ECLI:NL:RBROT:2026:7570

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
C/10/720447 / JE RK 26-1028 en C/10/715121 / JE RK 26-330
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265g lid 1 BWArt. 1:265g lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling en wijziging zorgregeling na uithuisplaatsing met gefaseerde uitbreiding begeleide omgang moeder

De zaak betreft de vaststelling en wijziging van de zorgregeling voor een minderjarige die uit huis is geplaatst en verblijft bij een jeugdhulpaanbieder. De gecertificeerde instelling (GI), de moeder en de vader hebben verzoeken ingediend over de omgangsregeling en contactmomenten met de ouders.

De minderjarige verblijft momenteel in het weekend bij opa en oma, waar ook de vader is, en heeft eens per twee weken een half uur begeleid contact met de moeder. De GI adviseert om de weekendverblijven bij opa en oma te verminderen vanwege vermoeidheid en het drukke dagprogramma van de minderjarige, terwijl de ouders de huidige regeling willen handhaven of uitbreiden.

De kinderrechter oordeelt dat het weekendverblijf bij opa en oma gehandhaafd blijft vanwege de stabiliteit en structuur die het biedt. Het begeleid contact met de moeder wordt uitgebreid naar eens per twee weken een uur, met een evaluatie na zes bezoeken en mogelijke uitbreiding naar wekelijks een uur na positieve evaluatie. De bezoeken blijven begeleid zolang de GI dit noodzakelijk acht.

De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en gericht op het belang van de minderjarige, waarbij rekening wordt gehouden met zijn behoefte aan voorspelbaarheid en het voorkomen van oudervervreemding.

Uitkomst: De zorgregeling wordt gewijzigd met handhaving van het weekendverblijf bij opa en oma en gefaseerde uitbreiding van begeleid contact met de moeder.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/720447 / JE RK 26-1028 en C/10/715121 / JE RK 26-330
Datum uitspraak: 19 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over de vaststelling van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken
in de zaken van
Ten aanzien van C/10/720447 / JE RK 26-1028
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd in Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
en
Ten aanzien van C/10/715121 / JE RK 26-330
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. Y. Sijberden, kantoorhoudende in Dordrecht,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
Ten aanzien van C/10/720447 / JE RK 26-1028
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. A. Apistola, kantoorhoudende in Zwijndrecht,
de vader,zoals voornoemd,
Ten aanzien van C/10/715121 / JE RK 26-330
de moeder,zoals voornoemd,
de GI,zoals voornoemd.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
Ten aanzien van C/10/720447 / JE RK 26-1028
  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 27 mei 2026, ontvangen op 28 mei 2026;
  • het verweerschrift met zelfstandig verzoek van de (advocaat van de) vader van 8 juni 2026;
  • het verweerschrift met zelfstandig verzoek van de (advocaat van de) moeder van 10 juni 2026.
Ten aanzien van C/10/715121 / JE RK 26-330
  • de beschikking van 6 maart 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • het verweerschrift met zelfstandig verzoek van de (advocaat van de) vader van 8 juni 2026;
  • het gespreksverslag evaluatie [voornaam minderjarige] van de GI van 27 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- de vader met zijn advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [persoon A] en [persoon B]
1.3.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [voornaam minderjarige] heeft geen mening gegeven.
1.4.
De kinderrechter heeft ter zitting aangegeven dat de uitspraak en beschikking op 25 juni 2026 zouden volgen. Aangezien de beschikking eerder gereed is en dit in het belang van partijen wordt geacht, wordt de uitspraak bij vervroeging gedaan en de beschikking bij vervroeging verstrekt.

2.De feiten

2.1.
De moeder en de vader zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] verblijft bij [naam locatie] (accommodatie van een jeugdhulpaanbieder).
2.3.
Bij beschikking van 9 januari 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 9 januari 2027.
2.4.
Bij beschikking van 6 maart 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 9 januari 2027.

