ECLI:NL:RBROT:2026:7559

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
C/10/718750 / JE RK 26-783
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek ondertoezichtstelling twee minderjarigen wegens reeds ingezette hulpverlening en korte resterende minderjarigheid

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank Rotterdam om twee minderjarigen onder toezicht te stellen vanwege ernstige bedreiging van hun ontwikkeling, veroorzaakt door het vertrek van hun moeder en de daaruit voortvloeiende emotionele problemen. Voor de jongste minderjarige, die strafbaar gedrag vertoonde, loopt reeds een jeugdreclasseringsmaatregel met intensieve begeleiding. Voor de oudste minderjarige, die bijna meerderjarig is, werd een ondertoezichtstelling voorgesteld om hem te ondersteunen in zijn zelfstandigheid en emotionele verwerking.

De gecertificeerde instelling (GI) en de vader van de minderjarigen voerden verweer tegen het verzoek. De GI stelde dat de reeds ingezette jeugdreclassering voor de jongste voldoende is en dat een ondertoezichtstelling voor de oudste niet realistisch is gezien zijn naderende meerderjarigheid. De vader onderschreef dit standpunt en gaf aan dat extra maatregelen averechts kunnen werken.

De kinderrechter overwoog dat hoewel er zorgen zijn over beide minderjarigen, de reeds ingezette hulpverlening voor de jongste effectief is en dat het inzetten van een ondertoezichtstelling geen meerwaarde biedt. Voor de oudste minderjarige is de korte resterende periode tot zijn achttiende verjaardag onvoldoende om nog effectief aan de gestelde doelen te werken. Daarom wees de rechtbank het verzoek tot ondertoezichtstelling af.

Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag binnen drie maanden na dagtekening van de uitspraak.

Uitkomst: Het verzoek tot ondertoezichtstelling van beide minderjarigen wordt afgewezen vanwege reeds ingezette hulpverlening en korte resterende minderjarigheid.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/718750 / JE RK 26-783
Datum uitspraak: 4 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2010 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. R.V. Paniagua, kantoorhoudende in Rotterdam.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna te noemen: de GI, gevestigd in Amsterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlage van de Raad van 22 april 2026, ontvangen op 23 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon A] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon B] .
1.3.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [voornaam minderjarige 1] heeft geen mening gegeven. [voornaam minderjarige 2] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige 2] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1.
De vader is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] .
2.2.
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] wonen bij hun vader.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [voornaam minderjarige 1] onder toezicht te stellen tot zijn meerderjarigheid, te weten tot 14 november 2026 en [voornaam minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. Deze situatie is ontstaan nadat de moeder naar Aruba is vertrokken en de jongens onverwerkt verdriet hebben ervaren. Bij [voornaam minderjarige 2] heeft dit geleid tot strafbaar gedrag. Daarnaast spelen het pestverleden van [voornaam minderjarige 2] en het feit dat het op school niet goed ging, een rol. [voornaam minderjarige 2] heeft de afgelopen periode positieve stappen gezet. Voor [voornaam minderjarige 2] loopt een jeugdreclasseringsmaatregel en wordt de benodigde hulp ingezet. Tijdens het onderzoek van de Raad is onvoldoende zicht geweest op de thuissituatie. Dit is inmiddels verbeterd; de jeugdreclasseerder komt weer thuis bij de vader. Met [voornaam minderjarige 1] gaat het niet goed. Hij lijkt een binnenvetter te zijn en heeft moeite met zijn concentratie op school. Ook [voornaam minderjarige 1] is in aanraking gekomen met de politie. Binnen het gezin is behoefte aan hulpverlening gericht op het verwerken van emoties en het versterken van de onderlinge steun. De vader is bereid mee te werken, maar onvoldoende in staat om zelfstandig te dragen door overbelasting door de gebeurtenissen, te weten het vertrek van de moeder, de zorg voor de jongens, de politiecontacten van de kinderen en hun gebrekkige schoolgang. Daarnaast spelen zijn leeftijd en problemen met zijn gezondheid een rol. De Raad erkent op de zitting dat er al veel hulpverlening voor [voornaam minderjarige 2] is ingezet en refereert zich voor wat betreft het verzoek om [voornaam minderjarige 2] onder toezicht te stellen aan het oordeel van de rechtbank. De Raad acht een ondertoezichtstelling voor [voornaam minderjarige 1] van belang, omdat hij niet uit het oog mag worden verloren. Over vijf maanden wordt hij achttien jaar. Zonder inzet van een ondertoezichtstelling, bestaat het risico dat hij zich verder terugtrekt en eenzamer en somberder wordt. In deze laatste fase van zijn minderjarigheid is het van belang dat hij ondersteuning krijgt bij het vergroten van zijn zelfstandigheid en het leren omgaan met emoties. Vanuit de ondertoezichtstelling kan een jongerencoach worden ingezet en kan hij worden meegenomen in de hulpverlening vanuit De Waag.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
De GI ziet geen meerwaarde in een ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 2] , omdat de jeugdreclassering al bij hem betrokken is. Als een ondertoezichtstelling wordt uitgesproken, moet de jeugdbeschermer de taken van de jeugdreclasseerder overnemen, terwijl de jeugdreclasseerder al contact heeft met [voornaam minderjarige 2] en de vader. Dat contact verloopt goed. In deze situatie voegt een ondertoezichtstelling niets toe. Ten aanzien van [voornaam minderjarige 1] geldt dat er op dit moment geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar is. Gezien de korte periode tot zijn achttiende verjaardag is het niet realistisch om nog aan de door Raad gestelde doelen te werken. Een ondertoezichtstelling zal daarom geen verandering teweegbrengen.

