ECLI:NL:RBROT:2026:7768

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
10-144488-21
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Medeplichtigheid aan hennepteelt en diefstal elektriciteit met forse termijnoverschrijding

De verdachte stelde zijn woning ter beschikking aan zijn halfbroer, die daar een hennepkwekerij exploiteerde en illegaal elektriciteit aftapte. De rechtbank verklaarde bewezen dat de verdachte medeplichtig was aan zowel de hennepteelt als de diefstal van elektriciteit door het pand beschikbaar te stellen en dit te hebben toegestaan.

De officier van justitie eiste een taakstraf van 240 uur, maar de verdediging verwees naar de overschrijding van de redelijke termijn en de rol van de verdachte als medeplichtige, wat een voorwaardelijke taakstraf passend maakte. De rechtbank oordeelde dat de hennepteelt schadelijke gevolgen heeft voor de gezondheid en de omgeving, en dat de diefstal van elektriciteit schade en overlast veroorzaakte.

Gezien de bijna zes jaar overschrijding van de redelijke termijn legde de rechtbank een geheel voorwaardelijke taakstraf van 180 uur op met een proeftijd van één jaar. Vervangende hechtenis van 90 dagen is opgelegd voor het geval de taakstraf niet wordt uitgevoerd. Het strafblad van de verdachte bevatte geen eerdere onherroepelijke veroordelingen.

De straf is lager dan gebruikelijk vanwege de termijnoverschrijding. De rechtbank baseerde haar oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van de verdachte en politieprocessen-verbaal. Het vonnis werd uitgesproken door een meervoudige kamer van de Rechtbank Rotterdam op 12 juni 2026.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van 180 uur met een proeftijd van één jaar wegens medeplichtigheid aan hennepteelt en diefstal van elektriciteit.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-144488-21
Datum uitspraak: 12 juni 2026
Datum zitting: 29 mei 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1969 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres 1] [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. R. Haze
Officier van justitie: mr. T. van den Bergh
Kern van het vonnis
De verdachte heeft zijn woning ter beschikking gesteld aan zijn halfbroer en toegestaan dat die daar een hennepkwekerij heeft geëxploiteerd en de benodigde elektriciteit illegaal heeft afgetapt. De verdachte wordt als medeplichtige aan hennepteelt en diefstal van elektriciteit veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van 180 uur met een proeftijd van 1 jaar. De straf is lager dan straffen die doorgaans voor dit soort feiten worden opgelegd. Dat komt door de forse overschrijding van de redelijke termijn.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij medeplichtig is geweest aan hennepteelt en diefstal van elektriciteit. De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:
1
[medeverdachte] en/of een of meer onbekend gebleven personen in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot en met 16 juni 2020 te Vlaardingen met elkaar, althans één van hen, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan [adres 2] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 14,3 kilogram hennep en/of ongeveer 250 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,
tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot en met 16 juni 2020 te Vlaardingen, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen en/of behulpzaam te zijn bij de verzorging van en/of het knippen van de hennepplanten;
2
[medeverdachte] en/of een of meer onbekend gebleven personen in of omstreeks de
periode van 1 januari 2019 tot en met 16 juni 2020 te Vlaardingen, tezamen en in
vereniging met een of meer anderen, althans alleen, elektriciteit, in elk geval enig
goed dat geheel of ten dele aan [netbeheerder] , in elk geval aan een ander dan aan die [medeverdachte]
en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft door en/of dat weg te nemen goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven
verdachte in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot en met 16 juni 2020 te Vlaardingen, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die [medeverdachte] en/of onbekend gebleven persoon/personen een pand (gevestigd aan [adres 2] ) ter beschikking te stellen.

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor beide feiten.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van beide feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring
Bewezen is dat:
1
[medeverdachte] en/of een of meer onbekend gebleven
persoon/personen van 1 januari 2019 tot en met 16 juni 2020 te Vlaardingen met elkaar, althans één van hen, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan [adres 2] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 14,3 kilogram hennep en ongeveer 250 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot het plegen van welke misdrijven verdachte van 1 januari 2019 tot en met 16 juni 2020 te Vlaardingen, opzettelijk gelegenheid heeft verschaft, door aan die
[medeverdachte] en/of een of meeronbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;
2
[medeverdachte] van 1 januari 2019 tot en met 16 juni 2020 te Vlaardingen, elektriciteit,
dat aan [netbeheerder]
toebehoorde, dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking tot het plegen van welk misdrijf verdachte van 1 januari 2019 tot en met 16 juni 2020 te Vlaardingen, opzettelijk gelegenheid heeft verschaft, door aan die [medeverdachte] een pand (gevestigd aan [adres 2] ) ter beschikking te stellen.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
2.3.2.
Bewijsmiddelen [1]
1. Verklaring van de verdachte [2]
2. Proces-verbaal van de politie [3]
3. Proces-verbaal van de politie [4]
4. Schriftelijk stuk, Kadaster [5]

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1
medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod en medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.
Feit 2
medeplichtigheid aan diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.
3.2.
Strafbaarheid de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor beide feiten worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur.
4.2.
Standpunt van de verdediging
Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn en de rol van de verdachte als medeplichtige is een voorwaardelijke taakstraf hier passend.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
De verdachte heeft zijn woning aan zijn halfbroer ter beschikking gesteld en, toen hij daarvan zelf ook wist, toegestaan dat daar hennep werd geteeld. Hennepgebruik kan schadelijke gevolgen hebben voor de gezondheid van gebruikers. Daarnaast leidt de teelt van hennep veelal tot negatieve maatschappelijke effecten en overlast voor buurtbewoners met een serieus risico dat er brand uitbreekt. De hennepteelt in de woning van de verdachte is gepaard gegaan met diefstal van elektriciteit, wat schade en overlast heeft bezorgd aan de leverancier. De verdachte was ook van het illegale aftappen van elektriciteit op de hoogte en heeft dit toegestaan.
Strafblad
Uit het strafblad van 7 april 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Redelijke termijn
De redelijke termijn is met bijna 6 jaar overschreden. Deze overschrijding dient gecompenseerd te worden in de aard en de duur van de op te leggen straf.
De rechtbank legt alles afwegende een geheel voorwaardelijke taakstraf van 180 uur op.

5.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a 14b, 14c, 22c, 22d, 48, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

6.Beslissingen

De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf van 180 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht,
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
90 dagen;
bepaalt dat
de taakstrafvan
180 uurniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 1 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt.

7.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. N.R. Rietveld, voorzitter,
en mrs. J.C. Oord en C.G. van de Grampel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. Soeteman, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 12 juni 2026.
Mr. Rietveld is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers wordt gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier [dossiernaam] .
2.Verklaard tijdens de zitting van 29 mei 2026.
3.Pagina’s 185 tot en met 189 ( [proces-verbaalnummer 1] ).
4.Pagina’s 152 tot en met 184 ( [proces-verbaalnummer 2] ).
5.Pagina 287.