspraken te maken met Antes. Het is onduidelijk of de moeder contact heeft met Antes. Daarnaast is traumabehandeling nodig. Deze kan door Antes worden aangeboden, maar daarvoor geldt als voorwaarde dat de moeder geen middelen gebruikt. Op 11 mei 2026 is een bericht binnengekomen van de gemeente waaruit blijkt dat wordt gewerkt aan de woning van de moeder, maar dat deze nog niet gereed is. Zo is er nog geen laminaat gelegd. De verwachting is dat de woning eind mei 2026 bewoonbaar zal zijn. De omgang tussen de moeder en [voornaam minderjarige] is nog niet van de grond gekomen. Er was een eerste omgangsmoment gepland, maar dit bleek samen te vallen met de taakstraf van de moeder. In de toekomst kan de jeugdbeschermer hierover afstemming zoeken met de reclassering. De eerste omgangsafspraak staat gepland op 28 mei 2026. Positief is dat de samenwerking tussen de moeder en de GI is verbeterd.

4.Het standpunt van de moeder

4.1.
Namens de moeder wordt verweer gevoerd. De zaak is de vorige keer aangehouden vanwege het ontbreken van een plan van aanpak. Dit aanpak ontbreekt nog steeds. Daarnaast is de briefrapportage te laat ingediend. De afgelopen twee maanden is geen voortgang geboekt. De GI benoemt regelmatig zorgen op basis van stukken die bij de moeder en de rechtbank niet bekend zijn en die onvoldoende worden onderbouwd. Daarnaast wordt door de GI gewerkt met een tweesporenbeleid, waarbij reeds wordt gekeken naar een scenario waarin terugplaatsing niet aan de orde is, terwijl de moeder [voornaam minderjarige] de afgelopen periode niet eens heeft gezien. Ten aanzien van de woning geldt dat nog niet alles is geregeld, maar dat de basisvoorzieningen naar alle waarschijnlijkheid aanwezig zijn. Er is geen zicht op de woning, maar de woning is ook niet bezocht door de GI. Ten aanzien van het middelengebruik wordt dit door de moeder betwist. De GI had hierover contact kunnen opnemen met Antes of met de moeder, maar heeft dit nagelaten. De moeder heeft eerder geen verweer gevoerd tegen de ondertoezichtstelling en staat open voor hulpverlening. Een machtiging tot uithuisplaatsing wordt als een te verstrekkend middel beschouwd, nu door de GI geen gedegen onderzoek is verricht.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
[voornaam minderjarige] is op 25 maart 2026 met spoed uit huis geplaatst naar aanleiding van een melding dat moeder invloed van lachgas verkeerde in het bijzijn van [voornaam minderjarige] . Ook bestonden er al langere tijd zorgen over de woon- en leefsituatie van de moeder, haar opvoedvaardigheden en haar middelengebruik. De eerdere woning waarin de moeder met [voornaam minderjarige] verbleef was ernstig vervuild. In de beschikking van 2 april 2026 heeft de kinderrechter overwogen dat het van belang is dat zicht wordt verkregen op de thuissituatie, de nieuwe woning van de moeder en haar middelengebruik. Daarnaast is overwogen dat gewerkt moet worden aan een concreet plan voor een eventuele terugplaatsing van [voornaam minderjarige] bij de moeder. Om die reden is de machtiging destijds verlengd voor de duur van zeven weken en voor het overige aangehouden. De kinderrechter stelt vast dat in de afgelopen zeven weken hierin geen voortgang is geboekt. Dit is zeer zorgelijk, met name gelet op de jonge leeftijd van [voornaam minderjarige] . De GI spreekt over het beschikbaar zijn van een mogelijk perspectiefbiedend pleeggezin, terwijl nog niet is onderzocht welke mogelijkheden er zijn voor terugplaatsing bij de moeder. De GI heeft momenteel nog altijd onvoldoende zicht op de toestand van de woning van de moeder en haar middelengebruik. Bovendien zijn er nog geen bodemeisen opgesteld waaraan de moeder moet voldoen om een terugplaatsing mogelijk te maken. Sinds de uithuisplaatsing hebben de moeder en [voornaam minderjarige] elkaar niet meer gezien. De GI heeft in de afgelopen periode onvoldoende voortvarend gehandeld. Hoewel dit zorgelijk is, is dit op dit moment geen aanleiding om [voornaam minderjarige] terug te plaatsen bij de moeder. Daarvoor bestaan nog te veel zorgen en onduidelijkheden, waardoor een terugplaatsing op dit moment niet in het belang van [voornaam minderjarige] is.
5.3.
Voor de komende periode is het van belang dat duidelijkheid wordt verkregen over de thuissituatie van de moeder, haar middelengebruik en de opvoedsituatie. Inmiddels is de samenwerking tussen de moeder en de GI verbeterd. Van de moeder wordt verder verwacht dat zij actief openheid van zaken geeft, onder andere over haar middelgebruik en meewerkt aan het verkrijgen van duidelijkheid. Daarnaast ligt het op de weg van de GI om voortvarend onderzoek te verrichten en concrete afspraken met de moeder te maken over de voorwaarden waaraan moet worden voldaan voordat [voornaam minderjarige] teruggeplaatst kan worden. Daarnaast is het van belang dat begeleide omgang tussen de moeder en [voornaam minderjarige] van start gaat, zodat het contact kan worden hersteld en opgebouwd.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 8 juli 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026 door mr. D.I. Hendriks-van Wel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 2 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.