3.De verzoeken

Ten aanzien van C/10/720447 / JE RK 26-1028
3.1.
De GI verzoekt de zorgregeling te wijzigen en te bepalen dat:
 [voornaam minderjarige] in de oneven weekenden bij opa en oma (vz) verblijft waar vader ook is;
 [voornaam minderjarige] in de even weekenden op [naam locatie] blijft;
 aanvullende contactmomenten tussen vader en [voornaam minderjarige] mogelijk zijn in overleg met [naam locatie] en de GI, mits dit in het belang is van [voornaam minderjarige] ;
 [voornaam minderjarige] eens per twee weken een halfuur begeleid contact heeft met moeder;
 er regelmatig geëvalueerd wordt om te kijken of de regelingen nog in het belang van [voornaam minderjarige] zijn en of er aanpassingen gedaan moeten worden.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Ten aanzien van C/10/715121 / JE RK 26-330
Het zelfstandige verzoek van de moeder
3.2.
De moeder verzoekt de zorgregeling te wijzigen en te bepalen dat:
 de omgang tussen de moeder en [voornaam minderjarige] , al dan niet begeleid, zal worden uitgebreid naar een wekelijks bezoek van drie uren;
 danwel de zorgregeling zodanig te wijzigen zoals uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.
De moeder verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Het aangehouden zelfstandige verzoek van de vader
3.3.
De vader verzoekt de geldende zorgregeling, zoals opgenomen in het door vader en moeder ondertekende ouderschapsplan van 12 februari 2018 en bekrachtigd bij beschikking van 2 mei 2018, te wijzigen en te bepalen dat:
 tussen [voornaam minderjarige] en de vader een zorgregeling geldt waarbij [voornaam minderjarige] ieder weekend van vrijdag tot en met zondag bij vader verblijft en overnacht in de woning van opa en oma (vz);
 vader gerechtigd is [voornaam minderjarige] dagelijks te bezoeken, althans zo frequent als binnen de instelling van [naam locatie] mogelijk is, zulks met inachtneming van [voornaam minderjarige] belastbaarheid en dagstructuur;
 danwel de zorgregeling zodanig te wijzigen zoals uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.
De vader verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
De GI handhaaft ter zitting haar verzoek en licht dit als volgt toe. Hoewel [voornaam minderjarige] zich goed ontwikkelt, adviseert [naam locatie] om de weekendverblijven bij de opa en oma (vz) te verminderen naar eenmaal per twee weken. De wisselingen en de daarmee gepaard gaande reizen worden als belastend ervaren en zouden onvoldoende rust en stabiliteit bieden. Daarnaast heeft [voornaam minderjarige] bij [naam locatie] een vol weekprogramma. [naam locatie] ziet [voornaam minderjarige] dagelijks en constateert dat hij regelmatig vermoeid is. Een regeling waarbij [voornaam minderjarige] eenmaal per twee weken naar zijn opa en oma (vz) gaat, biedt hem meer gelegenheid tot rust te komen. Daarnaast geeft [voornaam minderjarige] aan dat hij het leuk vindt om deel te nemen aan de activiteiten die [naam locatie] in de weekenden organiseert. Ten aanzien van de contacten met de moeder geldt het volgende. Waar de contacten voorheen eenmaal per maand plaatsvonden, vinden zij nu eenmaal per twee weken plaats gedurende een half uur. Dit is begeleid door [naam instelling] bij [naam locatie] . Het streven is om de frequentie uit te breiden naar eenmaal per week. Hoewel wordt waargenomen dat het contact over het algemeen goed verloopt, blijft sprake van alertheid en spanning bij [voornaam minderjarige] . De indruk bestaat dat [voornaam minderjarige] bang is dat hij na afloop met zijn moeder mee naar huis moet. Op korte termijn wordt een traject van diagnostiek en behandeling gestart. Dit traject is gericht op het verkrijgen van meer inzicht in de oorzaak van de reacties die [voornaam minderjarige] laat zien tijdens de contactmomenten met zijn moeder. Gelet op deze reacties wordt een voorzichtige opbouw van het contact aangehouden. Onder de huidige regeling hebben tot op heden slechts twee of drie bezoeken plaatsgevonden. Na het vijfde of zesde bezoek zal een evaluatie plaatsvinden.

