ECLI:NL:RBROT:2026:76

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
24/9181
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Boete opgelegd voor overtreding van de Wet dieren en EU-verordeningen inzake levensmiddelenhygiëne

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 12 januari 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure over een boete van € 5.000,- die aan eiseres is opgelegd door de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. De boete is opgelegd wegens een overtreding van artikel 6.2, lid 1 van de Wet dieren, in samenhang met verschillende artikelen van de Regeling dierlijke producten en EU-verordeningen. Eiseres, vertegenwoordigd door haar gemachtigde mr. M.J.J.E. Stassen, was het niet eens met de opgelegde boete en heeft beroep ingesteld. De rechtbank heeft de rechtmatigheid van de boete beoordeeld aan de hand van de door eiseres aangevoerde beroepsgronden.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister de boete terecht heeft opgelegd. Eiseres had verzuimd om levensmiddelen in alle stadia van de productie, verwerking en distributie te beschermen tegen verontreiniging, wat in strijd is met de geldende hygiënevoorschriften. De rechtbank heeft de argumenten van eiseres verworpen, waaronder de stelling dat de bezoedeling van het vlees zich in een andere fase van het proces had voorgedaan, en heeft geoordeeld dat de minister terecht punt 3 van hoofdstuk IX van bijlage II van Verordening 852/2004 aan de overtreding ten grondslag heeft gelegd.

De rechtbank heeft ook de hoogte van de boete beoordeeld en geconcludeerd dat de verhoging van de boete wegens recidive gerechtvaardigd was, aangezien eiseres eerder een boete had ontvangen voor een vergelijkbare overtreding. De rechtbank heeft het beroep van eiseres ongegrond verklaard en de boete van € 5.000,- als evenredig beoordeeld. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/9181

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], te [plaats], eiseres,

(gemachtigde: mr. M.J.J.E. Stassen),
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
(gemachtigde: mr. D.J. van der Bij).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een boete van € 5.000,- die verweerder met het besluit van 24 mei 2024 aan eiseres heeft opgelegd voor een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boete terecht heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2.
Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4.1. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 29 augustus 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij het boetebesluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, bijgestaan door [naam], en de gemachtigde van verweerder, bijgestaan door [naam], toezichthouder bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

Totstandkoming van het bestreden besluit

3.1.
Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 7 augustus 2023 is opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA. De toezichthouder schrijft in het rapport onder meer het volgende.

Datum en tijdstip van de bevinding: 3 augustus 2023 omstreeks 10:45 uur.
Ik heb in het bedrijf aangesproken en ben met naam en functie bekend bij: [naam], functie: productiemanager.
Tijdens mijn inspectie bevond ik mij op de expeditie. Op dit punt in het slachtproces zijn alle slacht- en opknaphandelingen in het kader van de PM-keuring afgelopen. Het bedrijf heeft een Critical Control Point : CCP01 beheersing zichtbare fecale bezoedeling op kalverkarkassen. De norm is dat er geen zichtbare bezoedeling op de karkassen aanwezig mag zijn voordat deze de snelkoeltunnel ingaan.
Ik controleerde op de expeditie de temperatuur van kalvervleesdelen voor export naar Italië. Ik zag dat deze vleesdelen klaar hingen voor laden. Ik zag dat er fecale bezoedeling aanwezig was op de schouder en op een voorpoot van een voordeel van een kalverkarkas. Aan de kleur en consistentie was duidelijk te zien dat het fecale bezoedeling was, zie foto's 1 t/m 5. Dit karkasdeel was al goedgekeurd voor menselijke consumptie, te zien aan de 'EG 49' op het etiket zie foto 3. Omdat het vleesdeel verontreinigd is met fecale bezoedeling is het niet geschikt voor menselijke consumptie.
Het karkas was de specifieke CCP01 controle plaats voor fecale bezoedeling, welke zich net vóór het stempelen bevindt, gepasseerd en was niet door de monitoring en/of bij de verificatie opgemerkt.
Naar aanleiding van mijn bevindingen heb ik [de productiemanager] geïnformeerd en hem de bezoedeling getoond. Hij heeft direct de bezoedeling verwijderd.
Ik zag dat levensmiddelen niet in alle stadia van de productie en verwerking werden beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor de levensmiddelen ongeschikt kunnen worden voor menselijke consumptie, schadelijk worden voor de gezondheid, dan wel op zodanige wijze kunnen worden verontreinigd dat zij redelijkerwijze niet meer in die staat kunnen worden geconsumeerd.
3.2.
Op grond van het rapport van bevindingen heeft verweerder vastgesteld dat eiseres het volgende beboetbare feit heeft gepleegd:
“Levensmiddelen werden niet in alle stadia van de productie, verwerking en distributie beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor het vlees ongeschikt kan worden voor menselijke consumptie, schadelijk kan worden voor de gezondheid, dan wel op een zodanige wijze kan worden verontreinigd dat het redelijkerwijze niet meer in die staat kan worden geconsumeerd.”
Volgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 2.4, eerste lid, onder c, van de Regeling dierlijke producten, en met artikel 4, tweede lid, en Bijlage II, hoofdstuk IX, onder 3, van Verordening 852/2004 [1] .
Verweerder heeft eiseres daarvoor een boete opgelegd van € 5.000,-. Dit is een verhoging van het standaardboetebedrag omdat volgens verweerder sprake is van recidive.

