ECLI:NL:RBROT:2026:7663

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
C/10/713549 / JE RK 26-108 en C/10/720054 / JE RK 26-976
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:264 BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en afwijzing verlenging machtiging uithuisplaatsing minderjarige

De rechtbank Rotterdam behandelde op 17 juni 2026 een beschikking betreffende de verlenging van een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2018. De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering waren betrokken, evenals de ouders van de minderjarige.

De kinderrechter nam diverse stukken in overweging, waaronder eerdere beschikking van februari 2026, rapporten van de Raad, en verslagen van school. De minderjarige woont bij de vader, die samen met de moeder het ouderlijk gezag heeft. De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing liepen tot 23 juni 2026.

De Raad verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling voor een jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden. De ouders verzochten de schriftelijke aanwijzing van de gecertificeerde instelling te laten vervallen. De kinderrechter constateerde positieve ontwikkelingen bij de moeder, die sinds februari 2026 abstinent is en intensief behandeld wordt, maar achtte verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk vanwege de kwetsbaarheid van de minderjarige en het risico op terugval.

De machtiging tot uithuisplaatsing werd niet verlengd omdat de kinderrechter oordeelde dat dit niet langer in het belang van de minderjarige is. De schriftelijke aanwijzing werd vervallen verklaard omdat deze betrekking had op de omgangsregeling tijdens de uithuisplaatsing die niet wordt verlengd. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en tegen de beslissing is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd tot februari 2027, de machtiging tot uithuisplaatsing wordt niet verlengd en de schriftelijke aanwijzing vervalt.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/713549 / JE RK 26-108 en C/10/720054 / JE RK 26-976
Datum uitspraak: 17 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter
in de zaken van
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
en
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. N. Roos, kantoorhoudende te Rotterdam
en
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2] ,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt in alle zaken als belanghebbende aan:
de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI.
De kinderrechter merkt in de zaak van de Raad als belanghebbenden aan:
de moederen
de vader, voornoemd.
In de zaak van de moeder en de vader is in zijn adviserende taak gekend:
de Raad, voornoemd.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
In de zaak met zaaknummer: C/10/713549 / JE RK 26-108
  • de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 23 februari 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • het definitieve rapport van de Raad met bijlagen van 21 mei 2026, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum
  • het stuk van mr. Roos inhoudende het gespreksverslag van school van 17 juni 2026.
In de zaak met zaaknummer: C/10/720054 / JE RK 26-976
  • het verzoekschrift van de moeder en de vader met bijlagen van 16 mei 2026, binnengekomen bij de rechtbank op 18 mei 2026;
  • het verweerschrift van de GI met bijlage, binnengekomen bij de rechtbank op
9 juni 2026.
1.2.
Op 17 juni 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, U. Urrestarazu;
- een tweetal vertegenwoordigers van de GI, [naam 1] en [naam 2] .

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij de vader.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 23 februari 2026 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 23 juni 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader met gezag verleend tot 23 juni 2026.
2.4.
De GI heeft op 6 mei 2026 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende het contact tussen [minderjarige] en de moeder tijdens de uithuisplaatsing. Hierin heeft de GI de volgende aanwijzingen gegeven aan de moeder:
- De omgang tussen [minderjarige] en moeder wordt stapsgewijs opgebouwd als volgt:
• Stap 1: Deels onbegeleide omgang
• Stap 2: volledig onbegeleide dag
• Stap 3: uitbreiding naar meerdere dagen zonder logeren
• Stap 4: Uitbreiding naar meerdere aaneengesloten dagen met logeren
• Stap 5: Indien de ontwikkeling positief en stabiel blijft, kan worden toegewerkt naar uitbreiding van de omgang in de richting van de door ouders gewenste regeling.
De opbouw vindt alleen plaats wanneer moeder haar abstinentie, stabiliteit en belastbaarheid voldoende blijft aantonen. Tussentijdse terugschakeling is mogelijk indien daartoe aanleiding bestaat.
Duur
• Stap 1 wordt toegepast voor een periode van 2 weken, elke volgende stap wordt toegepast voor een periode van 4 weken.
• Na elke stap volgt een evaluatie met ouders en wordt besloten of uitbreiding verantwoord is.
• De duur van de volgende stappen wordt telkens opnieuw vastgesteld op basis van de voortgang en de belastbaarheid van [minderjarige] en moeder.
• De regeling geldt voor de duur van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, tenzij eerder anders wordt besloten.
Locatie
• De omgang vindt plaats op een voor [minderjarige] veilige, rustige en overzichtelijke plek.
• De exacte locatie wordt door de Gl in afstemming met ouders en betrokken hulpverlening bepaald.
• De locatie dient voorspelbaar te zijn en afgestemd op de behoeften van [minderjarige] .
• Indien de omgang wordt uitgebreid naar meerdaagse zorg of logeren, vindt dit uitsluitend plaats op een vooraf afgesproken en veilige locatie.
Begeleiding
• De omgang verloopt met omgang waarbij de vader op de achtergrond bereikbaar is.
• Tijdens de opbouw blijft de Gl betrokken en wordt de omgang gemonitord.
• Indien er signalen zijn van spanning, onveiligheid, terugval of onvoldoende draagkracht, kan de omgang direct worden aangepast, opgeschort of teruggeschakeld.
Na afloop van deze duur zal het verloop van deze regeling worden geëvalueerd. U ontvangt hiervoor een uitnodiging.

