ECLI:NL:RBROT:2026:7807

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
ROT 25/3267
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 ZWArt. 30 ZWArt. 63a ZWArt. 63c ZWArt. 8:64 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van waarschuwing UWV in kader van Ziektewet-uitkering na niet-nakomen re-integratieverplichtingen

Eiseres was ziekgemeld en ontving een Ziektewet-uitkering. Na het niet nakomen van afspraken in haar re-integratietraject legde het UWV haar een maatregel op die de uitkering met 25% verlaagde. Na bezwaar verving het UWV deze maatregel door een waarschuwing. Eiseres stelde beroep in tegen deze waarschuwing.

De rechtbank oordeelt dat het UWV terecht een waarschuwing heeft opgelegd, ondanks een motiveringsgebrek in het bestreden besluit. Dit gebrek passeert de rechtbank omdat eiseres niet benadeeld is en haar standpunt over de grondslag van de waarschuwing heeft kunnen toelichten. De rechtbank vindt dat eiseres verwijtbaar heeft gehandeld door niet tijdig afspraken na te komen, ondanks enige onduidelijkheid in communicatie.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor het bestreden besluit in stand blijft. Wel veroordeelt de rechtbank het UWV tot vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht en de proceskosten, berekend op basis van de proceshandelingen van haar gemachtigde.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de waarschuwing van het UWV wordt ongegrond verklaard, maar het UWV moet griffierecht en proceskosten vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 25/3267

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. N.M. Fakiri),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [naam 1]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan eiseres opgelegde waarschuwing in het kader van haar Ziektewet (ZW-)uitkering. Eiseres is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Wel krijgt eiseres een vergoeding van de gemaakte proceskosten en het griffierecht. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Met het primaire besluit van 30 september 2024 heeft het UWV aan eiseres een maatregel opgelegd en haar ZW-uitkering verlaagd met 25% voor de periode 25 september 2024 tot en met 24 januari 2025. Met het bestreden besluit van 24 maart 2025 heeft het UWV het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en in plaats van een maatregel een waarschuwing opgelegd.
4. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
5. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
6. Op 20 november 2025 heeft eiseres nadere gronden van beroep ingediend.
7. De rechtbank heeft het beroep gelijktijdig behandeld met twee andere beroepen van eiseres tegen het UWV [1] op 1 december 2025 in het kader van de pilot Wijkrechtspraak op Zuid op de locatie ‘[locatie 1]’ aan de [straatnaam] in [locatie 2]. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en namens het UWV [naam 2].
8. Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst om het UWV in de gelegenheid te stellen om uiterlijk 23 december 2025 te reageren op het aanvullend beroepschrift van 20 november 2025.
9. Op 23 december 2025 heeft het UWV om uitstel verzocht. De rechtbank heeft op 30 december 2025 uitstel verleend tot 13 januari 2026.
10. Op 22 januari 2026 heeft het UWV om uitstel verzocht. De rechtbank heeft het UWV op 29 januari 2026 verzocht om uiterlijk 12 februari 2026 alsnog te reageren.
11. Op 11 februari 2026 heeft het UWV schriftelijk gereageerd.
12. Op 6 april 2026 heeft eiseres een schriftelijke reactie ingediend.
13. Nadat geen van partijen heeft aangegeven op een nadere zitting te willen worden gehoord, heeft de rechtbank het onderzoek op 10 april 2026 gesloten. [2]

Beoordeling door de rechtbank

Wat is er gebeurd?

