ECLI:NL:RBROT:2026:7846

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
10/750053-21
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen handel harddrugs en wapenbezit met taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf

De rechtbank Rotterdam heeft op 20 mei 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne en heroïne, voorbereidingshandelingen voor handel in deze verdovende middelen, en het voorhanden hebben van een vuurwapen met munitie.

De verdachte werd vrijgesproken van enkele feiten, maar de rechtbank achtte de feiten omtrent de handel en het wapenbezit wettig en overtuigend bewezen. De verdachte had grote hoeveelheden cocaïne en heroïne in een woning aanwezig, gebruikte versnijdingsmiddelen en geld, en had een vuurwapen van categorie III in bezit.

Procesafspraken tussen de verdachte en het Openbaar Ministerie leidden tot een strafvordering van 15 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en een taakstraf van 240 uur. De rechtbank bevestigde de vrijwilligheid en eerlijkheid van deze afspraken.

De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, het strafblad van de verdachte, het tijdsverloop van bijna 6 jaar sinds de feiten, en de overschrijding van de redelijke termijn. Gezien deze omstandigheden werd een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opgelegd. De verdachte deed afstand van inbeslaggenomen geld en de voorlopige hechtenis werd opgeheven in overeenstemming met de opgelegde straf.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf waarvan 10 maanden voorwaardelijk en 240 uur taakstraf voor medeplegen handel harddrugs en wapenbezit.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/750053-21
Datum uitspraak: 20 mei 2026
Datum zitting: 6 mei 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. K. Blonk
Officier van justitie: mr. E.M. ter Braak
Kern van het vonnis
De verdachte heeft samen met anderen verdovende middelen (cocaïne en heroïne) opzettelijk aanwezig gehad en voorbereidingshandelingen gepleegd voor de handel in deze verdovende middelen. Daarnaast heeft hij een vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden gehad. De verdediging en de officier van justitie hebben procesafspraken gemaakt. Deze afspraken zijn door de rechtbank getoetst. De verdachte wordt, tegen de achtergrond van de gemaakte procesafspraken, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 240 uur, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - betrokken is geweest bij (voorbereidings- en bevorderingshandelingen met betrekking tot) de handel in cocaïne en heroïne en het in meerdere panden voorhanden hebben van deze drugs. Daarnaast wordt de verdachte beschuldigd van (medeplegen van) het voorhanden hebben van een vuurwapen en kogelpatronen.
De volledige tenlastelegging [1] (hierna beschuldiging) houdt in dat
1.
hij op of omstreeks 26 augustus 2020 in Rotterdam, (in de woning aan [adres 2] ), tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ongeveer 1.390 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of
- ongeveer 183,8 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,
zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2.
hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2020 tot en met 26 augustus 2020 in Rotterdam, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelheid/heden van een materiaal bevattende cocaïne en heroïne, zijnde cocaïne en heroïne, (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen
-
een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om die/dat feit(en) te plegen en/of om behulpzaam daarbij te zijn en/of
- zich en/of (een) of meer ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van die/dat feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of
- voorwerpen en/of vervoersmiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het/de hierboven bedoelde feit(en)
hebbende/is verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):
- de woning gelegen aan [adres 2] gebruikt en/of beschikbaar gesteld (gekregen) en/of
- versnijdingsmiddelen, te weten 364,1 gram Fenacetine en/of 134,0 gram Mannitol en/of 877,6 gram zetmeel, voorhanden gehad, en/of
- een of meerdere bundel(s) geld, met een totaal bedrag van 6620 euro, voorhanden gehad en/of
- een (druk)pers en/of een vacuurmachine en/of een weegschaal en/of een/of meer zakje(s) met poeder(s) voorhanden gehad;
3.
hij op of omstreeks 26 augustus 2020 in Rotterdam (in een pand aan [adres 2] ), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,
een wapen als bedoeld in art. 1 onder Pro 3, gelet op artikel 2 lid 1 Categorie Pro III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet, te weten een Zastava (type M57) voorhanden heeft gehad
en/of
9 kogelpatronen (van het merk GFL, type 7.62 Mm) en/of 4 kogelpatronen (van diverse kaliber), als in art. 1 onder Pro 4, gelet op artikel 2, lid 2 cat III van de Wet Wapens en Munitie;
5.
hij op of omstreeks 12 maart 2021 in Rotterdam, (in de woning aan [adres 3] ),
tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ongeveer 610,6 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne (telkens) een middel bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of
- ongeveer 5,6 gram cannabis, in elke geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cannabis, zijnde cannabis een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;.
6.
hij in of omstreeks de periode van 20 december 2020 tot en met 12 maart 2021 in Rotterdam, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelheid/heden van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen
- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om die/dat feit(en) te plegen en/of om behulpzaam daarbij te zijn en/of
- zich en/of (een) of meer ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van die/dat feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of
- voorwerpen en/of vervoersmiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het/de hierboven bedoelde feit(en)
hebbende/is verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):
- de woning gelegen aan [adres 3] gebruikt en/of beschikbaar gesteld (gekregen) en/of
- versnijdingsmiddelen, te weten 918 gram Paracetamol en/of cafeïne, voorhanden gehad,
en/of
- een (druk)pers en/of een/of meer plastic zak(ken) voorhanden gehad;
7.
hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2020 tot en met 29 mei 2021 in Rotterdam, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne, (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

