ECLI:NL:RBROT:2026:773

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
ROT 25/9956
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 HuisvestingswetArt. 3.1.2 Huisvestingsverordening Alblasserdam 2022Art. 3.1.2 Huisvestingsverordening Alblasserdam 2025Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening geschorst last onder dwangsom wegens twijfel over overtreding huisvestingsverordening

Verzoekster is door het college van burgemeester en wethouders van Alblasserdam een last onder dwangsom opgelegd wegens het omzetten van zelfstandige woonruimte naar onzelfstandige woonruimte zonder vergunning. Het college handhaafde dit besluit na bezwaar, waarna verzoekster beroep instelde en een voorlopige voorziening vroeg.

De voorzieningenrechter constateerde dat het pand werd bewoond door meer dan twee personen zonder dat zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding vormden, wat volgens het college een overtreding van de Huisvestingswet en Huisvestingsverordening oplevert. Verzoekster stelde dat het pand al sinds 2013 was omgezet en dat er dus geen overtreding was.

De rechter oordeelde dat uit de tekst en toelichting van de Huisvestingsverordening niet duidelijk blijkt dat het omgezet houden van onzelfstandige woonruimte een overtreding vormt. Hierdoor bestaat twijfel of het bestreden besluit stand zal houden in de bodemprocedure. Gezien het spoedeisend belang van verzoekster werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en het besluit geschorst.

Daarnaast werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoekster. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter P. Vrolijk en griffier H. Sabanovic op 3 februari 2026.

Uitkomst: De voorzieningenrechter schorst het bestreden besluit tot uitspraak in beroep en veroordeelt het college tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/9956

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], uit Nieuw-Lekkerland, verzoekster

(gemachtigden: [naam 1] en mr. R. Kramer),
en

het college van burgemeester en wethouders van Alblasserdam, het college

(gemachtigde: mr. W.M. Berendsen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een aan verzoekster opgelegde last onder dwangsom. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij heeft beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe
.Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank niet in de beroepsprocedure.

Procesverloop

2. Het college heeft met het primaire besluit van 3 juni 2025 aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd vanwege een overtreding van de Huisvestingswet in combinatie met de Huisvestingsverordening. Met het bestreden besluit van 17 november 2025 op het bezwaar van verzoekster is het college daarbij gebleven en heeft het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft verzoekster beroep [1] ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 januari 2026 gelijktijdig, maar niet gevoegd, met het verzoek van verzoekster met zaaknummer ROT 26/376 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van verzoekster en namens het college [naam 2].

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat het in deze zaak om?
3. Op 20 februari 2025 is het pand aan de [adres] geïnspecteerd. Daarbij is geconstateerd dat de woonruimte is omgezet naar onzelfstandige woonruimten zonder de daarvoor vereiste vergunning. Het pand wordt bewoond door vijf personen die samen geen duurzaam gemeenschappelijke huishouding vormen. Er zijn daarnaast acht slaapplaatsen aangetroffen. Op basis van de feitelijke situatie heeft het college vastgesteld dat de woning wordt gebruikt als onzelfstandige woonruimte voor huisvesting van werknemers van Daxxa personeel. Omdat er meer dan twee onzelfstandig gehuisveste bewoners in de woning verblijven, handelt verzoekster volgens het college in strijd met de Huisvestingswet en de Huisvestingsverordening Alblasserdam. Op 27 maart 2025 heeft het college aan verzoekster schriftelijk het voornemen kenbaar gemaakt een last onder dwangsom te zullen opleggen. Met het primaire besluit (dat het college in het bestreden besluit heeft gehandhaafd) heeft het college aan verzoekster gelast binnen vier weken na verzending van het besluit het aantal bewoners van het pand terug te brengen naar maximaal twee onzelfstandig gehuisveste bewoners, op straffe van een dwangsom van
€ 27.500,- ineens. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat het bestreden besluit wordt geschorst totdat is beslist op het beroep.
Spoedeisend belang
4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor de beslissing op het bezwaar of het beroep niet kan worden afgewacht. [2] Verzoekster heeft aangevoerd dat het besluit directe negatieve gevolgen heeft, waaronder leegstand, de onmogelijkheid om contractuele verplichtingen na te komen en complicaties voor de gehuisveste personen en de betrokken werkgever. Gelet op wat verzoekster heeft aangevoerd, heeft zij aannemelijk gemaakt dat sprake is van een spoedeisend belang.
Voorlopig rechtmatigheidsoordeel
5. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een overtreding, omdat het pand reeds sinds 2013 omgezet was ten tijde van de aankoop in 2024.
6. Het college heeft in het verweerschrift en op zitting het standpunt ingenomen dat sprake is van onzelfstandige woonruimte die wordt bewoond door meer dan twee personen en dat het omgezet houden van woonruimte eveneens een overtreding oplevert. Het bestreden besluit is opgelegd op grond van artikel 21 van Pro de Huisvestingswet in combinatie met artikel 3.1.2 van de Huisvestingsverordening. Het onttrokken houden van aangewezen woonruimte is verboden, gelet op artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet. Daarnaast staat bij de begripsomschrijving “omzetten van woonruimte” in artikel 1 van Pro de Huisvestingsverordening: “het omzetten of omgezet houden van zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimte als bedoeld in artikel 21, eerste lid, onderdeel c, van de Huisvestingswet”. Daarmee is volgens het college ook het omgezet houden aan te merken als overtreding.
7. Op grond van artikel 3.1.2, derde lid van de Huisvestingsverordening gemeente Alblasserdam 2022 (die gold ten tijde van het primaire besluit, thans is dat artikel 3.1.2, tweede lid van de Huisvestingsverordening gemeente Alblasserdam 2025) is het verboden om zonder vergunning van het college een zelfstandige woonruimte om te zetten of om te laten zetten in onzelfstandige woonruimte, tenzij de onzelfstandige woonruimte wordt bewoond door maximaal twee personen, indien de eigenaar niet tevens woonachtig is in de betreffende woning, of door maximaal één persoon, indien de eigenaar al dan niet met zijn gezin tevens woonachtig is in de betreffende woning (zogenoemde hospitasituatie).
8. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit de tekst van artikel 3.1.2 van de Huisvestingsverordening niet dat ook het omgezet houden van onzelfstandige woonruimte een overtreding oplevert van dit artikel. Uit de toelichting Huisvestingsverordening Alblasserdam 2022 komt evenmin naar voren dat het de bedoeling is geweest om ook het omgezet houden van onzelfstandige woonruimte een overtreding oplevert. Omdat hierover een verschil van standpunt bestaat tussen partijen, en de wet- en regelgeving geen uitsluitsel geeft, is er twijfel of deze bepaling aan de overtreding ten grondslag kon worden gelegd, en of het bestreden besluit – als gevolg daarvan in de bodemprocedure stand zal houden. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst tot de uitspraak van de rechtbank op het beroep.
10. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat het college het griffierecht moet vergoeden en dat verzoekster ook een vergoeding krijgt van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit tot de uitspraak in beroep;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.ROT 25/9843
2.Dit volgt uit artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).