5.Het standpunt van de moeder

5.1.
Door en namens de moeder wordt verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI en het zelfstandige verzoek van de moeder wordt gehandhaafd. [voornaam minderjarige] is uit huis geplaatst en in dat kader dient de band met zijn ouders te worden behouden, waarbij het belang van [voornaam minderjarige] voorop staat. De huidige omgang van eenmaal per twee weken gedurende een half uur is te beperkt, mede omdat [voornaam minderjarige] tijd nodig heeft om te wennen tijdens een bezoek. In een half uur kan geen zinvolle invulling aan het contact worden gegeven. De GI wijst op de drukte in het dagprogramma van [voornaam minderjarige] , maar de band met ouders moet voorop staan. De relatie tussen de moeder en [voornaam minderjarige] staat onder druk en er bestaat de kans op oudervervreemding. De moeder is betrokken bij [voornaam minderjarige] . De contacten tussen de moeder en [voornaam minderjarige] verlopen goed. Drie uur omgang is niet te veel en schaadt zijn belang niet, zeker niet wanneer dit wordt uitgesmeerd over de week. De moeder doet het liefst leuke activiteiten met [voornaam minderjarige] , maar begrijpt dat dit nog niet mogelijk is. In dat kader wordt ingestemd met uitbreiding van de contacten op [naam locatie] . De GI is heel voorzichtig, terwijl de veiligheid van [voornaam minderjarige] bij verdere uitbreiding niet in het geding is en de bezoeken gemonitord kunnen blijven. Aangesloten moet worden bij wat [voornaam minderjarige] aankan; indien hij aangeeft te willen stoppen, zal de moeder dit accepteren. [voornaam minderjarige] heeft bij de vader aangegeven zijn moeder te missen. Bovendien is het van belang dat [voornaam minderjarige] contact kan hebben met de rest van zijn familie. [voornaam minderjarige] zijn opa (mz) is ernstig ziek en zij kunnen elkaar niet zien.

6.Het standpunt van de vader

6.1.
Door en namens de vader wordt verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI en het (gewijzigde) zelfstandige verzoek van de vader wordt gehandhaafd. [voornaam minderjarige] verblijft elk weekend bij de opa en oma (vz) waar de vader ook verblijft. Het gaat goed met hem en hij kijkt uit naar de weekenden. De GI heeft verzocht om wijziging van de frequentie naar eenmaal per twee weken, onder verwijzing naar rust en stabiliteit. Deze stelling is onvoldoende onderbouwd, omdat niet is gebleken dat de huidige weekendregeling leidt tot onrust of instabiliteit bij [voornaam minderjarige] . Voor zover wordt gewezen op vermoeidheid, kan dit ook samenhangen met de recente plaatsing en de drukke weekplanning bij [naam locatie] . Niet is onderbouwd dat deze vermoeidheid verband houdt met de weekenden. Het wijzigen van de huidige regeling zou juist leiden tot verlies van structuur en stabiliteit, hetgeen niet in het belang van [voornaam minderjarige] is. Ten aanzien van het contact met de moeder vindt de vader dat de huidige frequentie van eenmaal per twee weken een half uur te beperkt is. [voornaam minderjarige] heeft geen negatieve ervaringen met de moeder; de problematiek ligt niet bij haar, maar bij haar ex-partner. Gelet op oudervervreemding en het feit dat [voornaam minderjarige] heeft aangegeven zijn moeder te missen, wordt uitbreiding van het contact met de moeder wenselijk geacht.