Beoordeling door de rechtbank

De overtreding
4. Eiseres voert aan dat haar ten onrechte een boete wordt opgelegd wegens overtreding van de norm van Bijlage II, hoofdstuk IX, punt 3, van Verordening 852/2004. Daartoe betoogt zij dat volgens verweerder de bezoedeling heeft plaatsgevonden vóórdat de karkassen de snelkoeltunnel zijn ingegaan en dat is dus in de uitslachtfase. Specifiek op die fase is een andere norm van toepassing, namelijk die van punt 7 en 10 van hoofdstuk IV, sectie I van bijlage III van Verordening 853/2004 [2] , en verweerder had eiseres dus overtreding van die voorschriften moeten verwijten. Eiseres heeft belang bij toepassing van deze specifieke voorschriften omdat verweerder in dat geval moet bewijzen dat de bezoedeling tijdens de uitslachtfase is ontstaan en dus al aanwezig was voordat de karkassen de snelkoeltunnel zijn ingegaan [3] . Dit heeft verweerder echter niet gedaan. Daarbij wijst eiseres erop dat de bezoedeling een dag na de productiedag is geconstateerd. Het is volkomen onduidelijk wanneer verweerder welk voorschrift aan een overtreding vanwege bezoedeling ten grondslag legt, aldus eiseres.
4.1.
Punt 7 en 10 van hoofdstuk IV, sectie I van bijlage III, van Verordening 853/2004 schrijven voor dat verontreiniging van het vlees moet worden voorkomen en onmiddellijk moet worden verwijderd. Zoals het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) meermaals heeft geoordeeld [4] zien deze voorschriften op de uitslachtfase en moet vóór de postmortemkeuring, die het einde van deze fase van het slachten markeert, aan deze voorschriften zijn voldaan. In dit geval is de bezoedeling van het vlees geconstateerd op de expeditieafdeling, dus ver na de uitslachtfase. De rechtbank volgt eiseres dan ook niet in haar standpunt dat verweerder in dit geval punt 7 en 10 aan de overtreding ten grondslag had moeten leggen. Dat verweerder ervan uitgaat dat de fecale bezoedeling in de uitslachtfase is ontstaan, wordt door verweerder betwist, maar ook al zou dit het uitgangspunt zijn, dan maakt dat nog niet dat verweerder punt 7 en 10 aan de overtreding ten grondslag moet leggen. De constatering is immers in een ander, veel verder, stadium dan de uitslachtfase gedaan. Bovendien zijn er situaties denkbaar waarin een fecale bezoedeling pas na de uitslachtfase op vlees terecht komt of zichtbaar wordt. Anders dan punt 7 en 10, ziet punt 3 van hoofdstuk IX, bijlage II, van Verordening 852/2004 op alle stadia van de productie, verwerking en distributie en dus ook op de expeditieafdeling van eiseres. Verweerder heeft dan ook terecht punt 3 aan de overtreding ten grondslag gelegd.
4.2.
Overigens volgt de rechtbank verweerder in zijn stelling dat de algemene hygiënevoorschriften van bijlage II van Verordening 852/2004 (waaronder punt 3, van hoofdstuk IX) en de specifieke voorschriften van Verordening 853/2004 (waaronder punt 7 en 10 van hoofdstuk IV, sectie I, Bijlage III) elkaar niet uitsluiten en naast elkaar kunnen bestaan. Dat neemt niet weg dat verweerder, zoals ter zitting is toegelicht, wel een keuze maakt in het voorschrift dat bij een bezoedeling ten laste wordt gelegd. Verweerder hanteert als uitgangspunt dat als een bezoedeling wordt aangetroffen in de uitslachtfase of kort na de stempelaar, punt 7 en 10 ten laste wordt gelegd en daarbuiten punt 3. Of dit uitgangspunt in een specifieke zaak wordt gevolgd is afhankelijk van de inrichting van het slachthuis en de feiten en omstandigheden in dat geval. De rechtbank vindt deze werkwijze navolgbaar en kan eiseres niet volgen in haar stelling dat het handelen van verweerder volkomen onduidelijk is. De verwijzing van eiseres naar ECLI:NL:RBROT:2024:7550 waarin verweerder punt 7 en 10 aan de overtreding ten grondslag had gelegd, treft ook geen doel. De bezoedeling was in die zaak aangetroffen in een koelcel waar het vlees direct na de uitslachtfase wordt opgehangen en dus niet in een veel verder stadium zoals in dit geval in de expeditieafdeling.
