ECLI:NL:RBROT:2026:7808

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
ROT 25/5856
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29g ZWArt. 30 ZWArt. 45 ZWArt. 63a Maatregelenbesluit socialezekerheidswettenArt. 2 Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling maatregel verlaging Ziektewet-uitkering wegens niet nakomen re-integratieverplichtingen

Eiseres is sinds 10 juli 2023 ziekgemeld en ontvangt vanaf 6 september 2023 een Ziektewet-uitkering. Na een beoordeling door de bedrijfsarts op 28 november 2024 zijn afspraken gemaakt over het vinden van passend werk of vrijwilligerswerk vóór 1 januari 2025. Eiseres hield zich niet aan deze afspraken, ondanks meerdere contactpogingen van de casemanager en een waarschuwing op 21 januari 2025.

Het UWV legde daarom een maatregel op waarbij de Ziektewet-uitkering van eiseres met 25% werd verlaagd voor de periode van 6 februari tot en met 6 juni 2025. Eiseres maakte bezwaar en stelde dat zij onvoldoende gelegenheid had gekregen om haar situatie toe te lichten, dat zij door het UWV en werkgever werd tegengewerkt en dat de vastgestelde belastbaarheid niet overeenkwam met haar medische informatie.

De rechtbank oordeelt dat het UWV terecht de maatregel heeft opgelegd. De afspraken over re-integratie waren duidelijk en eiseres heeft zich niet aan deze verplichtingen gehouden. De stelling dat zij de bevindingen van de externe verzekeringsarts niet heeft ontvangen, leidt niet tot een ander oordeel. De maatregel blijft daarom in stand en het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de maatregel verlaging Ziektewet-uitkering wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/5856

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. N.M. Fakiri),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [naam 1] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan eiseres opgelegde maatregel in het kader van haar Ziektewet (ZW-)uitkering. Eiseres is het hier niet eens en heeft beroep ingesteld.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Met het primaire besluit van 19 februari 2025 heeft het UWV aan eiseres een maatregel opgelegd en haar ZW-uitkering met 25% verlaagd van 6 februari tot en met 6 juni 2025. Met het bestreden besluit van 3 juli 2025 heeft het UWV het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
4. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
5. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
6. Op 20 november 2025 heeft eiseres nadere gronden van beroep ingediend.
7. De rechtbank heeft het beroep gelijktijdig behandeld met twee andere beroepen van eiseres tegen het UWV [1] op 1 december 2025 in het kader van de pilot Wijkrechtspraak op Zuid op de locatie ‘ [locatie 1] ’ aan de [straatnaam] in [locatie 2] . Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en namens het UWV [naam 2] .
8. Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst om het UWV in de gelegenheid te stellen om uiterlijk 23 december 2025 te reageren op het aanvullend beroepschrift van 20 november 2025.
9. Op 23 december 2025 heeft het UWV om uitstel verzocht. De rechtbank heeft op 30 december 2025 uitstel verleend tot 13 januari 2026.
10. Op 22 januari 2026 heeft het UWV om uitstel verzocht. De rechtbank heeft het UWV op 29 januari 2026 verzocht om uiterlijk 12 februari 2026 alsnog te reageren.
11. Op 12 februari 2026 heeft het UWV schriftelijk gereageerd.
12. Op 1 maart 2026 heeft eiseres een schriftelijke reactie ingediend.
13. Nadat geen van partijen heeft aangegeven op een nadere zitting te willen worden gehoord, heeft de rechtbank het onderzoek op 10 april 2026 gesloten. [2]

Beoordeling door de rechtbank

Wat is er gebeurd?

14. Eiseres is op 10 juli 2023 ziekgemeld bij [bedrijf] (de ex-werkgever). Vanaf 6 september 2023 ontvangt eiseres een ZW-uitkering. Met betrekking tot de re-integratie heeft een bedrijfsarts op 28 november 2024 de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres beoordeeld. Naar aanleiding hiervan heeft eiseres een gesprek met een casemanager gehad en is onder meer afgesproken dat zij vóór 1 januari 2025 passend werk of vrijwilligerswerk zou vinden en dat eiseres begin januari 2025 contact zou hebben met de casemanager voor een evaluatie. Eiseres was niet beschikbaar voor dit contact. Er is meerdere malen geprobeerd contact te leggen door de casemanager. Op 21 januari 2025 is er contact geweest en geconstateerd dat eiseres zich niet aan de re-integratieafspraken heeft gehouden, waarop een waarschuwing is gegeven met een nieuwe belafspraak op 6 februari 2025. Nadat eiseres zich niet aan haar verplichtingen en afspraken heeft gehouden, heeft het UWV een maatregel opgelegd. Met het primaire besluit (wat in het bestreden besluit in stand is gebleven) heeft het UWV de ZW-uitkering van eiseres met 25% verlaagd voor de periode 6 februari 2025 tot en met 6 juni 2025. De ZW-uitkering van eiseres is per 13 mei 2025 beëindigd, waardoor de maatregel niet volledig is geëffectueerd.
Waar gaat het in deze zaken om?
15. De rechtbank beoordeelt of het UWV de maatregel aan eiseres heeft mogen opleggen omdat zij niet op tijd passend werk of vrijwilligerswerk heeft gevonden. Deze beoordeling wordt gedaan aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
16. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de maatregel ten onrechte is opgelegd. Eiseres werd constant gebeld en per e-mail benaderd waardoor zij onvoldoende energie overhield om zich in te kunnen zetten voor re-integratie. Zij heeft daarnaast niet de gelegenheid gekregen om uitleg te geven waarom zij niet op tijd passende arbeid of vrijwilligerswerk heeft gevonden. De door de bedrijfsarts vastgestelde belastbaarheid in de functionele mogelijkhedenlijst is niet verder toegelicht. Deze belastbaarheid komt niet overeen met de door eiseres ingebrachte medische informatie. Om die reden komt de door het UWV genomen beslissing niet overeen met de feitelijke situatie. Daarnaast heeft het UWV de terugkoppeling van de externe verzekeringsarts niet overgelegd. Deze verzekeringsarts heeft tegen eiseres gezegd dat zij de komende zes maanden niet kan re-integreren. Door de werkgever en het UWV wordt eiseres de bevindingen van de externe verzekeringsarts onthouden, zodat in strijd met het fair playbeginsel is gehandeld.
17. De rechtbank is van oordeel dat het UWV terecht een maatregel aan eiseres heeft opgelegd vanwege het niet nakomen van gemaakte afspraken voor het vinden van passend werk of vrijwilligerswerk in het kader van haar re-integratie. In een vervolgconsult van de bedrijfsarts van 28 november 2024 is vastgesteld dat eiseres kon integreren in passend werk voor drie maal twee uur per week, met elke twee weken een ophoging tot vijf maal twee uur per week en daarna elke twee weken per werkdag één uur erbij tot aan het volledig aantal uren. Daarbij moest rekening worden gehouden met de beperkingen van eiseres. De casemanager [naam 3] heeft dit besproken met eiseres op 5 december 2024, waarbij ook is aangegeven dat zij dus op zoek moet naar passend werk of vrijwilligerswerk. De rechtbank heeft geen aanleiding om hieraan te twijfelen. De casemanager heeft daarbij opgemerkt dat vrijwilligerswerk de meest laagdrempelige optie was, omdat dit de minste druk oplevert. Voor zover eiseres het niet eens was met de opgelegde re-integratieverplichtingen, had zij een deskundigenoordeel kunnen aanvragen. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van eiseres dat bij de einde wachttijd door het UWV is vastgesteld dat zij volledig arbeidsongeschikt is, omdat daarvoor een ander beoordelingskader geldt dan voor de re-integratie op grond van de ZW. De casemanager en eiseres hebben afgesproken dat eiseres er zorg voor diende te dragen dat zij voor 1 januari 2025 passend werk of vrijwilligerswerk zou vinden. Uit een e-mailbericht van 15 januari 2025 blijkt dat de casemanager eiseres heeft geprobeerd te bereiken om de stand van zaken en voortgang te bespreken. Op 21 januari 2025 heeft eiseres contact gehad met de casemanager en aangegeven dat zij geen actie heeft ondernomen, waarna zij een waarschuwing kreeg en een nieuwe afspraak is gemaakt om voor 1 februari 2025 passend werk of vrijwilligerswerk te vinden. De rechtbank is van oordeel dat de enkele betwisting hiervan door eiseres niet wegneemt dat eerder al een afspraak was gemaakt, namelijk de afspraak dat eiseres voor 1 januari 2025 passend werk dan wel vrijwilligerswerk zou vinden. Uit wat in beroep is aangevoerd, blijkt dat eiseres wel heeft gezocht naar vacatures. Zo wordt in een overgelegd e-mailbericht van 29 januari 2025 gesproken over vrijwilligersvacatures. Dit neemt echter niet weg dat eiseres zich niet aan de gemaakte afspraak heeft gehouden om voor 1 januari 2025 en vervolgens voor 1 februari 2025 passend werk of vrijwilligerswerk te vinden. Eiseres was hierbij op sommige momenten wel en op sommige momenten niet bereikbaar voor het UWV. Eiseres is in het kader van de re-integratie verplicht om mee te werken en dient daarbij dan ook (telefonisch) bereikbaar te zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van strijd met het fair playbeginsel, omdat eiseres met de stelling dat zij de bevindingen van de externe verzekeringsarts niet heeft ontvangen niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake zou zijn geweest van vooringenomenheid en dat het bestreden besluit op onjuiste gronden zou zijn genomen. Het UWV heeft de genoemde maatregel aan eiseres mogen opleggen, omdat haar een verwijt kan worden gemaakt van het zich niet houden aan de gemaakte re-integratieafspraken.