3.De (aangehouden) verzoeken

Ten aanzien van het zaaknummer: C/10/713549 / JE RK 26-108
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij te vader met gezag te verlengen voor de duur van zes maanden. Over de eerste vier maanden is al beslist. Er moet nog worden beslist over de resterende acht maanden voor de ondertoezichtstelling en de resterende twee maanden voor de machtiging tot uithuisplaatsing. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Ten aanzien van het zaaknummer: C/10/720054 / JE RK 26-976
3.2.
De moeder en de vader verzoeken de schriftelijke aanwijzing van de GI van 6 mei 2026 geheel vervallen te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. De opbouw van de omgang tussen [minderjarige] en de moeder is recentelijk opgestart. Het is belangrijk dat dit wordt gemonitord, zodat kan worden gekeken hoe [minderjarige] reageert op de omgang. Ook is het belangrijk om aandacht te hebben voor de belastbaarheid van de moeder. Daarom is de ondertoezichtstelling nodig. Ook is de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader noodzakelijk, zodat de omgang stapsgewijs kan worden uitgebouwd. Naar aanleiding van het verloop van de zitting heeft de Raad aangegeven ouders te zien die goed samenwerken. Het raadsrapport is alweer een maand oud en de Raad ziet dat er stappen zijn gezet. De Raad vraagt zich af of een voorwaardelijke machtiging tot uithuisplaatsing kan worden afgegeven als een soort stok achter de deur. De Raad denkt dat de ouders het zelf kunnen regelen.
4.2.
De GI ondersteunt ter zitting het verzoek van de Raad. Het gaat goed met [minderjarige] op school en zij mist de moeder. De uithuisplaatsing is voor [minderjarige] heel ingewikkeld en zij wil bij de moeder slapen. De GI vindt het nog te vroeg om [minderjarige] weer naar huis te laten gaan. De GI is bezig met de omgang stapsgewijs uit te breiden. De GI vindt het belangrijk dat de moeder abstinent blijft en ziet dat de moeder goed meewerkt met de behandeling. Een terugval van de moeder moet worden voorkomen. De ouders hebben geen budget voor opvoedondersteuning, waardoor er geen zicht kan komen op de thuissituatie bij de moeder.
4.3.
Door en namens de moeder wordt verweer gevoerd tegen het verzoek van de Raad. Primair wordt verzocht om het verzoek ten aanzien van de verlenging van de maatregelen af te wijzen. Subsidiair geeft de moeder aan bereid te zijn om mee te werken, wanneer de kinderrechter een verlenging van de ondertoezichtstelling nodig vindt. De moeder werkt mee aan de hulp en alle hulp wordt ook door de moeder geaccepteerd. De afgelopen periode is de moeder hard aan de slag gegaan met haar behandeling en twee keer per week zijn er urinecontroles. De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing acht de moeder niet in het belang van [minderjarige] . De opbouwregeling van de GI bevat veel wisselingen, waardoor [minderjarige] in de war raakt. De moeder vindt dat de uithuisplaatsing meer kwaad dan goed doet.
4.4.
De vader voert verweer tegen het verzoek van de Raad. Daarnaast vindt hij dat de omgangsregeling die door de GI is opgesteld, niet in het belang van [minderjarige] is. [minderjarige] weet op deze manier niet waar zij aan toe is. De vader wil dat [minderjarige] doordeweeks weer naar de moeder gaat, zoals het was voor de uithuisplaatsing. De moeder wordt drie keer per week gemonitord en de ouders hebben een ouderschapsplan opgesteld. Daarbij komt dat de vader zijn baan definitief kwijtraakt, wanneer hij aan het einde van de maand niet kan werken. Zijn werkgever accepteert het niet als hij langer verlof op zou nemen.

