ECLI:NL:RBROT:2026:7839

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
10-062941-26
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging zware mishandeling ex-partner met verminderde toerekeningsvatbaarheid

De rechtbank Rotterdam heeft op 26 juni 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van poging tot doodslag, poging tot zware mishandeling van zijn ex-partner en vernieling van haar auto. De rechtbank heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling door tegen het hoofd en lichaam van zijn ex-partner te schoppen en te slaan, maar vrijspraak verleend voor poging tot doodslag en vernieling van de auto wegens gebrek aan bewijs.

De feiten speelden zich af op 1 maart 2026 in Rotterdam, waarbij de verdachte zijn ex-partner meerdere keren heeft geslagen en geschopt, wat leidde tot lichamelijk letsel. De rechtbank baseerde haar oordeel op verklaringen van het slachtoffer, camerabeelden, medische rapporten en deskundigenverslagen. Uit psychologisch onderzoek bleek dat de verdachte een verstandelijke beperking en andere stoornissen heeft, wat leidde tot een verminderd toerekeningsvatbaarheid.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van zes maanden op, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden zoals meldplicht bij de reclassering en gedragsinterventies. De vordering van de benadeelde partij voor materiële en immateriële schade werd gedeeltelijk toegewezen, waarbij de verdachte € 1.135,- moet betalen, vermeerderd met wettelijke rente en onder oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, waarvan twee maanden voorwaardelijk, voor poging tot zware mishandeling met gedeeltelijke toewijzing van schadevergoeding.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-062941-26
Datum uitspraak: 26 juni 2026
Datum zitting: 12 juni 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
gedetineerd in de penitentiaire inrichting [verblijfsplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. S.A. Chedie
Officier van justitie: mr. N. van der Meij
Benadeelde partij: [benadeelde partij]
Kern van het vonnis
De verdachte heeft zijn ex-partner [slachtoffer] tegen het hoofd en lichaam geschopt en zo geprobeerd haar zwaar te mishandelen. De verdachte wordt vrijgesproken van poging tot doodslag van zijn ex-partner en van de vernieling van haar auto.
De poging tot zware mishandeling is in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
Aan de verdachte wordt een gevangenisstraf opgelegd van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest. Hieraan worden bijzondere voorwaarden verbonden.
De vordering van de benadeelde partij wordt gedeeltelijk toegewezen.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte er – samengevat – van dat hij heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven of zwaar te mishandelen en dat hij de auto van die [slachtoffer] heeft beschadigd.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat de verdachte
1. primair
op of omstreeks 1 maart 2026 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- meermaals, althans eenmaal tegen het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] heeft geschopt en/of geslagen/gestompt
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
1. subsidiair
op of omstreeks 1 maart 2026 te Rotterdam [slachtoffer] heeft mishandeld, door
- die [slachtoffer] aan haar haren te trekken, waardoor zij met haar hoofd tegen het portier bonkte en/of
- die [slachtoffer] uit de auto te trekken en/of
- meermaals, althans eenmaal tegen het hoofd en/of buik en/of arm, althans het lichaam van die [slachtoffer] te schoppen en/of slaan/stompen;
2.
op of omstreeks 1 maart 2026 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een auto, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer] , toebehoorde heeft vernield en/of beschadigd.

