ECLI:NL:RBROT:2026:7755

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
10/353335-25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 287 SrArt. 6:106 BWArt. 36f Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag na schietincident bij restaurant in Rotterdam

Op 27 december 2025 schoot de verdachte op korte afstand met een vuurwapen in de buik van het slachtoffer bij een restaurant in Rotterdam, wat leidde tot ernstig, potentieel dodelijk letsel. De rechtbank achtte bewezen dat de verdachte het misdrijf van poging tot doodslag heeft gepleegd, maar verwierp het beroep op extensief noodweerexces en putatief noodweer.

De dagvaarding was geldig, ook voor het deel dat betrekking had op onbekende personen die zich bij het restaurant bevonden. De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was voor medeplegen met de medeverdachte, omdat de handelingen elkaar opvolgden zonder nauwe samenwerking.

De verdachte werd veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf, lager dan de eis van acht jaar, vanwege minder bewezen feiten dan door het Openbaar Ministerie gesteld. De benadeelde partij die het slachtoffer was, kreeg een immateriële schadevergoeding van €25.000 toegewezen, met wettelijke rente en een schadevergoedingsmaatregel. De overige benadeelde partijen werden niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf voor poging tot doodslag; immateriële schadevergoeding van €25.000 toegewezen aan slachtoffer.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/353335-25
Datum uitspraak: 25 juni 2026
Datum zitting: 11 juni 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1995 op [geboorteland] ,
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
gedetineerd in Detentiecentrum [locatie] .
Advocaat van de verdachte: mr. K. Cras
Officier van justitie: mr. A. de Bruijne
Benadeelde partijen: [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 6] , [benadeelde partij 7] , [benadeelde partij 8] , [benadeelde partij 9] , [benadeelde partij 10] , [benadeelde partij 11] , [benadeelde partij 12] en [benadeelde partij 13] .
Gemachtigde van benadeelde partij [benadeelde partij 1] : mr. J.A. Kribbe
Advocaat van de overige benadeelde partijen: mr. C.P. Timmers
Kern van het vonnis
De verdachte wordt veroordeeld voor poging tot doodslag van [slachtoffer 1] door hem in de buik te schieten. Het beroep op extensief noodweerexces en putatief noodweer wordt verworpen. De dagvaarding is ook ten aanzien van het deel ‘een of meer onbekend gebleven personen’ geldig. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren. De benadeelde partijen worden niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen, met uitzondering van de gevorderde immateriële schade door [slachtoffer 1] .

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij op 27 december 2025 samen met de medeverdachte heeft geprobeerd om onder andere [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] van het leven te beroven.
De volledige tenlastelegging houdt in dat
hij op of omstreeks 27 december 2025 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om
opzettelijk
een ander, te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of een of meer onbekend
gebleven personen
van het leven te beroven,
- meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen in de richting van die [slachtoffer 2]
en/of [slachtoffer 1] en/of een of meer onbekend gebleven personen heeft geschoten en/of
- (op korte afstand) met een vuurwapen in de buik, althans het lichaam, van die
[slachtoffer 1] heeft geschoten,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.Geldigheid van de dagvaarding

2.1.
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de dagvaarding partieel nietig is voor wat betreft het onderdeel ‘en/of een of meer onbekend gebleven personen’ omdat hieruit onvoldoende blijkt waarop de verdediging zich moet richten.
2.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft betoogd dat de dagvaarding in haar volledigheid geldig is. Uit het dossier blijkt duidelijk dat voor restaurant [restaurant] een groep mensen stond. Zij konden ook geraakt worden. Dat hun identiteit verder in het onderzoek onbekend is gebleven, betekent niet dat het niet op deze wijze ten laste gelegd mag worden.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
In het onder 1 ten laste gelegde feit zijn de woorden ‘en/of een of meer onbekend
gebleven personen’ opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat tegen de achtergrond van het dossier voldoende duidelijk is waar de vervolging op is gebaseerd, nu uit het dossier (waarin o.a. een beschrijving van camerabeelden is opgenomen) volgt dat geschoten is in de richting van een groep personen die voor restaurant [restaurant] stond. Dat de identiteit van deze personen niet bekend is, doet er niet aan af dat het voor de verdachte bekend is waar hij zich tegen moet verdedigen, zoals hij ook heeft gedaan. Daarmee voldoet de dagvaarding aan de eisen van duidelijkheid en begrijpelijkheid.
De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en acht de dagvaarding geldig.