2.Procesafspraken

Totstandkoming van de procesafspraken
De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw, en de officier van justitie hebben onderhandelingen gevoerd over een mogelijke afdoening van deze zaak. Die onderhandelingen hebben geresulteerd in procesafspraken. De procesafspraken zijn vastgelegd in een overeenkomst die op 4 februari 2025 is ondertekend door de officier van justitie en op 18 februari 2025 is ondertekend door de verdachte en zijn raadsvrouw. De rechtbank is niet betrokken geweest bij (de totstandkoming van) deze procesafspraken. De overeenkomst is voorafgaand aan de zitting door de officier van justitie aan de rechtbank verstrekt.
Inhoud van de procesafspraken
Voor zover van belang en zakelijk weergegeven houden de procesafspraken het volgende in:
De verdachte:
  • trekt eventuele ingediende onderzoekswensen in en dient geen nieuwe onderzoekswensen in;
  • voert geen bewijsverweren;
  • hoeft geen (nadere) verklaring af te leggen;
  • zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf onttrekken;
  • doet afstand van de in beslag genomen goederen, te weten € 917,-.
De officier van justitie:
  • zal vrijspraak vorderen voor de feiten 5, 6 en 7;
  • zal requireren tot een bewezenverklaring en kwalificatie overeenkomstig de feiten zoals die in de overeenkomst zijn opgenomen, te weten de feiten 1, 2 en 3;
  • zal een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, en een taakstraf voor de duur van 240 uren eisen.
Beide partijen:
- zien af van hoger beroep indien de strafoplegging door de rechtbank conform deze overeenkomst plaatsvindt.
Op de zitting heeft de officier van justitie bij requisitoir opgemerkt dat het in beslag genomen geldbedrag € 917,30 betreft en zij er vanuit gaat dat de verdachte ook afstand doet van de overige 30 cent. De verdachte en zijn raadsvrouw hebben dat bevestigd.
De officier van justitie heeft ook opgemerkt dat (gelet op de procesafspraken) in de strafeis rekening wordt gehouden met 96 dagen voorarrest.

3.Bewijs / Vrijspraak

3.1.
Vordering van de officier van justitie en standpunt van de verdediging
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de feiten 1, 2 en 3 en wordt vrijgesproken van de feiten 5, 6 en 7.
De verdediging heeft geen bewijsverweren gevoerd.
3.2.
Oordeel van de rechtbank
3.2.1.
Vrijspraak feiten 5, 6 en 7
De beschuldiging, zoals onder 5, 6 en 7 ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.
3.2.2.
Bewezenverklaring feiten 1, 2 en 3 en bewijsmiddelen
Nu de verdediging geen bewijsverweren heeft gevoerd en de rechtbank het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen acht, zullen deze feiten zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
Bewezen is dat:
1.
hij op of omstreeks 26 augustus 2020 in Rotterdam, (in de woning aan [adres 2] ), tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad
- 1.390 gram cocaïne en
- 183,8 gram heroïne,
zijnde cocaïne en heroïne, telkens een middel bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2.
hij in de periode van 1 juli 2020 tot en met 26 augustus 2020 in Rotterdam, meermalen, telkens tezamen en in vereniging met anderen of een ander,
om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren en verstrekken van een of meer hoeveelheid/heden van een materiaal bevattende cocaïne en heroïne, zijnde cocaïne en heroïne, telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen
-
voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit
hebbende/is verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):
- de woning gelegen aan [adres 2] gebruikt en beschikbaar gesteld (gekregen) en
- versnijdingsmiddelen, te weten 364,1 gram Fenacetine en 134,0 gram Mannitol, voorhanden gehad, en
- bundels geld, met een totaal bedrag van 6620 euro, voorhanden gehad en
- een drukpers en een vacumeermachine en een weegschaal en/of een of meer zakje(s) met poeder(s) voorhanden gehad;
3.
hij op of omstreeks 26 augustus 2020 in Rotterdam (in een pand aan [adres 2] ),
een wapen als bedoeld in art. 1 onder Pro 3, gelet op artikel 2 lid 1 Categorie Pro III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet, te weten een Zastava (type M57)
en
9 kogelpatronen (van het merk GFL, type 7.62 Mm), zijnde munitie als bedoeld in art. 1 onder Pro 4, gelet op artikel 2, lid 2 cat III van de Wet Wapens en Munitie,
voorhanden heeft gehad.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
Feit 2:
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
Feit 3:
De eendaadse samenloop van:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
4.2.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straffen