14. Eiseres is op 10 juli 2023 ziekgemeld bij [bedrijf] (de ex-werkgever). Vanaf 6 september 2023 ontvangt eiseres een ZW-uitkering. Met betrekking tot de re-integratie van eiseres is een plan van aanpak opgesteld. Eiseres wordt in haar spoor 2-traject begeleid en moet aan de re-integratie meewerken. Omdat eiseres eerdere afspraken met de re-integratieconsulente (op 25 en 30 juli 2024) had afgezegd en geen nieuwe afspraak had gemaakt voor een gesprek en het maken van opdrachten, is de ZW-uitkering van eiseres per 20 september 2024 geschorst. Nadat eiseres op 23 september 2024 de gevraagde testen heeft gemaakt, is de schorsing opgeheven en is een aanvraag voor een maatregel ingediend bij het UWV. Het UWV heeft vervolgens met het primaire besluit een maatregel opgelegd en de ZW-uitkering van eiseres verlaagd met 25% voor de periode van 25 september 2024 tot en met 24 januari 2025. Met het bestreden besluit heeft het UWV afgezien van deze maatregel. In plaats daarvan heeft het UWV eiseres een waarschuwing gegeven. De verlaging van de uitkering stond niet in verhouding tot wat eiseres werd verweten (het niet op tijd nakomen van de afspraak om een cv in te leveren en een digitale opdracht te maken voor de re-integratie).
Waar gaat het in deze zaak om?
15. De rechtbank beoordeelt of het UWV een waarschuwing heeft mogen opleggen, dit beoordeelt zij aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling door de rechtbank
16. De rechtbank overweegt allereerst dat met de toelichting op zitting pas afdoende is gemotiveerd wat de precieze grondslag voor de waarschuwing is geweest, namelijk het niet nakomen van de verplichting genoemd in artikel 45, eerste lid, onder p, van de ZW. Het bestreden besluit bevat daarmee in zoverre een motiveringsgebrek. De rechtbank passeert dit gebrek [3] omdat eenzelfde soort besluit zou zijn genomen als dit gebrek zich niet had voorgedaan en omdat eiseres in beroep haar standpunt ten aanzien van de grondslag naar voren heeft kunnen brengen. Eiseres is daarmee niet benadeeld. Gelet op het geconstateerde gebrek bestaat wel aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Hier zal de rechtbank later in de uitspraak op terugkomen.
17. De rechtbank is van oordeel dat het UWV, gelet op de relevante feiten en omstandigheden, heeft mogen overgaan tot het opleggen van een waarschuwing. Het is niet gebleken dat is uitgegaan van een eenzijdig feitencomplex weergegeven door de casemanager. Het maken van een afspraak met de re-integratieconsulente is onderdeel geweest van het plan van aanpak voor de re-integratie. De rechtbank volgt eiseres niet in de stelling dat haar geen verwijt kan worden gemaakt voor het niet tijdig nakomen van de verplichtingen voor de re-integratie (het inleveren van een cv en het doen van opdrachten). De communicatie met de casemanager was weliswaar niet altijd even duidelijk in de e-mailwisselingen, toch heeft het UWV zich in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat eiseres in ieder geval deels een verwijt kan worden gemaakt van het niet tijdig nakomen van gemaakte afspraken. De rechtbank betrekt daarbij nog de omstandigheid dat de eerste afspraak oorspronkelijk was gepland op 25 juli 2024 en dat eiseres uiteindelijk de gevraagde opdrachten op 23 september 2024 heeft gemaakt. Het is niet zo dat er in het geheel geen contact is geweest tussen eiseres en de re-integratieconsulente. Eiseres was per e-mail bereikbaar en heeft in de periode juli tot en met september 2024 diverse keren e-mailcontact gehad met betrekking tot de opdrachten. Eiseres heeft op 19 september 2024 laten weten dat ze de betreffende opdracht via Teams kon maken. De re-integratieconsulente heeft vervolgens voorgesteld om een afspraak te maken voor de dag erna, op 20 september 2024. Daarnaast is eiseres er op 18 september 2024 per e-mailbericht op gewezen dat zij uiterlijk 20 september 2024 contact moest opnemen met de re-integratieconsulente. Die geplande afspraak kon vervolgens niet doorgaan, omdat eiseres op 20 september 2024 pas later dan de voorgestelde tijd tussen 13:00 en 15:00 heeft gereageerd. Eiseres heeft weliswaar per e-mail gereageerd op berichten van de re-integratieconsulente en de casemanager, zij was verder niet telefonisch bereikbaar. Eiseres is in het kader van de re-integratie wel verplicht om mee te werken en dient daarbij ook telefonisch bereikbaar te zijn.