5.De beoordeling

Ten aanzien van de ondertoezichtstelling
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
Hoewel blijkt dat er sprake is van positieve ontwikkelingen, blijkt uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling dat [minderjarige] nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] is een kwetsbaar meisje en volledig afhankelijk van de zorg van een volwassene. Na een terugval van de moeder in haar alcoholgebruik is [minderjarige] bij de vader geplaatst en het gaat goed met [minderjarige] bij de vader. Ook met de moeder gaat het beter en zij is sinds begin februari van dit jaar abstinent van alcohol. Zij werkt intensief aan haar (verdere) herstel en stabiliteit bij Antes en laat urinecontroles afnemen. De moeder heeft ter zitting aangegeven nog minimaal twee jaar in behandeling bij Antes te willen blijven om haar leven stabiel te houden. De moeder wil weer de zorg voor [minderjarige] op zich nemen en dan is het van belang dat zij altijd beschikbaar is voor haar. Gelet echter op de kwetsbaarheid van [minderjarige] en de prille positieve ontwikkelingen bij de moeder acht de kinderrechter een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk om toezicht te houden op de situatie en zo nodig (aanvullende) ondersteuning in te zetten. Het is belangrijk dat de positieve ontwikkelingen worden voortgezet en dat de moeder abstinent en stabiel blijft. Daarbij is de betrokkenheid van de GI nog nodig om (aanvullende) afspraken te maken, ook over een veiligheidsplan in het geval van terugval bij de moeder, ter bescherming van [minderjarige] . De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen tot 23 februari 2027.
5.2.
De kinderrechter zal de beslissing om de ondertoezichtstelling te verlengen uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Ten aanzien van de uithuisplaatsing
5.3.
Ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing overweegt de kinderrechter het volgende. Uit het rapport van de Raad van 21 mei 2026 komt naar voren dat de omgang tussen [minderjarige] en de moeder zeer spoedig moet worden uitgebreid. Daarbij moet rekening worden gehouden met de belastbaarheid van [minderjarige] . De vader, die sinds de uithuisplaatsing volledig voor [minderjarige] zorgt, ziet dat de afgelopen periode belastend is geweest voor [minderjarige] . De school geeft aan dat de wisselingen in het verblijf van [minderjarige] bij haar zorgen voor veel onduidelijkheid. Ook voor de vader is de afgelopen periode belastend geweest. De vader heeft onbetaald verlof opgenomen en hij dreigt zijn baan te verliezen als hij aan het einde van de maand niet kan werken. Dit zou leiden tot (financiële) zorgen en stress en dat komt ook [minderjarige] niet ten goede. Beide ouders willen dat [minderjarige] bij de moeder thuisgeplaatst wordt en in de weekend weer naar de vader gaat. Tegelijkertijd begrijpt de kinderrechter dat de GI voorzichtig wil zijn met de thuisplaatsing, vanwege de kans op een terugval bij de moeder, mede ook omdat het – vanwege de indicatie van [minderjarige] op grond van de Wet langdurige zorg – niet mogelijk is om bij de moeder opvoedondersteuning in te zetten.
5.4.
Alles afwegende is de kinderrechter van oordeel dat een verlenging van de uithuisplaatsing niet langer in het belang van [minderjarige] is. Een voorwaardelijke machtiging tot uithuisplaatsing, zoals door de Raad ter zitting gesuggereerd, is niet mogelijk. De kinderrechter ziet ouders die goed samen kunnen werken en die zich ervan bewust zijn dat [minderjarige] een zeer kwetsbaar meisje is. De kinderrechter heeft er vertrouwen in dat de ouders elkaar zullen ondersteunen als dit nodig is. Dit blijkt niet alleen uit het gegeven dat de vader zo nodig naar de moeder omkijkt en haar ondersteunt, maar ook uit het feit dat de moeder [minderjarige] – tijdens de uithuisplaatsing – opving toen de vader in het ziekenhuis verbleef. De onduidelijkheid voor [minderjarige] en het dreigende baanverlies voor de vader zijn ook aspecten die de kinderrechter meeneemt in haar afweging. De huidige machtiging loopt nog tot 23 juni 2026 en deze, weliswaar korte, periode kunnen er door de GI met de ouders nog duidelijke afspraken worden gemaakt voor de situatie dat bij de moeder een terugval dreigt. Mede omdat opvoedondersteuning niet kan worden ingezet, is informatie van de vader, het netwerk (moeders volwassen zoon, de buurvrouw), de school van [minderjarige] en van Antes cruciaal. Het is positief dat de moeder dit ook inziet. Het door de GI uitgewerkte terugplaatsingsplan kost nog te veel tijd en dat geeft nog voor te lange duur onduidelijkheid voor [minderjarige] . Het risico dat de moeder een terugval krijgt, zal er altijd zijn, maar dat risico lijkt nu klein te zijn door de wil en de inzet van de moeder om stabiel te zijn en te blijven en haar grote wens om weer voor [minderjarige] te kunnen zorgen.
5.5.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter het verzoek van de Raad ten aanzien van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing afwijzen.
Ten aanzien van de schriftelijke aanwijzing
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:264, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) op verzoek van een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren.
5.6.
Gelet op het feit dat de kinderrechter het verzoek ten aanzien van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing zal afwijzen, is er geen aanleiding meer voor de door de GI gegeven schriftelijke aanwijzing aan de moeder nu dat ziet op een omgangsregeling tussen haar en [minderjarige] in de situatie dat [minderjarige] bij de vader verblijft. De kinderrechter zal daarom de schriftelijke aanwijzing van 6 mei 2026 vervallen verklaren.

6.De beslissing

De kinderrechter:
Ten aanzien van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 23 februari 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Ten aanzien van de schriftelijke aanwijzing
6.4.
verklaart de schriftelijke aanwijzing van 6 mei 2026 vervallen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026 door mr. A. Verweij, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Henschen als griffier, en op schrift gesteld op 24 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.