ECLI:NL:RBROT:2026:7790

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
ROT 26/4385
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18i WmlArt. 6:81 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bevel tot stillegging en openbaarmaking inspectiegegevens

De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen een besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot een bevel tot preventieve stillegging van werkzaamheden van verzoekster en tot openbaarmaking van inspectiegegevens.

De minister legde op 12 mei 2026 het bevel tot stillegging op voor twee maanden vanwege geconstateerde overtredingen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml) bij zes werknemers. Tevens werd bepaald dat inspectiegegevens openbaar worden gemaakt. Verzoekster betwist dit en verzocht om schorsing van het besluit.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen spoedeisend belang is bij het bevel tot stillegging, omdat verzoekster momenteel geen bedrijfsactiviteiten verricht en niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit op korte termijn zal veranderen. Ook ten aanzien van de openbaarmaking van inspectiegegevens is geen spoedeisend belang, nu de minister heeft toegezegd te wachten met openbaarmaking totdat op bezwaar is beslist.

Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan verzoekster vanwege het wachten met openbaarmaking.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het bevel tot stillegging en openbaarmaking van inspectiegegevens wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/4385

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [vestigingsplaats] , verzoekster

(gemachtigden: mr. L.P.R. Gelissen en mr. P. de Haas),
en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister

(gemachtigde: mr. M.M. de Lange).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een bevel tot preventieve stillegging van de werkzaamheden van eiseres en over een besluit tot openbaarmaking van inspectiegegevens. Verzoekster is het met deze besluitvorming niet eens en heeft daarom verzocht om een voorlopige voorziening.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 12 mei 2026 heeft de minister een bevel tot preventieve stillegging voor de duur van twee maanden opgelegd aan verzoekster en bepaald dat inspectiegegevens openbaar zullen worden gemaakt
.Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, gelijktijdig met twee andere verzoeken om een voorlopige voorziening [1] , op 18 juni 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] (bestuurder van [verzoeker] ) en de gemachtigden van partijen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat het om in deze zaak?

3. De Nederlandse arbeidsinspectie houdt toezicht op naleving van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). Aan [bedrijf 1] is op 9 mei 2023 een waarschuwing preventieve stillegging opgelegd. Daarbij is vermeld dat bij een volgende overtreding de werkzaamheden van het bedrijf kunnen worden stilgelegd. In het kader van administratief onderzoek hebben arbeidsinspecteurs op 19 december 2024 een onderzoek opgestart bij verzoekster. Naar aanleiding hiervan is op 12 februari 2026 een boeterapport opgemaakt. Hierin staat dat ten aanzien van zes werknemers overtredingen van de Wml zijn geconstateerd. Omdat volgens de minister sprake is van “rechtsopvolging” dient in dit geval, na de waarschuwing preventieve stillegging aan [bedrijf 1] , een bevel tot preventieve stillegging aan verzoekster te worden opgelegd. Met het bestreden besluit heeft de minister bepaald dat de werkzaamheden van het bedrijf voor de duur van twee maanden dienen te worden stilgelegd. [2] Daarnaast heeft de minister bepaald dat de inspectiegegevens openbaar worden gemaakt. Verzoekster wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat het bestreden besluit wordt geschorst totdat is beslist op het bezwaar.
Heeft verzoekster een spoedeisend belang?
4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. [3] Er moet dus voldoende spoedeisend belang zijn.
5. De minister heeft het spoedeisend belang ten aanzien van het bevel tot preventieve stillegging betwist. Volgens de minister is momenteel bij verzoekster geen sprake van bedrijfsactiviteiten, omdat alle werknemers van verzoekster inmiddels feitelijk werkzaam zijn voor [bedrijf 2] Dit is volgens de minister gebleken uit een bedrijfsbezoek bij [bedrijf 3] op 15 juni 2026. [bedrijf 3] was de enige opdrachtgever van verzoekster. Inmiddels doet [bedrijf 3] volgens de minister geen zaken meer met verzoekster maar alleen nog met [bedrijf 2] Daarnaast mag verzoekster volgens de minister niet meer actief zijn als uitzendbureau in de vleessector omdat het niet meer beschikt over het vereiste SNA-certificaat. De minister heeft er verder op gewezen dat op 16 juni 2026 een bevel tot preventieve stillegging is opgelegd aan [bedrijf 2] ten aanzien van werknemers die eerst voor verzoekster werkten en nu werkzaam zijn voor [bedrijf 2] Op de zitting heeft de voorzieningenrechter verzoekster gevraagd om een reactie op deze stellingen van de minister, voor zover die het spoedeisend belang van verzoekster betreffen. Verzoekster heeft toegelicht dat het de wens van [bedrijf 3] was het aantal uitzendbedrijven waarmee [bedrijf 3] zaken doet, te verminderen. Daarom is verzoekster, samen met twee andere uitzendbedrijven, samengegaan in [bedrijf 2] Verzoekster heeft toegelicht dat nog niet alle werknemers van verzoekster akkoord zijn gegaan met de overgang naar [bedrijf 2] Het kan daarom volgens verzoekster niet uitgesloten worden dat werknemers via verzoekster moeten worden doorgeleend aan [bedrijf 2] Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [verzoeker] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening. Verzoekster heeft niet betwist dat [bedrijf 3] geen zaken meer doet met verzoekster. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich daadwerkelijk de situatie van doorlening zal gaan voordoen. Onvoldoende aannemelijk is daarmee dat er op korte termijn sprake is van bedrijfsactiviteiten van verzoekster. De voorzieningenrechter kan daarom niet tot het oordeel komen dat verzoekster op dit moment een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening ten aanzien van het bevel tot stillegging.
6. Ten aanzien van de openbaarmaking van de inspectiegegevens overweegt de voorzieningenrechter dat de minister heeft verklaard bereid te zijn te wachten met het openbaar maken van de desbetreffende gegevens totdat is beslist op het bezwaar van verzoekster. Om deze reden heeft verzoekster geen spoedeisend belang bij het verzoek om een voorlopige voorziening op dit punt.

Conclusie en gevolgen

7. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.
8. Omdat de minister met het wachten met het openbaar maken aan verzoekster tegemoet is gekomen, bestaat aanleiding te bepalen dat de minister het door verzoekster betaalde griffierecht moet vergoeden en de minister te veroordelen in de proceskosten van verzoekster. [4] Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Bpb [5] als volgt vast (voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand). De voorzieningenrechter kent 1 punt toe voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor deelname aan de zitting. De waarde per punt bedraagt € 934,-. De wegingsfactor is 1. De rechtbank stelt de kosten daarmee vast op € 1.868,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 397,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.
De voorzieningenrechter is verhinderd te tekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.ROT 26/4498 en ROT 26/4739.
2.Zie artikel 18i, eerste en tweede lid, van de Wml.
3.Artikel 6:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
4.Met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb, dat ook van toepassing is op voorlopige voorzieningen-procedures, gelet op artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb.
5.Besluit proceskosten bestuursrecht.