ECLI:NL:RBROT:2026:7760

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
10-312943-25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte wegens onvoldoende bewijs betrokkenheid bij schietpartij

Op 23 december 2025 vond een schietpartij plaats aan de Gildenweg in Gorinchem waarbij twee mannen betrokken waren. De officier van justitie beschuldigde verdachte van medeplegen van poging moord, met een gevangenisstraf van 10 jaar als eis.

De rechtbank onderzocht of het buiten redelijke twijfel vaststond dat verdachte de schutter (man 2) was. Diverse aanwijzingen uit het dossier, waaronder verklaringen van aangever en getuigen, politiebevindingen en camerabeelden, werden beoordeeld. De aangever herkende verdachte als man 2, maar deze informatie was onvoldoende onderscheidend en liet ruimte voor alternatieve scenario’s.

Getuigenverklaringen en politieanalyse van gezichts- en postuurkenmerken boden geen sluitend bewijs. MMA-meldingen en de zelfmelding van verdachte op het politiebureau waren niet doorslaggevend. De rechtbank concludeerde dat het bewijs onvoldoende was om verdachte als schutter aan te merken.

Daarom verklaarde de rechtbank de tenlastelegging niet bewezen en sprak verdachte vrij van betrokkenheid bij de schietpartij.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat hij de schutter was bij de schietpartij.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-312943-25
Datum uitspraak: 24 juni 2026
Datum zitting: 10 juni 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats]
ingeschreven op het adres [adres 1] [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. H. Raza
Officier van justitie: mr. C.T. den Uil
Advocaat van het slachtoffer [slachtoffer] : mr. J.V. van Blitterswijk
Kern van het vonnis
De verdachte wordt vrijgesproken van betrokkenheid bij een schietpartij die op 23 december 2025 heeft plaatsgevonden, omdat de rechtbank niet buiten redelijke twijfel kan vaststellen dat de verdachte (één van) de schutter(s) is geweest.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte – samengevat – van het medeplegen van een poging moord en subsidiair van het medeplegen van een poging doodslag.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:
hij op of omstreeks 23 september 2025 te Gorinchem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven met een vuurwapen een of meer kogels heeft afgevuurd op, althans in de richting van, die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de primaire variant van de beschuldiging (medeplegen poging moord) tot een gevangenisstraf van 10 jaar.