Conclusie en gevolgen

18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
19. Gelet op het onder 16 geconstateerde gebrek in het bestreden besluit draagt de rechtbank het UWV op om het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden. Ook moet het UWV de door eiseres gemaakte proceskosten vergoeden. De vergoeding voor de proceskosten is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
- bepaalt dat het UWV de proceskosten tot een bedrag van € 1.868,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Ziektewet
Artikel 30
1. De zieke werknemer is verplicht:
a. passende arbeid te verrichten indien hij daartoe in de gelegenheid wordt gesteld;
b. in voldoende mate te trachten passende arbeid te verkrijgen; en
c. geen eisen te stellen in verband met door hem te verrichten arbeid die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.
2. Weigert de werknemer die aanspraak maakt op ziekengeld zonder deugdelijke grond de arbeid, bedoeld in het eerste lid, te verrichten, dan wordt het loon dat hij zou hebben ontvangen indien hij deze arbeid wel verricht had, beschouwd als inkomen als bedoeld in artikel 31, eerste lid.
3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan de in het eerste lid bedoelde werknemer verplichten zich als werkzoekende te laten registreren en die registratie tijdig te doen verlengen, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 30b van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
4. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de door hem daartoe aangewezen deskundige kunnen degene aan wie ziekengeld is toegekend voorschriften geven in het belang van een behandeling of van genezing dan wel voorzover dit voortvloeit uit de taak, bedoeld in artikel 30 van Pro de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, tot behoud, herstel en bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid.
5. Onder passende arbeid als bedoeld in het eerste lid wordt, gedurende de eerste periode van zes maanden waarin recht bestaat op ziekengeld, verstaan arbeid die aansluit bij de arbeid waaruit de werknemer ziek is geworden. Na deze periode van zes maanden is alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de werknemer is berekend, passend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd. Niet als passend wordt beschouwd arbeid op grond van een dienstbetrekking als bedoeld in hoofdstuk 2 of 3 van de Wet sociale werkvoorziening of arbeid op grond waarvan men niet als werknemer in de zin van de Werkloosheidswet wordt aangemerkt. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent het begrip passende arbeid, waarbij tevens wordt bepaald op welke wijze wordt vastgesteld of arbeid aansluit bij de arbeid waaruit de werknemer ziek is geworden, alsmede in welke gevallen een periode waarin een recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet bestaat, wordt meegeteld bij de vaststelling van de periode, bedoeld in de eerste zin.
Artikel 45
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen weigert het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend:
(…)
p. indien de belanghebbende de verplichtingen die zijn opgenomen in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, of in het re-integratieplan, bedoeld in artikel 30a, zesde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen tenzij de belanghebbende de in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet bedoelde leeftijd heeft bereikt;
(…)
3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 31, eerste lid, 38, tweede lid, derde zin, of 49, indien het niet tijdig nakomen van de verplichting niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, of ter zake van het zich niet houden aan een voorschrift als bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel b, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.
Artikel 63a
1. De eigenrisicodrager verricht met betrekking tot de personen, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, die laatstelijk tot hem in dienstbetrekking stonden, de werkzaamheden ter zake van de voorbereiding van besluiten op grond van deze wet inzake uitkeringen, met uitzondering van besluiten op grond van artikel 45a en besluiten op grond van bezwaar of beroep. De eigenrisicodrager begeleidt de personen, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, die laatstelijk tot hem in dienstbetrekking stonden, bij gebleken ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte als zou hij in een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot de eigenrisicodrager staan, met toepassing van artikel 26, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen dan wel artikel 71b, derde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
2. Bij de uitvoering van het eerste lid treedt de eigenrisicodrager voor de toepassing van de artikelen 28, eerste lid, 29g, tweede lid, 30, derde lid, 37, eerste lid, en 39, eerste en tweede lid, in de plaats van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. De eerste zin blijft buiten toepassing voorzover noodzakelijk voor het verrichten van werkzaamheden op grond van het vierde of vijfde lid door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
(…)
Artikel 63c
1. De eigenrisicodrager laat zich ter zake van de begeleiding bij gebleken ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte van de personen, bedoeld in artikel 63a, eerste lid, tweede zin, bijstaan door een bedrijfsarts of arbodienst. Hetgeen bij of krachtens de artikelen 14, tweede, vierde tot en met elfde, en vijftiende lid, 14a, 16, eerste lid, tweede lid, onderdeel b, vierde lid, onderdeel b, en tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet is bepaald met betrekking tot de bedrijfsarts of arbodienst is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor «werkgever» wordt gelezen «de eigenrisicodrager» en voor «werknemer» «de persoon, bedoeld in artikel 63a, eerste lid, tweede zin, van de Ziektewet» en dat de verplichting tot schriftelijke vastlegging door of vanwege een overeenkomst, bedoeld in artikel 14, vierde en vijfde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, slechts betrekking heeft op de taak, bedoeld in de eerste zin.
(…)

Voetnoten

1.ROT 25/5856 en ROT 25/7017
2.Met toepassing van de artikelen 8:64, vijfde lid en 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb.