ECLI:NL:RBROT:2026:7826

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
12132143 CV EXPL 26-6423
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:272 lid 1 BWArt. 7:273 lid 3 BWArt. 7:274 lid 1 sub c BWArt. 237 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging huurovereenkomst wegens dringend eigen gebruik en ontruiming woning

Eisers, die samen eigenaar zijn van een woning te Vlaardingen, hebben de huurovereenkomst met gedaagde opgezegd wegens dringend eigen gebruik. Gedaagde, die de woning sinds 2019 huurt, betwist de opzegging en stelt dat het dringend eigen gebruik niet aannemelijk is gemaakt en dat passende woonruimte voor haar niet beschikbaar is.

De kantonrechter oordeelt dat eisers voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij de woning dringend nodig hebben voor eigen gebruik, mede omdat een onhoudbare woonsituatie is ontstaan en eiser 1 feitelijk dakloos is geworden. Daarnaast is vastgesteld dat er passende woonruimte beschikbaar is voor gedaagde, onder meer 55+ woningen in de regio.

De belangenafweging leidt tot het oordeel dat het belang van eisers om zelf in de woning te kunnen wonen zwaarder weegt dan het belang van gedaagde bij voortzetting van de huurovereenkomst. De kantonrechter bepaalt dat de huurovereenkomst eindigt en de woning uiterlijk 30 september 2026 ontruimd moet zijn. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt beëindigd en gedaagde moet de woning uiterlijk 30 september 2026 ontruimen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12132143 CV EXPL 26-6423
datum uitspraak: 26 juni 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van

1..[eiser 1] ,

2.
[eiser 2] ,
woonplaats: [woonplaats 1] ,
eisers,
gemachtigde: mr. J.O. Bohr,
tegen
[gedaagde] ,
woonplaats: [woonplaats 2] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ [eiser 1] ’, [eiser 2] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 26 februari 2026, met bijlagen;
  • de samenvatting van de mondelinge reactie van [gedaagde] op 10 maart 2026 en het schriftelijke antwoord, met bijlagen;
  • de brief van 22 mei 2026 van [eiser 1] en [eiser 2] , met bijlagen.
1.2.
Op 27 mei 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:
- [eiser 1] en [eiser 2] met hun gemachtigde;
- [gedaagde] en haar gemachtigde de heer [persoon A] .

2.De feiten

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben een affectieve relatie gehad en hebben samen een dochter. Zij zijn eigenaar van de woning aan de [adres] te Vlaardingen. Per 15 januari 2019 heeft [eiser 2] – met instemming van [eiser 1] – de woning aan [gedaagde] verhuurd tegen een kale huurprijs van € 600,- per maand. [gedaagde] is een kennis van [eiser 1] .
2.2.
[eiser 2] woonde en werkte van september 1995 tot december 2024 in Nigeria. In december 2024 is hij noodgedwongen teruggekeerd naar Nederland. Hij heeft met zijn huidige echtgenote en hun zoon eerst tijdelijk een woning in Eindhoven gehuurd, maar toen dat financieel niet meer haalbaar was, is [eiser 2] met zijn gezin ingetrokken bij [eiser 1] . [eiser 1] is na haar scheiding van [eiser 2] in dit appartement gaan wonen, dat eigendom is van [eiser 2] . Omdat die woonsituatie onhoudbaar bleek heeft [eiser 1] het appartement verlaten en is zij sinds een paar maanden dakloos.
2.3.
Bij brief van 23 december 2025 heeft de gemachtigde van [eiser 1] en [eiser 2] de huurovereenkomst opgezegd wegens dringend eigen gebruik. Met deze opzegging heeft [gedaagde] niet ingestemd.
2.4.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de woning over drie maanden moet verlaten (uiterlijk 30 september 2026), omdat voldoende aannemelijk is dat sprake is van dringend eigen gebruik, dat [gedaagde] passende woonruimte kan krijgen en dat de belangen van [eiser 1] en [eiser 2] zwaarder wegen. Dit oordeel wordt hierna verder uitgelegd.