4.3.
De rechtbank stelt vast dat eiseres haar subsidiaire standpunten over nog uit te voeren controles en het ontbreken van een Critical Control Point op de expeditieafdeling, ter zitting heeft laten vallen.
Hoogte en evenredigheid van de opgelegde boete
5. Eiseres voert aan dat de boete ten onrechte is verhoogd vanwege recidive. Verweerder verwijst naar een eerder boetebesluit, maar dat betreft een lekkage van het dak en is absoluut niet te vergelijken met bezoedeling tijdens een slachtproces. De overtreden norm (bescherming van levensmiddelen) is dermate ruim dat afzonderlijke overtredingen niet altijd met elkaar vergeleken kunnen worden, enkel omdat dezelfde norm is overtreden. De overtreding zal vergelijkbaar moeten zijn en een verband moeten hebben. Hier is geen sprake van eenzelfde feitencomplex, aldus eiseres.
5.1.
Uit het voorgaande volgt dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiseres de overtreding heeft begaan. Gelet op artikel 8.7 van de Wet dieren [5] was verweerder bevoegd om eiseres daarvoor een boete op te leggen. In de bijlage van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren [6] is de standaardboete voor deze overtreding vastgesteld op € 2.500,-. Uit artikel 2.5, eerste lid, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren volgt dat het boetebedrag wordt verhoogd met het bedrag van een eerder aan de overtreder opgelegd boete als er nog geen vijf jaren zijn verstreken sinds die eerdere boete onherroepelijk is geworden en die boete was opgelegd voor eenzelfde overtreding. In de Nota van Toelichting [7] bij het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren is benoemd dat dit voorschrift is beperkt tot gevallen waarin hetzelfde voorschrift opnieuw wordt overtreden
.Eiseres is bij besluit van 16 december 2022 een boete opgelegd van € 2.500,- voor overtreding van artikel 4, tweede lid, en Bijlage II, hoofdstuk IX, onder 3, van Verordening 852/2004. Die boete was dus opgelegd voor overtreding van hetzelfde voorschrift als de onderhavige boete. In beide gevallen was sprake van een situatie waarin eiseres levensmiddelen niet heeft beschermd tegen verontreiniging. Dat de oorzaak of het soort verontreiniging verschilt, is geen reden om de recidivebepaling niet toe te passen. Dezelfde voorschriften zijn overtreden en het is de bedoeling van de wetgever geweest dat in dat geval de boete wordt verhoogd met het bedrag van de eerder opgelegde boete. Verder is de rechtbank niet gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan de boete moet worden gematigd. De rechtbank vindt de opgelegde boete van € 5.000,- evenredig.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is dus ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2026.
De griffier is verhinderd te tekenen.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

BIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Verordening 852/2004

Artikel 4, tweede lid
Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die zich bezighouden met enigerlei stadium van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen dat volgt op de stadia waarop lid 1 van toepassing is, houden zich aan de algemene hygiënevoorschriften van bijlage II, alsmede aan alle specifieke voorschriften van Verordening (EG) nr. 853/2004.
Bijlage II, hoofdstuk IX, punt 3
In alle stadia van de productie, verwerking en distributie moeten levensmiddelen worden beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor de levensmiddelen ongeschikt kunnen worden voor menselijke consumptie, schadelijk worden voor de gezondheid, dan wel op zodanige wijze kunnen worden verontreinigd dat zij redelijkerwijze niet meer in die staat kunnen worden geconsumeerd.

