ECLI:NL:RBROT:2026:7754

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2610475:R-RK
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.P. van Eeden-van Harskamp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a FaillissementswetArt. 300 FaillissementswetArt. 6:160 lid 1 Burgerlijk WetboekArt. 7:851 lid 1 Burgerlijk Wetboek
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot gedwongen schuldregeling wegens redelijke weigering schuldeisers

Verzoeker heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287a Faillissementswet om drie schuldeisers te dwingen in te stemmen met een aangeboden schuldregeling. Deze regeling voorziet in een gedeeltelijke betaling aan preferente en concurrente schuldeisers, gebaseerd op de NVVK-norm en de afloscapaciteit van verzoeker.

Drie schuldeisers, te weten Nationale Nederlanden, Qredits en Parkmobile, weigeren in te stemmen. Qredits stelt dat zij een borgstelling heeft van de ex-partner van verzoeker, waardoor zij maandelijks een hoger bedrag incasseert dan het aangeboden percentage in de schuldregeling. Volgens Qredits vervalt deze borgstelling bij een minnelijke regeling, maar blijft deze bij een wettelijke schuldsaneringsregeling in stand.

De rechtbank overweegt dat het belang van de schuldeisers bij hun weigering zwaarder weegt dan het belang van verzoeker en de overige schuldeisers. De borgstelling en het hogere incassoresultaat maken de weigering van Qredits niet onredelijk. Ook de belangen van Nationale Nederlanden en Parkmobile wegen zwaarder. Daarom wordt het verzoek tot gedwongen schuldregeling afgewezen.

De rechtbank zal in een afzonderlijke beslissing het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling behandelen.

Uitkomst: Het verzoek tot gedwongen schuldregeling wordt afgewezen omdat de weigering van schuldeisers niet onredelijk is.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 12 juni 2026
in de zaak van:
[naam 1],
wonende te [straatnaam] , [postcode] [woonplaats] ,
verzoeker,

1.De procedure

Verzoeker heeft op 23 april 2026, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a lid 1 Faillissementswet ingediend om een drietal schuldeisers, te weten:
  • Nationale Nederlanden, wier vordering in behandeling is bij Soda;
  • Qredits Microfinanciering Nederland, hierna te noemen: Qredits;
  • Parkmobile/Easypark, hierna te noemen Parkmobile;
die weigeren mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Qredits heeft voorafgaand aan de zitting, op 11 mei 2026, een reactie op het verzoek van verzoeker ingediend.
Ter zitting van 5 juni 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • de heer [naam 2] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening).
De weigerende schuldeisers zijn, hoewel daartoe opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.Het verzoek

Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift vijftien schuldeisers, waarvan twee preferente en dertien concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 98.282,40 van verzoeker te vorderen. Verzoeker heeft bij brief van 2 februari 2026 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 8,63% aan de preferente schuldeisers en 4,32% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd op voortzetting van zijn Ziektewet-uitkering. De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden inmiddels door zijn budgetbeheerder voldaan.
Twaalf schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Nationale Nederlanden, Qredits en Parkmobile stemmen hier niet mee in. Nationale Nederlanden heeft een vordering van € 13.726,85 op verzoeker, Qredits heeft een vordering van € 14.701,77 op verzoeker en Parkmobile heeft drie vorderingen op verzoeker die in totaal door schuldhulpverlening zijn geschat op € 350,00. In totaal belopen de vorderingen van deze weigerende schuldeisers 29,4% van de totale schuldenlast.

3.Het verweer

Qredits heeft in haar reactie uiteengezet dat zij aan verzoeker een microkrediet heeft verstrekt waarvoor zijn ex-partner zich borg heeft gesteld voor een bedrag van € 20.000,- plus rente en kosten. Uit hoofde van deze borg incasseert Qredits maandelijks een bedrag van € 424,45 van de ex-partner van verzoeker. Indien Qredits instemt met de minnelijke schuldregeling, vervalt haar vordering op de borg, terwijl de borgstelling bij een wettelijke schuldsaneringsregeling wel in stand blijft op grond van artikel 300 Fw Pro. Dit verschil is voor Qredits cruciaal en vormt een zwaarwegend belang om niet akkoord te gaan. Het door verzoeker aangeboden percentage van 4,32% van de vordering van € 14.701,77 komt neer op € 634,40. De opbrengst via het incasseren bij de borg biedt een aanzienlijk beter resultaat.
Soda heeft namens Nationale Nederlanden in haar contacten met schuldhulpverlening uitsluitend laten weten dat Nationale Nederland niet akkoord gaat met de schuldregeling. Parkmobile heeft niet gereageerd.
Hoewel behoorlijk opgeroepen hebben Nationale Nederlanden en Parkmobile geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid hun standpunten schriftelijk of ter zitting toe te lichten.

4.De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Nationale Nederlanden, Qredits en Parkmobile bij hun weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Nationale Nederlanden, Qredits en Parkmobile in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
Vooropgesteld wordt dat de vorderingen van Nationale Nederlanden, Qredits en Parkmobile een aanzienlijk aandeel vormen in de totale schuldenlast van 29,4%.
De huidige vordering van Qredits bedraagt met 15% een aanzienlijk deel van de totale schuldenlast. Dat brengt mee dat niet snel kan worden geoordeeld dat het onredelijk is dat Qredits heeft geweigerd met de schuldregeling in te stemmen. In dit geval is van belang dat voor de verstrekte lening een borgtocht is afgegeven. Op grond van artikel 6:160 lid 1 jo Pro. artikel 7:851 lid 1 BW Pro eindigt de borgtocht als Qredits akkoord gaat met de minnelijke schuldregeling. Dat is anders bij toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Dan blijft op grond van artikel 300 Fw Pro de borgtocht wel in stand. Het bedrag dat Qredits van de borg nog kan incasseren is vele malen hoger dan het door verzoeker aangeboden percentage in de minnelijke schuldregeling. De rechtbank is daarom van oordeel dat het niet onredelijk is dat Qredits heeft geweigerd met de schuldregeling in te stemmen.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van Qredits en van Nationale Nederlanden en Parkmobile als weigerende schuldeisers zwaarder wegen dan die van verzoeker of de overige schuldeisers. Het verzoek om Nationale Nederlanden, Qredits en Parkmobile te bevelen in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.
De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.
Dit is de beslissing van mr. M.P. van Eeden-van Harskamp, rechter, in samenwerking met A.B.T. Fernandes Pedra, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026.