3.Het geschil

De eis van [eiser 1] en [eiser 2]
3.1.
[eiser 1] en [eiser 2] eisen – samengevat – het tijdstip vast te stellen waarop de huurovereenkomst eindigt en waarop [gedaagde] de woning moet ontruimen en verlaten, alsmede [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure.
3.2.
[eiser 1] en [eiser 2] baseren die eis op het dringend eigen belang dat zij hebben bij het beëindigen van de huurovereenkomst. Zij wensen op de kortst mogelijke termijn over de woning te beschikken, omdat [eiser 1] genoodzaakt is de woning te gaan betrekken. Nadat [eiser 2] met zijn huidige echtgenote en zoon bij [eiser 1] is ingetrokken is een onhoudbare situatie ontstaan. [eiser 1] heeft daarom het appartement inmiddels verlaten en is sinds maart 2026 dakloos geworden. De belangen van [eiser 1] en [eiser 2] wegen zwaarder dan de belangen van [gedaagde] bij voortzetting van de huurovereenkomst. [gedaagde] is al sinds 2021 bekend met het feit dat [eiser 1] en [eiser 2] de huurovereenkomst wensen te beëindigen wegens dringend eigen gebruik. Het is voor [gedaagde] als alleenstaande 55-plusser vrij gemakkelijk om een woning te vinden.
Het standpunt van [gedaagde]
3.3.
[gedaagde] is het niet eens met de eis en voert – samengevat – aan dat [eiser 1] en [eiser 2] het dringend eigen gebruik niet aannemelijk hebben gemaakt. In de loop van de tijd hebben zij vaker en om verschillende redenen de huurovereenkomst willen beëindigen. Daarom heeft [gedaagde] twijfels over het nu gestelde dringend eigen gebruik. Daarnaast beschikt [eiser 1] over een hoger inkomen dan [gedaagde] . [eiser 1] heeft sinds september 2017 kosteloos in het appartement van [eiser 2] gewoond en zij heeft gedurende meerdere jaren geen woonlasten gehad. [eiser 1] kan daarom gemakkelijker over andere alternatieve huisvestingsmogelijkheden beschikken. Een belangenafweging moet in het voordeel van [gedaagde] uitvallen. [gedaagde] woont reeds geruime tijd in de woning en geniet huurbescherming, zij beschikt over een beperkt netto inkomen en ze is voor haar huisvesting afhankelijk van betaalbare woonruimte. [eiser 1] en [eiser 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat passende woonruimte voor [gedaagde] beschikbaar is, mede gelet op de huidige huurprijs die zij nu betaalt.

