ECLI:NL:RBROT:2026:7844

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
C/10/720469 / HA RK 26-493
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 37 lid 1 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechters in jeugdzaken rondom ondertoezichtstelling en schoolverplaatsing

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen drie rechters van de rechtbank Rotterdam die betrokken zijn bij meerdere verzoekschriftprocedures betreffende zijn zesjarige dochter, waaronder een ondertoezichtstelling (OTS) en een schoolverplaatsing.

De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden die verzoeker aanvoerde, zoals het doorbreken van een integrale proceslijn door de rechters en het niet tijdig informeren over de te behandelen verzoeken tijdens de mondelinge behandeling. Verzoeker stelde dat hierdoor het recht op een eerlijk proces onder druk stond.

De wrakingskamer oordeelde dat het verzoek tijdig was ingediend en dat de rechters vermoed worden onpartijdig te zijn. De kamer vond dat de door verzoeker genoemde omstandigheden onvoldoende zwaarwegende aanwijzingen bevatten voor het aannemen van de schijn van partijdigheid. Bovendien liepen verzoeker met zijn verzoek vooruit op toekomstige beslissingen die de rechters nog niet hadden genomen.

De wrakingskamer concludeerde daarom dat het wrakingsverzoek ongegrond was en wees het af. De beslissing is in het openbaar uitgesproken en is niet vatbaar voor rechtsmiddel.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechters wordt afgewezen wegens gebrek aan gegronde aanwijzingen voor partijdigheid.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Wrakingskamer
Zaaknummer: C/10/720469 / HA RK 26-493
Beslissing van 22 juni 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mrs. A.A.J. de Nijs, D.G.J. Roset en J. Groot,
rechters in deze rechtbank,
hierna ook te noemen: de rechters.