2.Bewijs / Vrijspraak

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat feit 1 primair (poging tot doodslag) wordt bewezen verklaard en dat de verdachte van feit 2 (vernieling) wegens gebrek aan bewijs wordt vrijgesproken. Het standpunt van de officier van justitie zal, indien nodig, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de feiten 1 primair (poging tot doodslag), 1 impliciet subsidiair (poging tot zware mishandeling) en 2 (vernieling). De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 subsidiair (mishandeling) gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen (feit 1 impliciet subsidiair)
Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] . De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring van dit feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen [1] en de onderstaande nadere bewijsmotivering.
1.
Eigen waarneming van de rechtbank [2]
De rechtbank heeft op zitting de camerabeelden bekeken van het in de tenlastelegging bedoelde incident. De beelden zijn van 1 maart 2026. Op de camerabeelden is te zien dat een man drie keer met zijn geschoeide voet in de richting van een vrouw schopt die op de grond ligt. Bij de derde schop raakt de man de linkerzijde van het hoofd van de vrouw. Die schop vindt plaats met kracht. De man brengt zijn been naar achteren, vervolgens met snelheid naar voren en raakt dan met zijn geschoeide voet de vrouw. Verder is te zien dat daaraan voorafgaande de man de vrouw uit een auto trekt en haar dan meermalen slaat of stompt.
2.
Verklaring van de verdachte [3]
Op 1 maart 2026 heb ik in Rotterdam mijn ex-partner [slachtoffer] twee à drie keer getrapt toen zij op de grond lag. Ik herken mijzelf op de op de zitting getoonde camerabeelden die daarvan zijn gemaakt als de persoon die bij de auto staat en schoppende bewegingen naar [slachtoffer] maakt.
3.
Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer] [4]
Op 1 maart 2026 ging ik met de auto naar mijn ex-partner [verdachte] in Rotterdam. Ik zag dat [verdachte] naar de auto toeliep. Ik was daarin op hem aan het wachten. Ik zat op de bestuurdersstoel met het raam op een kiertje. [verdachte] kwam en we kregen een discussie.
Het portier ging open en we vielen beiden op straat. Elke keer als ik wilde opstaan voelde ik dat ik een schop van [verdachte] kreeg. Ik ben ook door [verdachte] met zijn vuist geslagen. Ik zag en voelde dat [verdachte] mij sloeg en ook schopte op mijn hoofd, buik en arm. Ik voelde op dat moment stekende, brandende pijn aan de plekken waar hij sloeg en schopte. Ik kan de hand van mijn linkerarm bijna niet meer bewegen.
4.
Deskundigenverslag [5]
Medische informatie betreffende mevr. [slachtoffer] .
Informatie ontvangen van chirurg [ziekenhuis] over beoordeling aldaar op 1 maart 2026.
Objectieve bevindingen: Buil op de linkerzijde van het hoofd. Bloeduitstorting op bovenarm links.
2.3.2.
Nadere bewijsmotivering
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte [slachtoffer] tegen haar lichaam heeft geslagen of gestompt en voorts dat hij drie keer met zijn voet in de richting van [slachtoffer] heeft getrapt, terwijl zij op de grond lag. Bij de derde trap is [slachtoffer] op de zijkant van haar hoofd geraakt. [slachtoffer] heeft ook letsel aan de linkerzijde van haar hoofd opgelopen.
Door zo te handelen bestond naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] zwaar letsel zou oplopen. Het hoofd is immers een zeer kwetsbaar onderdeel van het lichaam, met name de linkerzijde van het hoofd waar zich de linkerslaap bevindt. De verdachte heeft door dit te doen, gelet ook op de uiterlijke verschijningsvorm daarvan, die aanmerkelijke kans welbewust aanvaard. Er is daarom sprake van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] .
De impliciet subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling wordt daarom bewezen verklaard.
Niet bewezen kan worden dat er een aanmerkelijke kans was dat door het schoppen door verdachte de aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer] zou overlijden. Van de impliciet primair tenlastegelegde poging tot doodslag wordt de verdachte daarom vrijgesproken.
2.3.3.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 1 impliciet subsidiair
de verdachte op 1 maart 2026 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tegen het hoofd en lichaam van die [slachtoffer] heeft geschopt en geslagen/ gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2.3.4.
Vrijspraak feit 2 (vernieling)
Feit 2 is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
Feit 1 impliciet subsidiair
poging tot zware mishandeling.
3.2.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor feit 1 primair (poging tot doodslag) worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Hieraan dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden die door de reclassering zijn geadviseerd.
4.2.
Standpunt van de verdediging
Omdat uitsluitend feit 1 subsidiair (mishandeling) kan worden bewezen is een straf moeten gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht passend.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zijn ex-partner tijdens een ruzie over het ophalen van hun kind op straat tegen het lichaam geslagen of gestompt. Tevens heeft hij haar, toen zij op de grond lag tegen haar hoofd en lichaam geschopt. Met name het schoppen tegen het hoofd is zeer gevaarlijk. Dit is een ernstig feit waardoor het slachtoffer zwaar gewond had kunnen raken. Er mag van geluk gesproken worden dat het letsel relatief meeviel. De verdachte heeft met zijn handelen het slachtoffer pijn gedaan en haar letsel bezorgd en aldus inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het moet voor haar ook een beangstigende ervaring zijn geweest. Daarnaast zorgen dergelijke feiten voor gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.