4.De beoordeling

Inleiding
4.1.
[gedaagde] huurt de woning voor onbepaalde tijd. Hoewel het volgens de getekende huurovereenkomst de bedoeling was dat de huur tijdelijk zou zijn, is de huurovereenkomst door het verlopen van tijd voor onbepaalde tijd gaan gelden. Dat betekent dat [gedaagde] huurbescherming heeft. Maar ook dat [eiser 1] en [eiser 2] de huurovereenkomst wel mogen opzeggen op grond van dringend eigen gebruik (artikel 7:274 lid 1 sub c BW Pro). Omdat [gedaagde] niet heeft ingestemd met de opzegging van 23 december 2025, moet de kantonrechter nu beoordelen of de huurovereenkomst toch moet eindigen, en zo ja, per wanneer.
Er is sprake van dringend eigen gebruik
4.2.
De kantonrechter vindt dat [eiser 1] en [eiser 2] voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij de woning dringend nodig hebben voor eigen gebruik. Nadat [eiser 2] eind december 2024 naar Nederland is teruggekeerd en tijdelijk in een huurwoning in Eindhoven heeft gewoond is hij, samen met zijn echtgenote en zoon bij [eiser 1] in Maassluis ingetrokken. Die woning is een appartement met twee slaapkamers. Op de zitting is duidelijk geworden dat een onhoudbare situatie is ontstaan en [eiser 1] het appartement inmiddels heeft verlaten. Zij is feitelijk dakloos en uit de overgelegde producties blijkt dat zij vanaf maart 2026 “rondzwerft”. Hoewel [gedaagde] aanvoert dat zij twijfelt aan de intenties van [eiser 1] en [eiser 2] , omdat zij in de loop van de tijd verschillende keren om steeds verschillende redenen (waaronder verkoop van de woning) de huurovereenkomst hebben willen beëindigen, heeft de kantonrechter geen reden om te twijfelen aan de verklaringen van [eiser 1] en [eiser 2] . De dringendheid van het eigen gebruik is daarmee gegeven.
[gedaagde] kan (op termijn) passende woonruimte krijgen
4.3.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben een overzicht van beschikbare woningen in Vlaardingen en ook in de omgeving van Vlaardingen (Schiedam en Rotterdam) overgelegd. Daaruit kan worden afgeleid dat er voldoende passende woonruimte voor [gedaagde] beschikbaar is. Verschillende van deze woningen zijn 55+ woningen, waardoor [gedaagde] meer kans maakt om deze woningen toegewezen te krijgen. [gedaagde] heeft niet betwist dat deze huurwoningen niet passend voor haar zijn, maar zij voert aan dat [eiser 1] eveneens tot dezelfde leeftijdscategorie behoort en niet valt in te zien waarom dit voor [eiser 1] – met een hoger inkomen – niet eveneens mogelijk zou zijn een andere passende woning te krijgen.
4.4.
[eiser 1] en [gedaagde] behoren inderdaad tot dezelfde leeftijdscategorie, maar feit is ook dat [eiser 1] (mede)eigenaar is van de woning en dat bij het moeten huren van (andere) een woning tegengeworpen kan krijgen. Daarnaast kunnen ook gelijkwaardige woningen met een hogere huurprijs voor [gedaagde] passend zijn. De kantonrechter is daarom van oordeel dat [eiser 1] en [eiser 2] voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat er andere passende woonruimte voor [gedaagde] beschikbaar is.
De belangen van [eiser 1] en [eiser 2] wegen zwaarder dan die van [gedaagde]
4.5.
Tegenover het belang van het dringend eigen gebruik van [eiser 1] en [eiser 2] als eigenaren van de woning staat het belang van [gedaagde] . De kantonrechter ziet het belang van [gedaagde] bij behoud van de woning. [gedaagde] woont al zeven jaar in de woning tegen een aantrekkelijke huurprijs en het is daarom goed voor stellen dat zij in de woning wil blijven wonen. Deze (algemene) belangen van [gedaagde] zijn alleen niet zo bijzonder dat de belangenafweging in haar voordeel moet uitvallen. Tegenover het belang van [gedaagde] staat namelijk het belang van [eiser 1] en [eiser 2] , en dan met name het belang van [eiser 1] , om zelf in haar eigen woning te kunnen wonen, omdat zij op dit moment feitelijk dakloos is. Zij kan weliswaar gedurende de zomermaanden tijdelijk op een boot verblijven, maar dit is verre van ideaal en formeel ook niet toegestaan. Gelet op de financiële mogelijkheden van [gedaagde] , haar leeftijd, persoonlijke situatie en het aanbod van huurwoningen moet het voor haar, niet makkelijk, maar wel mogelijk zijn om binnen afzienbare tijd een andere huurwoning te vinden.
Het tijdstip waarop de huurovereenkomst eindigt
4.6.
De kantonrechter zal, rekening houdend met de belangen van beide partijen, het tijdstip waarop de huurovereenkomst zal eindigen en [gedaagde] de woning moet ontruimen vaststellen op 30 september 2026. De vaststelling van dit tijdstip geldt als een veroordeling tot ontruiming (artikel 7:273 lid 3 BW Pro), zodat een aparte veroordeling tot ontruiming niet nodig is.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
4.7.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser 1] en [eiser 2] moet betalen op € 153,02 aan dagvaardingskosten, € 93,- aan griffierecht, € 434,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 217,-) en € 108,50 aan nakosten. Dat is in totaal
€ 788,52. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad
4.8.
In artikel 7:272 lid 1 BW Pro is ten aanzien van huur van woonruimte bepaald dat een opgezegde huurovereenkomst in een geval als dit van rechtswege van kracht blijft, totdat de rechter daar onherroepelijk over heeft beslist. Daar kan slechts bij zeer bijzondere omstandigheden van worden afgeweken en daar is in dit geval niet van gebleken.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
bepaalt dat de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot de woning eindigt op 30 september 2026;
5.2.
stelt het tijdstip van ontruiming vast op 30 september 2026;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser 1] en [eiser 2] worden begroot op € 788,52;
5.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. M.C. van der Kolk en in het openbaar uitgesproken.
821