ECLI:NL:RBROT:2026:7850

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
10/750453-20
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor handel in heroïne, medeplegen voorbereidingshandelingen en bezit munitie

De rechtbank Rotterdam heeft verdachte veroordeeld voor de handel in heroïne, het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de handel in deze harddrugs, het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne en heroïne, en het voorhanden hebben van munitie. De verdachte werd vrijgesproken van andere tenlastegelegde feiten na procesafspraken tussen de verdediging en het Openbaar Ministerie.

De bewezenverklaring betreft onder meer het verkopen en vervoeren van gebruikershoeveelheden heroïne in Rotterdam, Eindhoven en Steenbergen, het aanwezig hebben van heroïne en cocaïne in woningen, en het bezit van negen kogelpatronen. De rechtbank achtte de bewijsmiddelen wettig en overtuigend en wees bewijsverweren af.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 360 dagen op, waarvan 264 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 240 uur. Hierbij werd rekening gehouden met het tijdsverloop, de overschrijding van de redelijke termijn, en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte had 96 dagen voorarrest, welke in mindering werden gebracht op de onvoorwaardelijke straf.

De rechtbank oordeelde dat de straf passend is gezien de ernst van de feiten, de maatschappelijke impact van harddrugshandel en het bezit van munitie, en de eerdere veroordelingen van de verdachte. De voorlopige hechtenis werd opgeheven en de verdachte deed afstand van in beslag genomen goederen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 360 dagen gevangenisstraf (264 voorwaardelijk) en 240 uur taakstraf voor handel in heroïne, medeplegen voorbereidingshandelingen en bezit munitie.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/750453-20
Datum uitspraak: 20 mei 2026
Datum zitting: 6 mei 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. J.W. Vedder
Officier van justitie: mr. E.M. ter Braak
Kern van het vonnis
De verdachte heeft zich bezig gehouden met de handel in verdovende middelen (heroïne) en samen met een ander voorbereidingshandelingen gepleegd voor de handel in deze harddrugs. Daarnaast heeft hij verdovende middelen (cocaïne en heroïne) opzettelijk aanwezig gehad en munitie voorhanden gehad. De verdediging en de officier van justitie hebben procesafspraken gemaakt. Deze afspraken zijn door de rechtbank getoetst. De verdachte wordt, tegen de achtergrond van de gemaakte procesafspraken, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 264 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 240 uur, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - betrokken is geweest bij (voorbereidings- en bevorderingshandelingen met betrekking tot) de handel in cocaïne en heroïne en het in meerdere panden voorhanden hebben van deze drugs.
Daarnaast wordt de verdachte beschuldigd van het witwassen van een geldbedrag van ongeveer € 19.600,- en het voorhanden hebben van kogelpatronen.
De volledige tenlastelegging [1] (hierna beschuldiging) houdt in dat
1.
hij op of omstreeks 26 augustus 2020 in Rotterdam, (in de woning aan [adres 2] ), tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ongeveer 1.390 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of
- ongeveer 183,8 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,
zijnde cocaïne en heroïne (telkens) een middel bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2.
hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2020 tot en met 26 augustus 2020 in Rotterdam,
althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelheid/heden van een materiaal bevattende cocaïne en heroïne, zijnde cocaïne en heroïne, (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen
- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om die/dat feit(en) te plegen en/of om behulpzaam daarbij te zijn en/of
- zich en/of (een) of meer ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van die/dat feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of
- voorwerpen en/of vervoersmiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het/de hierboven bedoelde feit(en)
hebbende/is verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):
- de woning gelegen aan [adres 2] gebruikt en/of beschikbaar gesteld (gekregen) en/of
- versnijdingsmiddelen, te weten 364,1 gram Fenacetine en/of 134,0 gram Mannitol en/of 877,6 gram zetmeel, voorhanden gehad, en/of
- een of meerdere bundel(s) geld, met een totaal bedrag van 6620 euro, voorhanden gehad en/of
- een (druk)pers en/of een vacuurmachine en/of een weegschaal en/of een/of meer zakje(s) met poeder(s) voorhanden gehad;
4.
hij op of omstreeks 12 maart 2021 in Rotterdam, (in de woning aan [adres 3] ),
tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ongeveer 610,6 gram heroine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroine, zijnde heroine (telkens) een middel bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of
- ongeveer 5,6 gram cannabis, in elke geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cannabis, zijnde cannabis een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;.
6.
hij in of omstreeks de periode van 20 december 2020 tot en met 12 maart 2021 in Rotterdam, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelheid/heden van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen
- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om die/dat feit(en) te plegen en/of om behulpzaam daarbij te zijn en/of
- zich en/of (een) of meer ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van die/dat feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of
- voorwerpen en/of vervoersmiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het/de hierboven bedoelde feit(en)
hebbende/is verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):
- de woning gelegen aan [adres 3] gebruikt en/of beschikbaar gesteld (gekregen) en/of
- versnijdingsmiddelen, te weten 918 gram Paracetamol en/of cafeïne, voorhanden gehad,
en/of
- een (druk)pers en/of een/of meer plastic zak(ken) voorhanden gehad;
7.
hij in of omstreeks de periode van 28 februari 2021 tot en met 29 mei 2021 in Rotterdam en/of Eindhoven en/of Steenbergen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, telkens opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd, gebruikershoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne, (telkens) een middel voorkomende op lijst I van de Opiumwet;
8.
hij op of omstreeks 29 mei 2021 in Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een geldbedrag (ter hoogte van ongeveer 19.600 euro) heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet
en/of de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of wie dit voorwerp voorhanden had,
terwijl hij en/of zijn medeverdachte wist(en), althans redelijkerwijs had(den) kunnen vermoeden, dat dit geld - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf;
9.
hij in of omstreeks de periode van 25 juni 2020 tot en met 29 mei 2021 in Rotterdam (in een pand aan [adres 4] ), althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal,
(telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelheid/heden van een materiaal bevattende heroine, zijnde heroine, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen
- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om die/dat feit(en) te plegen en/of om behulpzaam daarbij te zijn en/of
- zich en/of (een) of meer ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van die/dat feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of
- voorwerpen en/of vervoersmiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het/de hierboven bedoelde feit(en)
hebbende/is verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):
- de woning gelegen aan [adres 4] gebruikt en/of beschikbaar gesteld (gekregen) en/of
- versnijdingsgereedschap (vergiet met mesje, glas, spatels, zeef), voorhanden gehad;
10.
hij op of omstreeks 29 mei 2021 in Rotterdam, (in de woning aan [adres 5] ),
tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ongeveer 14,2 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of
- ongeveer 22,5 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,
zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
11.
hij op of omstreeks 29 mei 2021 in Rotterdam (in de woning aan [adres 6] ), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,
voorhanden heeft gehad, 9 kogelpatronen (type 7.65 Mm), als bedoeld in art. 1 onder Pro 4, gelet op artikel 2, lid 2 cat III van de Wet Wapens en Munitie.

