Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- het schriftelijke wrakingsverzoek van verzoeker van 28 mei 2026,
- de schriftelijke reactie van de rechters van 9 juni 2026.
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen drie rechters van de rechtbank Rotterdam die betrokken zijn bij meerdere verzoekschriftprocedures betreffende zijn zesjarige dochter, waaronder een ondertoezichtstelling (OTS) en een schoolverplaatsing.
De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden die verzoeker aanvoerde, zoals het doorbreken van een integrale proceslijn door de rechters en het niet tijdig informeren over de te behandelen verzoeken tijdens de mondelinge behandeling. Verzoeker stelde dat hierdoor het recht op een eerlijk proces onder druk stond.
De wrakingskamer oordeelde dat het verzoek tijdig was ingediend en dat de rechters vermoed worden onpartijdig te zijn. De kamer vond dat de door verzoeker genoemde omstandigheden onvoldoende zwaarwegende aanwijzingen bevatten voor het aannemen van de schijn van partijdigheid. Bovendien liepen verzoeker met zijn verzoek vooruit op toekomstige beslissingen die de rechters nog niet hadden genomen.
De wrakingskamer concludeerde daarom dat het wrakingsverzoek ongegrond was en wees het af. De beslissing is in het openbaar uitgesproken en is niet vatbaar voor rechtsmiddel.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechters wordt afgewezen wegens gebrek aan gegronde aanwijzingen voor partijdigheid.