Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.De zaak in het kort
2.De procedure
3.De feiten
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2012;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2015; en
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2019.
4.Het geschil
- [verweerster] te veroordelen om de woning binnen twee weken na dit vonnis te verlaten en niet meer te betreden;
- te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen zal zijn bij [eiser] in de woning;
- althans bij toewijzing van de vorderingen van [verweerster] een omgangs- c.q. zorgregeling vast te leggen inhoudende dat de minderjarigen elk weekend bij [eiser] zullen verblijven alsmede de helft van de vakanties en feestdagen.
5.De beoordeling
[gedaagde] voert verder als verweer aan dat als hij de woning moet verlaten en zich op het adres van de woning moet uitschrijven, dit problemen zal veroorzaken voor zijn onderneming, de registratie van zijn auto, de auto- en zorgverzekering. Ook zal het lastig voor hem worden om een andere woning voor hem en de hond te vinden. Dit maakt echter niet dat de belangenafweging in zijn voordeel uitvalt. De inschrijving op een ander adres zal immers volgen zodra [gedaagde] een andere woning heeft gevonden. [eiseres] heeft ter zitting aangegeven dat als de hond een probleem oplevert bij het vinden van een nieuwe woning, de hond (tijdelijk) bij [eiseres] kan blijven.
Al het voorgaande brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het belang van [eiseres] , in samenhang met het belang van de kinderen, bij het uitsluitend gebruik van de woning groter is dan dat van [gedaagde] .
De voorzieningenrechter wijst de vordering in reconventie dus af. De voorzieningenrechter geeft partijen in overweging om in onderling overleg tot een regeling te komen voor omgang tussen [gedaagde] en de kinderen.
6.De beslissing
3608/2009