Conclusie en gevolgen

18. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep van eiseres ongegrond verklaren. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Ziektewet
Artikel 29g
1. De verzekerde die ziekengeld ontvangt is verplicht in voldoende mate te trachten mogelijkheden tot het verrichten van passende arbeid te behouden of te verkrijgen.
2. Ter naleving van de plicht, bedoeld in het eerste lid, is de verzekerde die ziekengeld ontvangt in elk geval verplicht:
a. zich geneeskundig te laten behandelen of aanwijzingen van een arts op te volgen indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het re-integratiebedrijf in opdracht van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, daartoe opdracht geeft en zijn genezing niet te belemmeren;
b. mee te werken aan activiteiten of werkzaamheden, gericht op zijn inschakeling in de arbeid, die het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wenselijk acht voor verkrijging van mogelijkheden tot verrichten van passende arbeid;
c. mee te werken aan aanpassing van de arbeidsplaats en aan persoonsgebonden voorzieningen die het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verstrekt voor verkrijging van mogelijkheden tot het verrichten van passende arbeid en zo nodig trachten die aanpassing en die voorzieningen te verkrijgen;
d. mee te werken aan het opstellen van het plan van aanpak, bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, en het re-integratieplan, bedoeld in artikel 30a, zesde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
e. te voldoen aan verplichtingen die zijn opgenomen in het plan van aanpak en het re-integratieplan, bedoeld in onderdeel d.
Artikel 30
1. De zieke werknemer is verplicht:
a. passende arbeid te verrichten indien hij daartoe in de gelegenheid wordt gesteld;
b. in voldoende mate te trachten passende arbeid te verkrijgen; en
c. geen eisen te stellen in verband met door hem te verrichten arbeid die het aanvaarden of verkrijgen van passende arbeid belemmeren.
2. Weigert de werknemer die aanspraak maakt op ziekengeld zonder deugdelijke grond de arbeid, bedoeld in het eerste lid, te verrichten, dan wordt het loon dat hij zou hebben ontvangen indien hij deze arbeid wel verricht had, beschouwd als inkomen als bedoeld in artikel 31, eerste lid.
3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan de in het eerste lid bedoelde werknemer verplichten zich als werkzoekende te laten registreren en die registratie tijdig te doen verlengen, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 30b van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
4. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de door hem daartoe aangewezen deskundige kunnen degene aan wie ziekengeld is toegekend voorschriften geven in het belang van een behandeling of van genezing dan wel voorzover dit voortvloeit uit de taak, bedoeld in artikel 30 van Pro de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, tot behoud, herstel en bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid.
5. Onder passende arbeid als bedoeld in het eerste lid wordt, gedurende de eerste periode van zes maanden waarin recht bestaat op ziekengeld, verstaan arbeid die aansluit bij de arbeid waaruit de werknemer ziek is geworden. Na deze periode van zes maanden is alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de werknemer is berekend, passend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd. Niet als passend wordt beschouwd arbeid op grond van een dienstbetrekking als bedoeld in hoofdstuk 2 of 3 van de Wet sociale werkvoorziening of arbeid op grond waarvan men niet als werknemer in de zin van de Werkloosheidswet wordt aangemerkt. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent het begrip passende arbeid, waarbij tevens wordt bepaald op welke wijze wordt vastgesteld of arbeid aansluit bij de arbeid waaruit de werknemer ziek is geworden, alsmede in welke gevallen een periode waarin een recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet bestaat, wordt meegeteld bij de vaststelling van de periode, bedoeld in de eerste zin.
Artikel 45
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen weigert het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend:
(…)
k. indien de verzekerde een hem op grond van de artikelen 29g of 30 opgelegde verplichting niet nakomt, tenzij artikel 30, tweede lid, van toepassing is;
(…)
Artikel 63a
1. De eigenrisicodrager verricht met betrekking tot de personen, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, die laatstelijk tot hem in dienstbetrekking stonden, de werkzaamheden ter zake van de voorbereiding van besluiten op grond van deze wet inzake uitkeringen, met uitzondering van besluiten op grond van artikel 45a en besluiten op grond van bezwaar of beroep. De eigenrisicodrager begeleidt de personen, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, die laatstelijk tot hem in dienstbetrekking stonden, bij gebleken ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte als zou hij in een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot de eigenrisicodrager staan, met toepassing van artikel 26, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen dan wel artikel 71b, derde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
2. Bij de uitvoering van het eerste lid treedt de eigenrisicodrager voor de toepassing van de artikelen 28, eerste lid, 29g, tweede lid, 30, derde lid, 37, eerste lid, en 39, eerste en tweede lid, in de plaats van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. De eerste zin blijft buiten toepassing voorzover noodzakelijk voor het verrichten van werkzaamheden op grond van het vierde of vijfde lid door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
(…)
Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten
Artikel 2. Hoogte en duur van een maatregel
1. De hoogte en duur van een, op grond van de in artikel 1, onderdelen b tot en met n, genoemde wetten, op te leggen maatregel wordt, met dien verstande dat de hoogte van de maatregel ten minste € 25 bedraagt, vastgesteld op:
(…)
c. 25 procent van het uitkeringsbedrag, met een mogelijkheid van afwijking tot ten minste 15 procent of ten hoogste 100 procent van het uitkeringsbedrag, gedurende ten minste vier maanden bij verplichtingen uit de derde categorie, bedoeld in de artikelen 5 en 6;
Artikel 6. Derde categorie aanvullend
(…)
2. Onverminderd artikel 5 worden Pro de verplichtingen op grond van de ZW ingedeeld in de derde categorie voor zover zij betrekking hebben op:
(…)
c. het trachten te verkrijgen van passende arbeid door de zieke werknemer, bedoeld in artikel 30, eerste lid, van die wet.
(…)

Voetnoten

1.ROT 25/3267 en ROT 25/7017
2.Met toepassing van de artikelen 8:64, vijfde lid en 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).