5.1.
Beoordeling van de procesafspraken
Tijdens het onderzoek op de zitting van 6 mei 2026 zijn de gemaakte afspraken met de verdachte en zijn raadsvrouw besproken. Daarbij zijn de vrijwilligheid van de procesafspraken, de bewustheid van de verdachte ten aanzien van de (inhoud van de) procesafspraken en de (mogelijke) gevolgen van de procesafspraken aan de orde gesteld. Bij het onderzoek op de zitting stond de beantwoording van de vragen uit de artikelen 348 en 350 Wetboek van Strafvordering centraal, in het bijzonder de vragen die betrekking hebben op het bewijs en de op te leggen straf.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw, weloverwogen en vrijwillig tot de procesafspraken is gekomen en dat hij zich bewust is van de inhoud van de gemaakte afspraken, de procedure en de (mogelijke) gevolgen daarvan. Ook zijn de procesafspraken voor zowel de totstandkoming als de inhoud als eerlijk te bestempelen.
5.2.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor de feiten 1, 2 en 3 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis.
5.3.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft naar voren gebracht dat het inmiddels ruim een jaar geleden is dat de procesafspraken zijn gemaakt en de verdachte al die tijd in onzekerheid heeft geleefd en zijn leven ondertussen verder is gegaan. Zij heeft daarom verzocht om, gelet op het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, een iets lagere straf op te leggen dan in de procesafspraken met de officier van justitie is overeengekomen.
5.4.
Oordeel van de rechtbank
5.4.1.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft samen met anderen 1.390 gram cocaïne en 183,8 gram heroïne opzettelijk aanwezig gehad. Ook heeft hij samen met zijn mededaders gedurende een periode van bijna twee maanden voorbereidingshandelingen gepleegd voor de handel in cocaïne en heroïne. Zij maakten gebruik van een woning, waarin voorwerpen, stoffen en bundels met geld aanwezig waren, die bestemd waren voor het versnijden en dealen van deze harddrugs. De verdachte had hierbij een uitvoerende rol.
Hij heeft daarmee een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit in het land. Door harddrugs wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd. Feiten als deze brengen bovendien onrust voor de samenleving met zich mee en zijn maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Tenslotte leidt de handel in en het gebruik van harddrugs veelal, direct en indirect, tot vele andere vormen van (zware) criminaliteit, waaronder geweld en ondermijning. De verdachte heeft zich hier niet om bekommerd en heeft zich kennelijk alleen laten leiden door zijn eigen financiële gewin.
Daarnaast heeft de verdachte in voornoemde woning een vuurwapen met bijbehorende munitie, die zich bevond in de patroonhouder van dit wapen, voorhanden gehad. Ongecontroleerd wapenbezit vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen en veroorzaakt sterke gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Vuurwapens worden vaak gebruikt om ernstige misdrijven mee te plegen en ruzies mee te beslechten, waarbij regelmatig (dodelijke) slachtoffers vallen. De ervaring leert dat het aanwezig hebben van een vuurwapen ook snel gepaard gaat met het gebruik van dat wapen. De bedenkelijke omstandigheden waaronder dit vuurwapen is aangetroffen, namelijk in de woning waar de verdachte de voornoemde harddrugsdelicten heeft gepleegd, maken het extra zorgelijk. Het is algemeen bekend dat dealpanden worden bewaakt en daarbij vuurwapens worden gebruikt.
5.4.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad van 7 april 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten, waaronder in de vijf jaren voorafgaand aan de gepleegde feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus enerzijds tot een hogere straf. Anderzijds weegt de rechtbank mee dat uit het strafblad blijkt dat de verdachte na deze feiten, die bijna 6 jaar geleden zijn gepleegd, niet meer met justitie in aanraking is gekomen. Dit onderbouwt de verklaring van verdachte dat hij zijn levenswijze heeft veranderd en een andere weg is ingeslagen.
Overige persoonlijke omstandigheden
De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij nu goed is gere-integreerd en werk heeft als artiest en acteur en muziek maakt.
5.4.3.
Redelijke termijn
De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 29 mei 2021, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van bijna 5 jaren verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden.
5.4.4.
Oplegging straffen
Gelet op de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De overeengekomen straffen staan naar het oordeel van de rechtbank in een redelijke verhouding tot de ernst van de zaak en de omstandigheden van het geval. De rechtbank weegt daarbij mee dat het gaat om feiten die bijna 6 jaar geleden zijn gepleegd, er sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn en de verdachte al die tijd in onzekerheid heeft geleefd over de afdoening van de zaak. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Gelet op deze omstandigheden, en met name het tijdsverloop, acht de rechtbank het – evenals de officier van justitie en de verdediging – passend om een aanzienlijk deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen en daarnaast de maximale taakstraf op te leggen.
Alles afwegend, tegen de achtergrond van de gemaakte procesafspraken, acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straffen passend en geboden. In deze straffen is al uitdrukkelijk rekening gehouden met het tijdsverloop en de overschrijding van de redelijke termijn. Gelet daarop ziet de rechtbank geen reden voor verdere matiging van de straf, zoals door de raadsvrouw is verzocht.
De periode van 96 dagen die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht zal in mindering worden gebracht op de gevangenisstraf.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.

6.In beslag genomen voorwerpen

Ter zitting heeft de verdachte bevestigd dat hij afstand doet van het in beslag genomen voorwerp zoals vermeld op de overgelegde lijst. Dit brengt met zich dat er geen beslag meer ligt waarover de rechtbank een beslissing moet nemen.

7.Voorlopige hechtenis

De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis bij bevel van 31 augustus 2021 geschorst met ingang van het moment waarop de verdachte zijn paspoort ter beschikking heeft gesteld aan de officier van justitie of een door deze aan te wijzen instantie. Volgens de officier van justitie heeft de verdachte 96 dagen in voorarrest doorgebracht.
De officier van justitie heeft gelet op de geëiste straf de opheffing van de voorlopige hechtenis gevorderd. De verdediging heeft zich daaraan gerefereerd.
De rechtbank zal het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opheffen met ingang van de dag waarop de totale duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk is aan het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf.

8.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straffen zijn gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 47, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet, en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9.Beslissingen

De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 5, 6 en 7 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3, zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straffen
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 15 (vijftien) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat
10 (tien) maanden van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een
proeftijd, die wordt gesteld op
2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
Taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht,
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
120 (honderdtwintig) dagen;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk is aan het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst.

10.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. F.P.J. Schoonen, voorzitter,
en mrs. C. Sikkel en Y. Peters, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 20 mei 2026.
Mrs. F.P.J. Schoonen en A.K. van Zanten zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het eerder ten laste gelegde feit 4 is geseponeerd en wordt daarom niet weergegeven.