5.Het standpunt van de vader

5.1.
Door en namens de vader wordt verweer gevoerd tegen de ondertoezichtstelling. Ten aanzien van [voornaam minderjarige 2] geldt dat er een forensisch traject loopt dat goed verloopt en dat er goed contact is met de jeugdreclasseerder. Daarom wordt voor [voornaam minderjarige 2] een ondertoezichtstelling niet noodzakelijk geacht. Ten aanzien van [voornaam minderjarige 1] geldt dat er mogelijk sprake is van een ontwikkelingsbedreiging, maar een ondertoezichtstelling niet noodzakelijk is, omdat deze gezien de korte periode tot zijn meerderjarigheid niet doeltreffend is. In de komende vijf maanden kan [voornaam minderjarige 1] niet worden geholpen met een ondertoezichtstelling. Er is begrip voor wat [voornaam minderjarige 1] wordt gegund door de Raad, maar dit wordt in de huidige praktijk niet realistisch bevonden. [voornaam minderjarige 1] wil op zijn achttiende terug naar Aruba om bij zijn moeder te gaan wonen. De vader gunt hem deze stap en denkt dat dit hem goed zal doen. Voor het gezinssysteem is al intensieve hulpverlening (van de Waag) vanuit de jeugdreclassering van [voornaam minderjarige 2] beschikbaar, waardoor ook om die reden een ondertoezichtstelling niet nodig wordt geacht. Een ondertoezichtstelling kan in deze situatie juist averechts werken, omdat er al veel hulpverlening is.

6.De beoordeling

6.1.
De kinderrechter overweegt het volgende. Er bestaan zorgen over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] , zoals door de Raad naar voren gebracht in het rapport en ter zitting toegelicht. Toch acht de kinderrechter een ondertoezichtstelling niet in hun belang.
6.2.
Ten aanzien van [voornaam minderjarige 2] geldt dat al veel wordt ingezet in het kader van zijn (recente) strafrechtelijke veroordeling. Zo moet [voornaam minderjarige 2] meewerken aan het toezicht van de jeugdreclassering (inclusief huisbezoeken) en intensieve begeleiding in het kader van de Harde Kern Aanpak. Ook heeft [voornaam minderjarige 2] een enkelband en een avondklok. Daarnaast moet [voornaam minderjarige 2] meewerken aan begeleiding en dagbesteding vanuit Divercity en behandeling bij De Waag. [voornaam minderjarige 2] wordt ook begeleid door een jongerencoach. Verder is er zicht op de thuissituatie via de hulpverlening vanuit De Waag en wordt systematisch gekeken naar wat er in de thuissituatie nodig is. Er is sprake van een goede samenwerking tussen de vader, de jeugdreclasseerder en [voornaam minderjarige 2] . [voornaam minderjarige 2] profiteert van de ingezette hulpverlening en laat volgens de informatie van zijn jongerencoach (een enorme) positieve ontwikkeling zien. Het is van belang dat deze lijn wordt voortgezet. Op de zitting is niet duidelijk geworden wat de meerwaarde van een ondertoezichtstelling, naast het (uitgebreide) jeugdreclasseringskader, zou kunnen zijn. Dat blijkt ook niet uit het raadsonderzoek. Uit het kindgesprek blijkt bovendien dat [voornaam minderjarige 2] geen behoefte heeft aan nog meer hulpverlening en dit hem juist zou afleiden van zijn doelen. Ook de vader heeft dit ter zitting naar voren gebracht. Dit moet worden voorkomen.
6.3.
Ten aanzien van het verzoek om [voornaam minderjarige 1] onder toezicht te stellen, weegt de kinderrechter mee dat hij over vijf maanden achttien jaar wordt. Blijkens de informatie van de GI op de zitting is het niet realistisch dat in deze korte periode nog een jeugdbeschermer kan worden ingezet en dat er aan doelen kan worden gewerkt. Hoezeer het hem ook wordt gegund om in deze laatste maanden nog ondersteuning te krijgen richting een bestendig leven op Aruba, is dit niet realistisch. Bovendien is het de vraag of [voornaam minderjarige 1] hiervoor in zo’n korte periode kan worden gemotiveerd.
6.4.
Dit betekent dat het verzoek wordt afgewezen.
7.
De beslissing
De kinderrechter:
7.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026 door mr. D.G.J. Roset, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 11 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.