7.De beoordeling

7.1.
Tussen de ouders is een ouderschapsplan met zorgregeling opgesteld, welke bij beschikking van 2 mei 2018 is bekrachtigd. De kinderrechter kan deze regeling op verzoek van de gecertificeerde instelling voor de duur van de ondertoezichtstelling wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. [1] Bovendien kan de kinderrechter deze regeling op verzoek van de met het gezag belaste ouder(s) wijzigen op grond van gewijzigde omstandigheden. [2]
7.2.
De huidige zorgregeling zag op de situatie voorafgaand aan de uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] en kan daarom feitelijk niet meer worden uitgevoerd. In verband daarmee dient een nieuwe zorgregeling te worden vastgesteld, waarbij het belang van [voornaam minderjarige] voorop staat. [voornaam minderjarige] woont sinds 17 april 2026 bij [naam locatie] . De feitelijke situatie is dat hij logeert ieder weekend van vrijdag tot zondag bij opa en oma (vz), waar de vader ook verblijft. Daarnaast heeft [voornaam minderjarige] eens per twee weken een half uur begeleid contact met zijn moeder.
Ten aanzien van de vader
7.3.
De kinderrechter ziet geen aanleiding om de bestaande feitelijke situatie voor wat betreft de weekenden bij de opa en oma (vz), waar vader ook verblijft, te wijzigen en neemt deze regeling over in de nieuwe zorgregeling. Deze regeling biedt [voornaam minderjarige] structuur, voorspelbaarheid en stabiliteit. Er is niet gebleken dat dit belastend is voor [voornaam minderjarige] . [voornaam minderjarige] vertoont geen afwijkend gedrag en lijkt zich goed te ontwikkelen. De vermoeidheid die bij [voornaam minderjarige] wordt waargenomen kan ook samenhangen met het drukke programma van de dagbesteding, hetgeen ook door de GI wordt onderkend. De kinderrechter overweegt dat, indien sprake is van een te volle week, bezien kan worden of aanpassing van de dagbesteding aangewezen is. Een te volle week aan dagbesteding kan niet leiden tot beperking van het contact met zijn naaste familieleden, nu juist het behoud van familiecontacten in het belang van [voornaam minderjarige] wordt geacht. Daarbij weegt mee dat de vader goed contact onderhoudt met [naam locatie] en dat in overleg kan worden afgestemd indien [voornaam minderjarige] aangeeft een weekend bij [naam locatie] te willen blijven, zoals bijvoorbeeld is gebeurd met Koningsdag.
Ten aanzien van de moeder
7.4.
De kinderrechter is het met de moeder eens dat een bezoek van een half uur erg kort is om te komen tot een waardevol samenzijn. Bij een uithuisplaatsing is het van belang het contact met voor het kind belangrijke gehechtheidsfiguren zoveel mogelijk te behouden. Beperkt contact met deze figuren kan leiden tot spanning, angst, traumatische reacties en vervreemding van de ouders. Uit de stukken volgt dat [voornaam minderjarige] het contact met zijn moeder neutraal tot positief beleeft en dat hij na de bezoeken geen gedragsproblemen op de groep laat zien. De GI heeft onvoldoende onderbouwd waarom het begeleide contact nu niet kan worden uitgebreid. De GI heeft aangevoerd dat [voornaam minderjarige] afwachtend kan reageren en soms overweldigd raakt door het enthousiasme van de moeder. De kinderrechter overweegt dat een langer contactmoment juist ruimte kan bieden om wat leuks te doen op de groep samen met de moeder, waardoor een (verklaarbaar) enthousiasme van moeder wellicht ook wat minder op de voorgrond staat. De kinderrechter gaat ervan uit dat de moeder in staat is om het belang van [voornaam minderjarige] voorop te stellen en het contact te beëindigen indien [voornaam minderjarige] aangeeft eerder te willen stoppen.
7.5.
De kinderrechter vindt een uitbreiding naar drie uur per week op dit moment te snel gaan, omdat [voornaam minderjarige] nu gewend is aan het ritme van het bezoek eens per twee weken. Gelet op voorgaande bepaalt de kinderrechter dat [voornaam minderjarige] met ingang van het eerstvolgende contactmoment met de moeder eenmaal per twee weken gedurende één uur begeleid contact heeft met de moeder.
Evaluaties
7.6.
[voornaam minderjarige] heeft behoefte aan een duidelijke structuur en voorspelbaarheid. De kinderrechter vindt het ook voor de moeder belangrijk dat er een voorspelbaarheid is voor de evaluatiemomenten. De kinderrechter zal daarom in de regeling opnemen wanneer er evaluatiemomenten zijn en wat er daarna moet gebeuren.
7.7.
Na zes tweewekelijkse begeleide bezoeken van één uur dient er een evaluatie plaats te vinden. Bij een positieve evaluatie dient het contact met de moeder te worden uitgebreid naar één keer per week één uur begeleide bezoeken. Indien er een uitbreiding naar wekelijkse begeleide bezoeken komt, dient na twaalf wekelijkse bezoeken opnieuw een evaluatie plaats te vinden en gekeken te worden of verdere uitbreiding in duur of frequentie kan worden vormgegeven. De bezoeken dienen begeleid te worden zolang de GI dit nodig vindt. Aanvullende begeleide contactmomenten tussen de moeder en [voornaam minderjarige] zijn mogelijk in overleg met [naam instelling] , [naam locatie] en de GI, mits dit in het belang is van [voornaam minderjarige] . Het is aan de GI om eventueel sneller uit te breiden, wanneer zij dat in het belang van [voornaam minderjarige] nodig vindt.
7.8.
De kinderrechter acht het van belang dat tijdens de contacten met de moeder duidelijk aan [voornaam minderjarige] wordt overgebracht dat het contact ter plaatse plaatsvindt en dat hij niet met de moeder mee naar huis hoeft. Uit de contacten blijkt dat dit een spanningspunt vormt en bij [voornaam minderjarige] angst oproept in relatie tot de ex-partner van de moeder.
7.9.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