3.Vrijspraak

De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 23 december 2025 heeft er een schietpartij plaatsgevonden aan de Gildenweg in Gorinchem. Bij de schietpartij zijn in ieder geval twee mannen betrokken geweest:
  • een man gekleed in een beige of grijze trui en een blauwe broek (hierna: man 1);
  • een man met een forser postuur dan man 1, gekleed in een donkerblauwe jas met capuchon die hij over zijn hoofd droeg en een donkerblauwe broek (hierna: man 2).
Door man 2 is twee keer geschoten op en/of in de richting van het slachtoffer [slachtoffer] .
De officier van justitie wijst man 1 aan als de medeverdachte [medeverdachte] en man 2 als de verdachte. Hij baseert zich daarbij op de volgende informatie uit het dossier:
  • de verklaring van aangever [aangever] ; man 1 is [medeverdachte] en man 2 is diens neef. Ik ken hem als [verdachte] ;
  • de politiebevindingen; in de telefoon van [medeverdachte] staat een contact met de naam ‘ [naam 1] ’ met als bijbehorend telefoonnummer [telefoonnummer] ;
  • de politiebevindingen: het is de politie ambtshalve bekend dat de voornaam [naam 2] vaak als roepnaam ‘ [naam 3] ’ heeft;
  • de politiebevindingen; politieambtenaren hebben op 18 januari 2025 telefonisch contact gehad met de verdachte via telefoonnummer [telefoonnummer] over een huurcontract;
  • de politiebevindingen; de dag na de schietpartij heeft [medeverdachte] (in tegenstelling tot de periode daarvoor) veelvuldig telefonisch contact gehad met [broer verdachte] , de broer van de verdachte;
  • de politiebevindingen; [broer verdachte] en [verdachte] zijn neven van [medeverdachte] ;
  • de politiebevindingen; de vorm van het gezicht van [broer verdachte] komt niet overeen met de vorm van het gezicht van man 2. De vorm van het gezicht van de verdachte en zijn postuur komen wel overeen met de vorm van het gezicht en het postuur van man 2;
  • MMA-meldingen naar aanleiding van getoonde camerabeelden van de man met de capuchon/schutter 2; informatie waaruit uit volgt dat de getoonde man [verdachte] heet en als woonadres [adres 2] Gorinchem heeft en informatie waaruit volgt dat onder andere [verdachte] betrokken was bij de schietpartij;
  • de zelfmelding van de verdachte;
  • de verklaring van getuige [getuige] ; [broer verdachte] is niet man 2.
De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij op niemand heeft geschoten.
De rechtbank ziet zich bij deze stand van zaken voor de volgende vraag gesteld. Staat het buiten redelijke twijfel vast dat man 2 de verdachte is? Zij overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank herkent de verdachte niet door eigen waarneming als man 2 op de op de zitting getoonde camerabeelden. Zij is voor de beantwoording van de in dit vonnis centraal staande vraag dus aangewezen op het dossier. In het dossier zitten meerdere aanwijzingen voor de mogelijke betrokkenheid van de verdachte bij de schietpartij als man 2, zoals deze ook door de officier van justitie naar voren zijn gebracht. De rechtbank zal deze bespreken.
De aangever [aangever] heeft verklaard dat man 1 de medeverdachte [medeverdachte] betreft, dat man 2 de neef van die [medeverdachte] is en dat de bijnaam van man 2 [verdachte] is. Deze informatie is onvoldoende onderscheidend om op basis daarvan te kunnen vaststellen dat de verdachte man 2 is. De informatie laat ruimte voor andere scenario’s, zoals bijvoorbeeld dat een andere neef van [medeverdachte] is bedoeld. Immers, niet staat vast dat de bijnaam van de verdachte [verdachte] is en evenmin of [medeverdachte] naast de verdachte en zijn broer nog meer neven heeft. Dat het telefoonnummer [telefoonnummer] in de telefoon van de aangever als ‘ [naam 1] ’ is opgeslagen en dat de politie in januari 2025 via dit telefoonnummer contact zou hebben gehad met de verdachte over een huurauto, levert nu de verdachte inderdaad de neef is van de medeverdachte [medeverdachte] geen enkel aanvullend bewijs op voor de stelling van de officier van justitie dat de verdachte man 2 is.
De getuige [getuige] , de broer van aangever die aanwezig was tijdens de schietpartij, heeft verklaard dat hij de twee mannen tijdens de schietpartij niet heeft herkend. Hij heeft later gehoord dat man 1 [medeverdachte] zou zijn en man 2 een neef van deze [medeverdachte] zou zijn. Dit betreft kennis die achteraf is verkregen en dat maakt deze informatie niet redengevend voor het bewijs. Zijn verklaring dat [broer verdachte] , de broer van de verdachte, niet man 2 is leidt evenmin tot de conclusie dat man 2 dan wel de verdachte moet zijn.
De politie heeft beschreven dat de broer van de verdachte, [broer verdachte] , gezien de vorm van het gezicht niet overeenkomt met de beelden van het schietincident waarop man 2 is te zien. De verdachte komt, aldus de politie, gezien de vorm van zijn gezicht en zijn postuur wel overeen met de still van het beeld van man 2 in de beelden van het schietincident. Dit kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een herkenning van de verdachte als man 2. Hiervoor is meer nodig, zoals bijvoorbeeld een beschrijving door de politie op basis van welke (gezichts)kenmerken de politie de verdachte als man 2 op de beelden herkent.
Het voorgaande wordt niet anders door de in het dossier opgenomen MMA-meldingen. Nog daargelaten dat deze meldingen niet als zelfstandig bewijs kunnen worden gebruikt, geldt dat er maar één melding is die de man op het getoonde beeld als [verdachte] woonachtig op [straat] in Gorinchem herkent en dat er daarnaast ook MMA-meldingen zijn die wijzen op andere bij de schietpartij betrokken personen dan de verdachte.
De omstandigheid dat de verdachte zich op het bureau heeft gemeld met de vraag of hij wordt gezocht omdat hij dit van anderen heeft vernomen, is niet redengevend voor het antwoord op de vraag of man 2 de verdachte is.
De rechtbank kan de vraag - of buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat de verdachte man 2 is - bij deze stand van zaken niet anders dan met nee beantwoorden. De in het dossier opgenomen bewijsmiddelen, zoals deze door de officier van justitie naar voren zijn gebracht, bieden noch afzonderlijk noch in onderling verband voldoende bewijs voor de vaststelling dat de verdachte als man 2 betrokken is geweest bij de schietpartij. De beschuldiging is dus niet bewezen. De verdachte wordt vrijgesproken.

4.Beslissing

De rechtbank:
verklaart
niet bewezendat de verdachte het feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

5.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. C. Sikkel, voorzitter,
en mrs. J.F. Koekebakker en J.C. Rous, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. Soeteman, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 24 juni 2026.