De verdachte was – naar zijn zeggen – heel erg boos op zijn ex-partner omdat zij hun dochtertje eerder kwam ophalen dan was afgesproken. Hij twijfelde al langere tijd aan het vaderschap van zijn dochtertje en er was de dagen daarna een DNA-onderzoek bij de huisarts gepland. Zijn ex-partner kwam het dochtertje echter ineens eerder ophalen waardoor dat onderzoek niet mogelijk zou zijn. Eerder was het daar ook al niet van gekomen.
Wat daarvan ook zij, de wijze waarop de verdachte hierop heeft gereageerd is disproportioneel.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 19 mei 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsdelicten. Deze feiten zijn echter langer dan vijf jaar geleden gepleegd. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Rapporten van psycholoog en de reclassering
In het
NIFP-rapport van psycholoog drs. V.T.G. Arntsvan 22 mei 2026 staat het volgende.
Bij de verdachte is sprake van zwakbegaafdheid/een verstandelijke beperking, mogelijk ADHD en antisociale persoonlijkheidskenmerken. Deze stoornissen hebben een aantal forensisch relevante (gemeenschappelijke) kenmerken die van toepassing zijn voor de verdachte, namelijk problemen met het overzien van complexe situaties, moeite met het oplossen van complexere problemen, een tekortschietende emotie- en agressieregulatie, moeite met het overzien van de gevolgen van gemaakte keuzes en eigen gedrag en gevoeligheid voor stress en ervaren druk. Bij oplopende spanningen en stress kan daardoor sprake zijn van impulsiviteit en agressiedoorbraken. Deze stoornissen zijn langdurig en pervasief van aard en waren aanwezig ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten. Het oplopen van spanningen in deze complexe en emotionele situatie en het escaleren van de situatie in een woededoorbraak en agressie is te verklaren door de aanwezige stoornissen. Indien de ten laste gelegde feiten bewezen worden geacht, adviseert de psycholoog om deze feiten in een verminderde mate toe te rekenen. De psycholoog schat in dat het risico op acuut geweld laag tot matig is. Het risico op gewelddadig gedrag en letsel op langere termijn is matig -hoog.
Geadviseerd wordt om de verdachte aan te melden bij een forensisch FACT-team waar ruimte is om in eerste instantie laagdrempelig in te zetten en aan te sluiten bij de hulpvragen die de verdachte momenteel vooral heeft op praktisch gebied. Ondersteuning bij het regelen van zijn financiële zaken is van belang, evenals mogelijk toekomstig afspraken en regelzaken omtrent een vaderschapstest en omgangsregeling met zijn dochter. Een behandeling/interventie gericht op het (anders) leren reguleren van emoties en het omgaan met boosheid is geïndiceerd. Tot slot is het ondersteunen van passende dagbesteding en werk van belang.
In het
rapport van Reclassering Nederlandvan 9 juni 2026 staat het volgende.
Er zijn problemen op de leefgebieden ‘Relatie partner, gezin en familie’ en (mogelijk) ‘psychosociaal functioneren’. De reclassering verwijst hierbij naar het NIFP-rapport van 22 mei 2026. De verdachte heeft geen zinvolle dagbesteding.
Sinds drie jaar wordt de verdachte begeleid vanuit [zorginstelling] . Hij heeft zich hiervoor zelf
aangemeld. Hij wordt hier onder andere geholpen bij het regelen van zijn financiën en het zoeken naar werk. De verdachte wil na zijn detentie deze begeleiding graag voortzetten.
Bij een veroordeling wordt geadviseerd de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, inspanningsverplichting dagbesteding, en ambulante begeleiding. De verdachte is bereid mee te werken aan de bijzondere voorwaarden, met uitzondering van de gedragsinterventie.
Op basis van het rapport van de psycholoog drs. V.T.G. Arnts, stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte een psychische stoornis bestond en dat deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van het strafbare feit zodanig beïnvloedde dat het feit de verdachte in verminderde mate wordt toegerekend.
4.3.3.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan is rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Voor een zware mishandeling door middel van één of meer schoppen/trappen tegen het hoofd geldt een uitgangspunt van zes maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In dit geval wordt strafverminderend meegewogen dat het feit in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend en sprake is van beperkt letsel. Als strafverzwarend wordt meegewogen dat het feit op klaarlichte dag op straat is gepleegd. Daarom wordt een gevangenisstraf van zes maanden opgelegd, waarvan twee maanden voorwaardelijk. De voorwaardelijke straf heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
Aan de voorwaardelijke straf worden de bijzondere voorwaarden verbonden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.
De bijzondere voorwaarden zijn: meldplicht bij de reclassering, gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, inspanningsverplichting dagbesteding, en ambulante begeleiding.
De rechtbank ziet geen reden af te zien van het opleggen van de gedragsinterventie cognitieve vaardigheden. De verdachte heeft verklaard dat hij in het verleden al vaak dit type trainingen heeft gehad en ziet daarom de noodzaak daarvan niet in. Nu het echter opnieuw tot een geweldsincident is gekomen vindt de rechtbank die gedragsinterventie wel nodig.