3.Bewijs

3.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het feit. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
3.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft partiële vrijspraak bepleit voor poging tot doodslag op [slachtoffer 2] en een of meer onbekend gebleven personen, nu niet kan worden vastgesteld dat de verdachte enig opzet heeft gehad op hun dood. Ook een nauwe en bewuste samenwerking blijkt niet uit het dossier, waardoor niet van medeplegen kan worden gesproken.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) van het leven te beroven door hem in zijn buik te schieten. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 3.3.3.
De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen [1] en de onderstaande bewijsmotivering.
1.
Verklaring van de verdachte [2]
Ik heb het wapen van [medeverdachte] afgepakt, ben teruggelopen naar het restaurant en heb geschoten.
2.
Aangifte van [aangever] [3]
Op zaterdag 27 december 2025 bevond ik mij bij café [restaurant] te Rotterdam.
(…)
Man 2 kan het café binnen. Hij schoot in mijn richting en ik werd daardoor toen geraakt.
3.
FARR-verklaring [4] Betreffende [slachtoffer 1]
Informatie ontvangen van de spoedeisende hulp van het Erasmus MC betreffende consult op 27-12-2025 en de aansluitende opname tot en met 19-01-2026. Lopend zich gemeld in het lkazia ziekenhuis.
Een wond in de bovenbuik en een wond op de ruig, respectievelijk geduid als inschotwond en uitschotwond.
CT: leverbeschadiging met actieve bloeding slagaderlijke bloeding in linker en rechter leverkwab.
Gebroken rib 10, rechts.
Er is een 'vreemd voorwerp' in de darm.
Er is lekkage van gal.
Er ontstond nog vocht onder in de rechter long.
Betrokkene werd geïntubeerd (beademingstube ingebracht) om dieper te kunnen verdoven wegens zijn onrust en derhalve niet kunnen stilliggen op de interventietafel. De ingreep bestond uit het bekijken van letsels en stoppen (sealen) van bloedingen. Er werd een drain in de galblaas achter gelaten.
Betrokkene verbleef kortdurend op de Intensive Care.
Betrokkene kreeg nog drains voor afvloed vocht bij de longen en bij de lever.
Bij ongecompliceerd beloop minimaal twee maanden. Het betreft hier potentieel dodelijk letsel.
3.3.2.
Bewijsmotivering
Bij de beantwoording van de vraag of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van poging tot doodslag dient de rechtbank de vragen te beantwoorden of de verdachte als medepleger kan worden aangemerkt en of de verdachte het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad om [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en de onbekend gebleven personen van het leven te beroven.
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
De verdachte en [medeverdachte] (hierna: medeverdachte) gingen eten halen bij restaurant [restaurant] en zijn daar in conflict geraakt met de latere slachtoffers. De medeverdachte heeft verklaard dat hem een vuurwapen werd getoond; hij wist te ontvluchten en pakte daarna een vuurwapen uit zijn auto. De medeverdachte heeft vervolgens twee keer geschoten voordat verdachte het vuurwapen van hem afpakte. De verdachte is vervolgens restaurant [restaurant] ingelopen en heeft [slachtoffer 1] op korte afstand in zijn buik geschoten, hetgeen hij ook bekent.
Het dossier biedt onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen spreken van een intensieve samenwerking of van een taakverdeling. De verdachten waren weliswaar samen bij restaurant [restaurant] en hebben met hetzelfde vuurwapen geschoten, maar zij deden dat na elkaar. Uit het dossier blijkt niet van een samenwerking. De gedragingen van de verdachten moeten worden aangemerkt als elkaar opvolgende, zelfstandige handelingen, waarbij ieder een eigen bijdrage heeft geleverd. Om die reden zal de verdachte worden vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen. Concreet betekent dit dat hem geen handelingen verricht door de medeverdachte, te weten het tweemaal schieten in de richting van [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of een of meer onbekend gebleven personen, kunnen worden verweten.
Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van [slachtoffer 1] . Door hem van korte afstand in de buik (een vitaal lichaamsdeel) te schieten, heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij het slachtoffer van het leven zou beroven. Uit de FARR-verklaring blijkt bovendien dat [slachtoffer 1] potentieel dodelijk letsel heeft opgelopen door het toedoen van verdachte.