8.De beslissing

Ten aanzien van C/10/720447 / JE RK 26-1028 en C/10/720447 / JE RK 26-1028
De kinderrechter:
8.1.
wijzigt de zorgregeling en bepaalt deze als volgt:
 [voornaam minderjarige] verblijft in de weekenden bij opa en oma (vz), waar vader ook is;
 aanvullende contactmomenten tussen vader en [voornaam minderjarige] zijn mogelijk in overleg met [naam locatie] en de GI, mits dit in het belang is van [voornaam minderjarige] ;
 [voornaam minderjarige] heeft eens per twee weken een uur begeleid contact met de moeder;
 na zes tweewekelijkse begeleide bezoeken van een uur dient er een evaluatie plaats te vinden. Bij een positieve evaluatie dient het contact met moeder te worden uitgebreid naar één keer per week één uur begeleide bezoeken;
 indien er een uitbreiding naar wekelijkse begeleide bezoeken komt, dient na twaalf wekelijkse bezoeken opnieuw een evaluatie plaats te vinden en gekeken te worden of verdere uitbreiding in duur of frequentie kan worden vormgegeven;
 de bezoeken dienen begeleid te worden zolang de GI dit nodig vindt;
 aanvullende begeleide contactmomenten tussen de moeder en [voornaam minderjarige] zijn mogelijk in overleg met [naam instelling] , [naam locatie] en de GI, mits dit in het belang is van [voornaam minderjarige] ;
8.2.
wijst het anders of meer verzochte af;
8.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. R. van den Wildenberg, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1: 265g eerste lid Burgerlijk Wetboek
2.Artikel 1: 265g tweede lid Burgerlijk Wetboek