1.De procedure

1.1.
Het wrakingsdossier bestaat uit de volgende stukken:
  • het schriftelijke wrakingsverzoek van verzoeker van 28 mei 2026,
  • de schriftelijke reactie van de rechters van 9 juni 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft plaatsgevonden op 15 juni 2026. Daarbij zijn verzoeker en mr. De Nijs verschenen.
1.3.
Het wrakingsverzoek strekt tot wraking van de rechters van de meervoudige kamer die de verzoekschriftprocedures met nummers C/10/716834 / JE RK 26-542, C/10/716831 / JE RK 26-540, C/10/717618 / JE RK 26-646, C/10/717646 / FA RK 26-2709 en C/10/712169 / JE RK 25-2648 behandelen. Het betreft procedures die gaan over de zesjarige dochter van verzoeker en [persoon A] (hierna: de moeder).
1.4.
De dossiers van de verzoekschriftprocedures zijn ter beschikking van de wrakingskamer gesteld. Daaruit volgt dat de dochter onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: de GI) staat. De procedure met nummer C/10/712169 / JE RK 25-2648 (hierna: de OTS-zaak) gaat over de ondertoezichtstelling. In de OTS-zaak heeft de rechtbank bij beschikking van 20 maart 2026 (hierna: de beschikking) geconstateerd dat zij over onvoldoende informatie beschikt om op de verzoeken van de GI en de zelfstandige verzoeken van verzoeker en de moeder te kunnen beslissen, waaronder een verzoek van de moeder om vervangende toestemming te verlenen voor de overplaatsing van de dochter naar een andere school (hierna: het schoolverzoek). De rechtbank heeft de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) daarom verzocht om onderzoek te doen naar het gezag, de zorgregeling, de schoolse situatie en de uitvoerbaarheid van de ondertoezichtstelling. In afwachting daarvan is de behandeling van de OTS-zaak pro forma aangehouden tot 1 september 2026.
1.5.
Bij brieven van 8 april 2026 en 21 april 2026 is verzoeker in de procedures, met uitzondering van de OTS-zaak, opgeroepen voor een mondelinge behandeling op 15 mei 2026.
1.6.
Op 15 april 2026 heeft de Raad laten weten dat het waarschijnlijk niet gaat lukken om voor 1 september 2026 onderzoek te doen en advies uit de brengen als bedoeld in de beschikking. Bij brief van 12 mei 2026 heeft de rechtbank aan verzoeker laten weten dat de behandeling van de OTS-zaak zou worden voortgezet op een zitting en verzoeker ook in die zaak opgeroepen voor een mondelinge behandeling op 15 mei 2026.
1.7.
Op 15 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Het proces-verbaal daarvan is op 2 juni 2026 aan de wrakingskamer verstrekt.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Verzoeker legt aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag dat hij door een samenstel van bijzondere omstandigheden twijfelt of sprake is van een consistente, evenwichtige en voorzienbare inrichting van de procesvoering. Hij wijst, samengevat, op de volgende omstandigheden.
In de beschikking hebben de rechters gekozen voor een integrale proceslijn waarbij structurele geschilpunten eerst zouden worden onderzocht door de Raad voordat daarover zou worden beslist. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de rechters ook het schoolverzoek behandeld, terwijl een schoolverplaatsing een duurzaam en structureel karakter heeft. Daarmee hebben zij de zelfgekozen proceslijn doorbroken, zonder dat daar aanleiding voor was. De mededeling van de Raad dat de datum van 1 september 2026 niet haalbaar is, is geen reden om het schoolverzoek met voorrang te behandelen. Daar komt bij dat het standpunt van de GI is gevraagd over het schoolverzoek, terwijl in de beschikking is beslist dat de GI geen belang meer had bij een soortgelijk verzoek.
Een andere omstandigheid betreft de gang van zaken voorafgaand aan en tijdens de mondelinge behandeling op 15 mei 2026, waardoor het recht op een eerlijk proces onder druk is komen te staan. Bij brief van 13 mei 2026 heeft verzoeker gevraagd welke onderdelen van de OTS-zaak de rechters voornemens waren tijdens de mondelinge behandeling te bespreken. Hij heeft daar geen reactie op gekregen. Hij wist dus niet dat het schoolverzoek behandeld zou gaan worden. Daarnaast is het hem niet duidelijk welke verzoeken behandeld worden in de voorlopige jeugdzaak en welke in de bodemprocedure. Daardoor heeft verzoeker zich niet effectief op de mondelinge behandeling kunnen voorbereiden. Verder had de mondelinge behandeling om 15:30 uur moeten starten, maar is deze door de uitloop van een eerdere zaak pas om 16:40 uur begonnen. Verzoeker had om 17:00 uur een afspraak in het ziekenhuis en heeft de mondelinge behandeling daardoor maar tot 16:55 uur bij kunnen wonen. Terwijl verzoeker voor aanvang van de behandeling op de gang zat te wachten, heeft hij via de bode om aanhouding en herplanning van de mondelinge behandeling verzocht. Daarop is geen reactie gekomen. Tot aan de ontvangst van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling was het verzoeker niet duidelijk wat er na zijn vertrek besproken is. Nu blijkt dat er nog uitgebreid gedebatteerd is over zijn verzoeken en het schoolverzoek.
2.2.
De rechters hebben laten weten niet in de wraking te berusten en hebben op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden (zie artikel 36 Rv Pro in familie- en jeugdzaken). Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Het uitgangspunt is dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
3.2.
Het wrakingsverzoek moet worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden (zie artikel 37 lid 1 Rv Pro).
In dit geval heeft verzoeker het wrakingsverzoek dertien dagen na de mondelinge behandeling ingediend. De rechters werpen de vraag op of dat tijdig is.
3.3.
De mondelinge behandeling vond plaats op een vrijdagmiddag. Verzoeker heeft toegelicht dat hij na het weekend contact met de rechtbank heeft opgenomen om naar het verdere verloop van de mondelinge behandeling te informeren. Op dinsdag heeft hij schriftelijk om een proces-verbaal van de mondelinge behandeling verzocht. Daarop kwam het antwoord dat ernaar gestreefd werd om het proces-verbaal over een maand te verstrekken. Verzoeker heeft vervolgens nog ongeveer een week de tijd genomen om zich te beraden en uiteindelijk een wrakingsverzoek ingediend.
Naar het oordeel van de wrakingskamer heeft verzoeker zijn wrakingsverzoek daarmee tijdig ingediend. Verzoeker heeft in de periode na de mondelinge behandeling geprobeerd om opheldering te krijgen. Die opheldering heeft hij niet gekregen. Op het moment dat hem dat duidelijk werd, heeft hij, na een korte periode van beraad, het wrakingsverzoek ingediend.
3.4.
Verzoeker heeft nadrukkelijk te kennen gegeven dat hij zijn wrakingsverzoek niet baseert op subjectieve vooringenomenheid van de rechters of op één afzonderlijke procesbeslissing. Hij vindt dat het samenstel van bijzondere omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het aannemen van de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid. Hierover oordeelt de wrakingskamer het volgende.
3.5.
De rechters hebben benadrukt dat in jeugdzaken het belang van het kind voorop staat. In het belang van de dochter hebben zij besloten om ook het schoolverzoek tijdens de mondelinge behandeling te bespreken, omdat gebleken was dat de Raad het onderzoek naar, onder andere, de schoolse situatie van de dochter niet voor 1 september 2026 kon uitvoeren. Naar het oordeel van de wrakingskamer is die (proces)beslissing voorbehouden aan de rechters en daarop ziet het wrakingsverzoek ook niet. Dit geldt ook voor de beslissing om de Raad op te roepen voor de mondelinge behandeling en vragen te stellen aan de Raad over het schoolverzoek.
3.6.
De rechters hebben nog niet inhoudelijk op het schoolverzoek beslist. Zij hebben erop gewezen dat bij de beoordeling van alle voorliggende verzoeken, dus ook het schoolverzoek, alle van belang zijnde feiten en omstandigheden moeten worden gewogen. Daartoe behoren ook processuele aspecten, zoals het aanhoudingsverzoek en de omstandigheid dat verzoeker slechts gedeeltelijk bij de mondelinge behandeling aanwezig is geweest. Nu de rechters hierover nog geen (proces)beslissingen hebben genomen, loopt verzoeker met zijn wrakingsverzoek op de zaken vooruit. De door verzoeker genoemde omstandigheden kunnen dan ook geen grond voor wraking vormen. Dit leidt tot de conclusie dat het wrakingsverzoek wordt afgewezen.

4.De beslissing

De wrakingskamer
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door mr. F. Aukema-Hartog, voorzitter, mr. C. Sikkel en mr. J. van Dort, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Elenbaas, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.