De rechtbank acht poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.
3.3.3.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
hij op 27 december 2025 te Rotterdam
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen
misdrijf om
opzettelijk
[slachtoffer 1]
van het leven te beroven,
- op korte afstand met een vuurwapen in de buik van die
[slachtoffer 1] heeft geschoten,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
poging tot doodslag.
4.2.
Strafbaarheid van het feit en de verdachte
4.2.1.
Beroep op strafuitsluitingsgronden
De verdediging heeft primair bepleit dat sprake is van extensief noodweerexces. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat sprake is van putatief noodweer. De standpunten worden, voor zover van belang, hieronder besproken.
4.2.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, en dat om die reden geen sprake is van een noodweer(exces)situatie.
4.2.3.
Oordeel van de rechtbank
Extensief noodweerexces
De verdediging heeft primair een beroep gedaan op extensief noodweerexces. De verdediging heeft aangevoerd dat de ogenblikkelijke aanranding bestond uit een bedreiging, het zien dat de aangever naar zijn jas greep en het van achter beschoten worden, terwijl verdachte wegliep. De verdediging heeft gesteld dat de verdachte, door [slachtoffer 1] in de buik te schieten, weliswaar de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden, maar dat deze overschrijding het onmiddellijk gevolg is geweest van een door de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding veroorzaakte, hevige gemoedsbeweging en dat hij daarna, nadat de noodweersituatie mogelijk al was geëindigd, zijn verdediging niet eindigde en dat dit uiteindelijk geresulteerd heeft in het latere schot.
De medeverdachte, een vriend van verdachte, is degene geweest die twee schoten loste. De verdachte is daarna richting de medeverdachte gerend. De schoten van de medeverdachte waren niet gericht op verdachte en van enig schot vanuit de groep personen die zich ophield bij restaurant [restaurant] , is niet gebleken. Daarom is niet aannemelijk dat voor verdachte sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen hij zich moest verdedigen. Zelfs indien uit de verklaringen van de verdachten zou volgen dat de aangever een wapen bij zich had, kan ook hierdoor niet worden gesproken van een noodweersituatie, nu van een noodzakelijke verdediging geen sprake meer was, aangezien de verdachte zich reeds aan de situatie had onttrokken door weg te rennen.
Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, zodat het beroep op (extensief) noodweerexces reeds daarom niet slaagt. Het verweer wordt verworpen.
Putatief noodweer
Door de verdediging is subsidiair een beroep gedaan op putatief noodweer. De verdachte heeft naar aanleiding van een bedreiging (naar zijn zeggen bestaande uit de woorden: ‘als je je omdraait, dan ga ik schieten’) gedacht zich te moeten verdedigen. De verdachte hoorde vervolgens twee schoten en dacht daadwerkelijk te worden beschoten. Die schoten bleken later gelost te zijn door de medeverdachte. Verdachte heeft [slachtoffer 1] in de buik geschoten om het ingebeelde gevaar af te wenden.
Naar het oordeel van de rechtbank leveren de feiten en omstandigheden niet een situatie op waarin de verdachte abusievelijk maar verschoonbaar heeft kunnen menen dat hij zich moest verdedigen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de alternatieve lezing van de verdachte niet aannemelijk is.
Uit het dossier blijkt dat de medeverdachte naar de auto is gelopen om zijn vuurwapen te pakken en dat verdachte hem volgde. Uit het dossier volgt ook dat [slachtoffer 2] – al dan niet uit schrik – ten val kwam ten tijde van het eerste door de medeverdachte geloste schot. Nu verdachte achter de medeverdachte aanliep, moet hij zich bevonden hebben tussen de medeverdachte en restaurant [restaurant] . Het geluid wat vrijkwam bij het lossen van een schot, moet voor hem dus duidelijk van de kant van medeverdachte zijn gekomen. De lezing van verdachte dat hij dacht beschoten te worden door de personen die zich ophielden bij restaurant [restaurant] , is dan ook onaannemelijk. Het verweer wordt verworpen.
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf

5.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaren.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de trauma’s ten gevolge van een eerder geweldsincident waarbij verdachte slachtoffer was, in strafmatigende zin moeten worden meegewogen. Ook moet worden afgezien van het opleggen van de GVM.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
5.3.1.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag van [slachtoffer 1] door hem in de buik te schieten. Dit is een zeer ernstig feit. Dat [slachtoffer 1] niet is komen te overlijden, is te danken aan kundig medisch ingrijpen en niet aan het gedrag van verdachte. [slachtoffer 1] heeft als gevolg van het incident meerdere operaties moeten ondergaan en verbleef bijna een maand in het ziekenhuis. Hij ondervindt nog steeds lichamelijke gevolgen van het schietincident. Naast lichamelijk letsel heeft hij ernstige psychische klachten. Uit de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt dat hij ten gevolge van het incident werkloos is geraakt. Zoals uit ervaring bekend is, leiden dergelijke vormen van geweld vaak tot langdurige en ingrijpende psychische en fysieke gevolgen, hetgeen in deze zaak duidelijk naar voren komt.
5.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 19 mei 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.
Rapport van de reclassering
In het rapport van Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) van 10 juni 2026 staat het volgende. De verdachte is in staat tot ernstig gewelddadig gedrag en laat zich niet weerhouden door wet- en regelgeving. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. Aangezien de verdachte na een lange detentie ter herintegratie begeleid zal moeten worden en de gemaximeerde duur van de voorwaardelijke invrijheidstelling waarschijnlijk onvoldoende is, adviseert de reclassering een GVM op te leggen.
5.3.3.
Oplegging gevangenisstraf
Gelet op de ernst van het strafbare feit en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Dat de rechtbank een lagere gevangenisstraf oplegt dan de officier van justitie heeft geëist, is gelegen in het feit dat de rechtbank minder bewezen acht dan de officier van justitie. Daarom wordt een gevangenisstraf van zes jaren opgelegd.
De gevangenisstraf zal worden ten uitvoer gelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend. Met de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank de gevangenisstraf en de bijbehorende voorwaardelijke invrijheidstelling voldoende. Om die reden wordt niet ook een GVM opgelegd.