5.Voorlopige hechtenis

Het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte zal worden opgeheven met ingang van de dag waarop de totale duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk is aan die van het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf.

6.Vordering van de benadeelde partij

6.1.
Vordering [benadeelde partij]
heeft als benadeelde partij voor alle feiten € 1.929,95 als vergoeding voor materiële schade en € 1.500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
6.2.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 651,- als vergoeding voor materiële schade (€ 385,- aan eigen risico ziektekostenverzekering en € 266,- aan gemist inkomen). Ten aanzien van de immateriële schade wordt de rechtbank verzocht gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid. De toegewezen schadevergoeding dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, omdat deze posten onvoldoende zijn onderbouwd en vrijspraak is verzocht voor feit 2.
6.3.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de materiële schade komt enkel het gevorderde eigen risico van € 385,- voor toewijzing in aanmerking. De overige posten dienen te worden afgewezen, aangezien deze onvoldoende zijn onderbouwd en de verdachte dient te worden vrijgesproken van
feit 2.
De immateriële schade is niet onderbouwd, maar gelet op het dossier kan wel schade worden vastgesteld. Dit deel van de vordering dient te worden gematigd tot € 250,-.
6.4.
Oordeel van de rechtbank
6.4.1.
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het bewezen strafbare feit. De verdediging heeft de vordering ten aanzien van de kosten van het eigen risico niet betwist. De vordering komt in zoverre ook niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom voor het bedrag van € 385,- toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 385,- als vergoeding voor materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het onderdeel van de vordering dat ziet op de reparatie van de schade aan de auto, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van feit 2 (de beschadiging van die auto). Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de oorbellen en het gemiste inkomen, heeft de verdediging betwist. De beoordeling van dit deel van de vordering vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk om bewijslevering. De behandeling van dit deel van de vordering levert daarom een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in dit deel niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
6.4.2.
Immateriële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen strafbare feit rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen.
Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 750,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard en ernst van het letsel. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 750,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
6.4.3.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 1 maart 2026.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij grotendeels wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.
Om de inningsmogelijkheden voor de benadeelde partij te vergemakkelijken, legt de rechtbank voor het schadebedrag (totaal: € 1.135,-) de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.
Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 11 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

7.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

8.Beslissingen

De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 1 primair en 2 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte feit 1 impliciet subsidiair, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van zes maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat
twee maanden van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op twee jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland, gevestigd aan de Marconistraat 2 te Rotterdam;
2. de verdachte binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer. Emotieregulatie is een indirect en soms direct onderdeel van de CoVa-training;
3. de verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk met een vaste structuur, zo nodig met hulp van een daartoe aangewezen organisatie, dit ter beoordeling van de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen van die organisatie;
4. de verdachte meewerkt aan ambulante begeleiding voor hulp bij praktische zaken door [zorginstelling] of door het FACT, ter beoordeling van de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen van die organisatie;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder nummers 1 tot en met 4 en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat:
  • de verdachte meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
  • de verdachte meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk is aan die van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde partij] te betalen een bedrag van
€ 1.135,-, bestaande uit € 385,- als vergoeding van materiële schade en € 750,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 maart 2026 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feit 1 impliciet subsidiair); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 1 impliciet subsidiair
de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] aan de staat
€ 1.135,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 maart 2026 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal
11 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.

9.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. H. Wielhouwer, voorzitter,
en mrs. L. Feraaune en mr. M.K. Asscheman-Versluis, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.D. Bijl, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 26 juni 2026.
Mr. H. Wielhouwer is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer] .
2.Waargenomen tijdens de zitting van 12 juni 2026.
3.Verklaard tijdens de zitting van 12 juni 2026.
4.Pagina’s 5 tot en met 13.
5.FARR-verklaring, d.d. 4 maart 2026.