Verordening 853/2004

Bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV, punt 7 en 10

7. Het bedwelmen, het verbloeden, het villen of plukken, het verwijderen van de ingewanden en andere vormen van uitslachten moeten zo spoedig mogelijk plaatsvinden en op zodanige wijze dat verontreiniging van het vlees wordt voorkomen. In het bijzonder geldt het volgende:
8. de luchtpijp en de slokdarm moeten tijdens het verbloeden intact blijven, behalve bij rituele slachtingen;
9. tijdens het verwijderen van huiden en vachten:
i) mag de buitenkant daarvan niet in aanraking komen met het karkas, en
ii) mogen personeelsleden en apparatuur die met de buitenkant van huiden en vachten in contact zijn geweest, niet meer in aanraking komen met het vlees;
er worden maatregelen genomen om te voorkomen dat bij en na het verwijderen van de ingewanden de inhoud van maag en darmen wordt gemorst en om het verwijderen van de ingewanden zo snel mogelijk na het bedwelmen te voltooien; en
d) het verwijderen van de uier mag niet leiden tot verontreiniging van het karkas met melk of colostrum
10. Karkassen mogen niet zichtbaar met uitwerpselen verontreinigd zijn. Elke zichtbare verontreiniging moet onmiddellijk worden verwijderd door bijsnijden of door een andere behandeling met een gelijkwaardig effect.

Wet dieren

Artikel 6.2, eerste lid
Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen en EU-besluiten betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.
Artikel 8.7
Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.

Regeling dierlijke producten

Artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder c

1. Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn:
de artikelen 3 en 4, eerste, tweede en derde lid, 5, eerste lid, tweede lid, laatste alinea, en vierde lid, 6, tweede lid, laatste alinea, en derde lid, van verordening (EG) nr. 852/2004;

Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren

Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, en derde lid

De hoogte van de bestuurlijke boete die Onze Minister aan een overtreder voor een overtreding kan opleggen wordt overeenkomstig de volgende boetecategorieën vastgesteld:
categorie 3: € 2.500
3. Bij ministeriële regeling worden de bepalingen waarvoor in geval van overtreding een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, ingedeeld overeenkomstig de daarbij aangewezen boetecategorie.
Artikel 2.5, eerste lid
Indien ten tijde van het begaan van een overtreding nog geen vijf jaren zijn verstreken sinds een eerder aan de overtreder opgelegde bestuurlijke boete voor eenzelfde overtreding onherroepelijk is geworden, is de bestuurlijke boete gelijk aan de som van de op grond van de artikelen 2.2, 2.3 en 2.4 voor de overtreding op te leggen bestuurlijke boete en de voor die eerdere overtreding opgelegde bestuurlijke boete.

Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren

Artikel 1.2
De hoogte van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van het besluit, wordt vastgesteld overeenkomstig de bedragen die horen bij de boetecategorieën die in de bijlage bij deze regeling voor desbetreffende overtredingen zijn vastgelegd.
Bijlage als bedoeld in artikel 1.2 van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren
Regeling dierlijke producten Categorie
Artikel 2.4, eerste lid, onderdeel c, voor zover dat onderdeel betrekking heeft op de artikelen 3, 4, eerste tot en met derde lid, 5, tweede lid, laatste alinea, en 3 vierde lid, onderdelen a en b, en artikel 6, derde lid, van verordening (EG) nr. 852/2004

Voetnoten

1.Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004
2.Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004
3.Eiseres verwijst naar ECLI:NL:RBROT:2024:7550
4.Onder meer in ECLI:NL:CBB:2021:1029
5.Gelezen in samenhang met artikel 8.6 en artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, en met artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling dierlijke producten
6.Gelet op artikel 1.2 van deze regeling, gelezen in samenhang met artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren
7.Staatsblad 2012, 603 (pagina 12)