6.Vordering van de benadeelde partijen

6.1.
Vorderingen
[benadeelde partij 2]
heeft als benadeelde partij voor het feit € 7.875,99 als vergoeding voor materiële schade en € 25.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.
[benadeelde partij 1]
heeft als benadeelde partij voor het feit € 499,46 als vergoeding voor materiële schade en € 3.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.
[benadeelde partij 3]
heeft als benadeelde partij voor het feit € 5.000,- als vergoeding voor materiële schade en € 1.500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.
[benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 6] , [benadeelde partij 7] , [benadeelde partij 8] , [benadeelde partij 9] , [benadeelde partij 10] , [benadeelde partij 11] , [benadeelde partij 12] en [benadeelde partij 13]
[benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 6] , [benadeelde partij 7] , [benadeelde partij 8] , [benadeelde partij 9] , [benadeelde partij 10] , [benadeelde partij 11] , [benadeelde partij 12] en [benadeelde partij 13] hebben als benadeelde partij ieder afzonderlijk voor het feit € 1.500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.
6.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
6.3.
Standpunt van de verdediging
De benadeelde partijen moeten niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering, omdat de vorderingen pas de dag voor de zitting, aan het einde van de middag, zijn aangeleverd. Om die reden heeft de verdediging zich niet voldoende kunnen voorbereiden. Subsidiair moet de door [benadeelde partij 2] gevorderde immateriële schade gematigd worden.
6.4.
Oordeel van de rechtbank
Niet-ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat de vorderingen van [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 6] , [benadeelde partij 7] , [benadeelde partij 8] , [benadeelde partij 9] , [benadeelde partij 10] , [benadeelde partij 11] , [benadeelde partij 12] en [benadeelde partij 13] de dag voorafgaand aan de zitting zijn ingediend, in de middaguren. De wet biedt de mogelijkheid aan een benadeelde partij om zich tot het moment van het requisitoir te voegen. De vorderingen zijn in die zin tijdig ingediend. De rechtbank is echter van oordeel dat de verdediging niet voldoende in de gelegenheid is geweest om verweer te voeren tegen de vordering. De zaak zou in verband hiermee moeten worden aangehouden, wat een onevenredige belasting van het strafproces oplevert, wat het gevolg is van het late indienen – waar geen afdoende verklaring voor is gegeven – en het grote aantal vorderingen.
De rechtbank verklaart de benadeelde partijen gelet op het voorgaande niet-ontvankelijk in de vordering. De vorderingen kunnen bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De rechtbank verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering, omdat geen sprake is van rechtstreeks verband tussen de gevorderde schade en het bewezen strafbare feit.
[benadeelde partij 2]
Ook de vordering van [benadeelde partij 2] is de dag voorafgaand aan de zitting ingediend. Ten aanzien van de gevorderde
materiëleschade oordeelt de rechtbank, gelet op de vele stukken ter onderbouwing, dat de verdediging onvoldoende in de gelegenheid is geweest om hierop gedegen verweer te kunnen voeren en het strafproces onevenredig wordt belast als de zaak in verband hiermee moet worden aangehouden.
De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks
immateriëleschade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen, waardoor hij op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van zijn immateriële schade.
De rechtbank heeft acht geslagen op de Rotterdamse Schaal. Gelet op deze schaal komt de gevorderde immateriële schadevergoeding de rechtbank niet overmatig voor en acht de rechtbank toewijzing van het gehele gevorderde bedrag van € 25.000,- billijk. Hierbij is tevens rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard en ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van de benadeelde partij.
6.4.1.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
[benadeelde partij 2] heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 27 december 2026.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die [benadeelde partij 2] heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan [benadeelde partij 2] . Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 141 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

7.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

8.Beslissingen

De rechtbank:
Voorvragen
verklaart de dagvaarding geldig;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 6 (zes) jaren;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Vorderingen benadeelde partijen
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 4] niet-ontvankelijk in de vordering;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 5] niet-ontvankelijk in de vordering;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 6] niet-ontvankelijk in de vordering;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 7] niet-ontvankelijk in de vordering;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 8] niet-ontvankelijk in de vordering;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 9] niet-ontvankelijk in de vordering;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 10] niet-ontvankelijk in de vordering;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 11] niet-ontvankelijk in de vordering;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 12] niet-ontvankelijk in de vordering;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 13] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2] , te betalen een bedrag van € 25.000,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 27 december 2025 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (te weten de materiële schade); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor het feit
de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] aan de staat
€ 25.000,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 27 december 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal
141 (honderdeenenveertig) dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

9.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. P. Joele, voorzitter,
en mrs. W.J.M. Diekman en J. Langeveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.M. Turfboer, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 25 juni 2026.
De oudste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier [dossiernaam] .
2.Verklaard tijdens de zitting van 11 juni 2026.
3.p. 1 e.v.
4.p. 207 e.v.