ECLI:NL:RBROT:2026:7652

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
12156674 CV EXPL 26-8060
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • I. van Drongelen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:44 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 233 RvArt. 237 Rv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering zorgverzekeraar toegewezen wegens onbetaalde premies en incassokosten

VGZ Zorgverzekeraar vordert betaling van een deel van een langdurige betalingsachterstand van de verzekerde, ontstaan sinds 2016. De verzekerde erkent de achterstand maar stelt dat hij onvoldoende geïnformeerd was over de specificaties van de facturen, met name over kosten voor zijn meerderjarige dochter. De kantonrechter oordeelt dat VGZ voldoende heeft toegelicht waar de achterstand op ziet, onderbouwd met brieven en factuurvoorbeelden.

De verzekerde is volgens de rechter ook incassokosten en wettelijke rente verschuldigd, omdat aan de wettelijke voorwaarden is voldaan en de verzekerde de achterstand niet heeft betwist. Betalingen sinds maart 2021 worden in mindering gebracht op de hoofdsom, incassokosten en rente. VGZ vordert slechts €2.500 om de proceskosten voor de verzekerde te beperken, met behoud van rechten voor het resterende bedrag.

De kantonrechter veroordeelt de verzekerde tot betaling van €2.500 plus rente en legt de proceskosten van €1.093,27 bij hem. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat VGZ direct kan incasseren. De verzekerde heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze uitvoerbaarheid.

Uitkomst: Verzekerde wordt veroordeeld tot betaling van €2.500 plus rente en proceskosten van €1.093,27 aan VGZ.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12156674 CV EXPL 26-8060
datum uitspraak: 26 juni 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
VGZ Zorgverzekeraar N.V.,
vestigingsplaats: Arnhem,
eiseres,
gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘VGZ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 13 februari 2026, met bijlagen;
  • het mondelinge antwoord;
  • de repliek, met bijlagen;
  • de dupliek, met bijlagen.

2.De beoordeling

Wat is de kern?
2.1.
[gedaagde] heeft met VGZ een zorgverzekeringsovereenkomst gesloten. Op grond van deze overeenkomst moet [gedaagde] maandelijks premie betalen. Daarnaast moet hij onder meer kosten vanwege eigen risico en eigen bijdragen, kosten voor polismutaties en administratiekosten betalen. Er is een betalingsachterstand ontstaan en VGZ eist dat [gedaagde] veroordeeld wordt een deel van die betalingsachterstand, namelijk € 2.500,-, aan haar te betalen. [gedaagde] erkent dat hij een betalingsachterstand heeft, maar hij vindt wel dat hij eerder niet goed geïnformeerd is door VGZ.
2.2.
[gedaagde] moet van de kantonrechter € 2.500,- aan VGZ betalen. Dit wordt hieronder uitgelegd.
[gedaagde] moet € 2.500,- aan VGZ betalen
2.3.
Volgens VGZ is sinds 2016 een betalingsachterstand van € 10.120,02 ontstaan bij [gedaagde] . Partijen hebben eerder betalingsafspraken gemaakt, maar omdat [gedaagde] die niet nakwam is VGZ uiteindelijk deze procedure begonnen. [gedaagde] heeft naar voren gebracht dat hij in eerste instantie niet goed begreep waar de betalingsachterstand op zag, ook omdat een deel hiervan ging over kosten van zijn inmiddels meerderjarige dochter en hij dit uit de facturen van VGZ niet kon afleiden.
2.4.
De kantonrechter begrijpt dat het bij een betalingsachterstand die al sinds 2016 speelt lastig kan zijn om overzicht te houden over welke facturen het precies gaat. De kantonrechter oordeelt dat VGZ in deze procedure wel voldoende heeft uitgelegd waar de betalingsachterstand op ziet. VGZ heeft bovendien brieven ingediend die aan [gedaagde] zijn verstuurd, waarin voor elk jaar is aangegeven welke gezinsleden er onder de polis van [gedaagde] vielen. Daaruit blijkt dat de dochter van [gedaagde] hier ook steeds onder viel. VGZ heeft ook een voorbeeld gegeven van een factuur uit 2019 waarop te zien is om welke kosten het gaat en voor welke personen die in rekening worden gebracht. In dat voorbeeld gaat het om kosten van [gedaagde] zelf en zijn zoon [naam zoon] , die toen nog onder de polis viel. De kantonrechter leidt hieruit af dat op facturen die zien op kosten van de dochter van [gedaagde] , ook is aangegeven dat het om kosten van haar gaat. De kantonrechter stelt de oorspronkelijke betalingsachterstand dan ook vast op € 10.120,02. Hierna wordt uitgelegd dat hiervan al een deel is terugbetaald.
2.5.
[gedaagde] is voor buitengerechtelijke incassokosten € 537,92 verschuldigd, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW Pro). [gedaagde] geeft aan dat hij deze kosten niet wil betalen, omdat VGZ hem eerder niet goed heeft geïnformeerd. Hij geeft echter ook aan dat VGZ zijn vragen uiteindelijk wel heeft beantwoord. Bovendien is de betalingsachterstand blijven staan. Daarom is [gedaagde] naar het oordeel van de kantonrechter wel incassokosten verschuldigd.
2.6.
[gedaagde] is rente verschuldigd, omdat VGZ genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. Volgens VGZ bedraagt de rente tot 5 februari 2026 € 134,30.
2.7.
[gedaagde] heeft van de betalingsachterstand sinds maart 2021 in totaal € 4.077,67 betaald. Deze betalingen komen eerst in mindering op de buitengerechtelijke incassokosten en de vervallen rente, en daarna in mindering op de hoofdsom (artikel 6:44 lid 1 BW Pro). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] in totaal nog € 10.120,02 + € 537,92 + € 134,30 - € 4.077,67 = € 6.714,57 aan VGZ moet betalen. VGZ eist in deze procedure niet dit hele bedrag, maar een deel daarvan, namelijk € 2.500,-. VGZ wil hiermee de proceskosten voor [gedaagde] beperken. De kantonrechter veroordeelt [gedaagde] daarom € 2.500,- aan VGZ te betalen. VGZ heeft wel haar rechten voorbehouden voor het invorderen van het andere deel van de vordering. Dat betekent dat VGZ ervoor zou kunnen kiezen op een later moment een nieuwe procedure te starten over dat andere deel.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.8.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat [gedaagde] ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). [gedaagde] stelt dat de procedure niet nodig was, maar hij heeft niet aangegeven wat hij heeft gedaan om het openstaande bedrag te betalen. Daarom moet hij de proceskosten wel betalen. De kantonrechter begroot de proceskosten op € 153,77 aan dagvaardingskosten, € 397,- aan griffierecht, € 434,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 217,-) en € 108,50 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.093,27. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.9.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat VGZ dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan VGZ te betalen € 2.500,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf 13 februari 2026 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van VGZ worden vastgesteld op € 1.093,27;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I. van Drongelen en in het openbaar uitgesproken.
68254