2.Procesafspraken

Totstandkoming van de procesafspraken
De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman, en de officier van justitie hebben onderhandelingen gevoerd over een mogelijke afdoening van deze zaak. Die onderhandelingen hebben geresulteerd in procesafspraken. De procesafspraken zijn vastgelegd in een overeenkomst die op 4 februari 2025 door de officier van justitie en de verdachte en zijn raadsman is ondertekend. De rechtbank is niet betrokken geweest bij (de totstandkoming van) deze procesafspraken. De overeenkomst is voorafgaand aan de zitting door de officier van justitie aan de rechtbank verstrekt.
Inhoud van de procesafspraken
Voor zover van belang houden de procesafspraken het volgende in:
De verdachte:
  • trekt eventuele ingediende onderzoekswensen in en dient geen nieuwe onderzoekswensen in
  • voert geen bewijsverweren;
  • hoeft geen (nadere) verklaring af te leggen;
  • zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf onttrekken;
  • doet afstand van de in beslag genomen goederen, te weten een auto (Peugeot), telefoon en € 600,-.
De officier van justitie:
  • zal vrijspraak vorderen voor de feiten 1, 2, 4, 5, 6 en 8;
  • zal requireren tot een bewezenverklaring en kwalificatie overeenkomstig de feiten zoals die in de overeenkomst zijn opgenomen, te weten de feiten 7, 9, 10 en 11;
  • zal een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen, waarvan 264 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 240 uur eisen. Uiteraard met aftrek van de 96 dagen voorarrest.
Beide partijen:
- zien af van hoger beroep indien de strafoplegging door de rechtbank conform deze overeenkomst plaatsvindt.

3.Bewijs / Vrijspraak

3.1.
Vordering van de officier van justitie en standpunt van de verdediging
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de feiten 7, 9, 10 en 11 en wordt vrijgesproken van de feiten 1, 2, 4, 5, 6 en 8.
De verdediging geen bewijsverweren gevoerd.
3.2.
Oordeel van de rechtbank
3.2.1.
Vrijspraak feiten 1, 2, 4, 5, 6 en 8
De beschuldiging, zoals onder 1, 2, 4, 5, 6 en 8 ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.
3.2.2.
Bewezenverklaring feiten 7, 9, 10 en 11 en bewijsmiddelen
Nu de verdediging geen bewijsverweren heeft gevoerd en de rechtbank het onder 7, 9, 10 en 11 ten laste gelegde op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen acht, zullen deze feiten zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
Bewezen is dat:
7.
hij in de periode van 28 februari 2021 tot en met 29 mei 2021 in Rotterdam en/of Eindhoven en/of Steenbergen meermalen, telkens opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd, gebruikershoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne, een middel voorkomende op lijst I van de Opiumwet;
9.
hij in de periode van 25 juni 2020 tot en met 29 mei 2021 in Rotterdam (in een pand aan [adres 4] ), meermalen, telkens tezamen en in vereniging met een ander,
om een feit, bedoeld in het vierde van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren en verstrekken, van een of meer hoeveelheid/heden van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen
- voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit
hebbende/is verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):
- de woning gelegen aan [adres 4] gebruikt en/of beschikbaar gesteld gekregen en
- versnijdingsgereedschap (vergiet met mesje, glas, spatels, zeef), voorhanden gehad;
10.
hij op of omstreeks 29 mei 2021 in Rotterdam, (in de woning aan [adres 5] ),
opzettelijk aanwezig heeft gehad
- 12,1 gram cocaïne, en
- ongeveer 22,5 gram heroïne,
zijnde cocaïne en/of heroïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
11.
hij op of omstreeks 29 mei 2021 in Rotterdam (in de woning aan [adres 6] ),
voorhanden heeft gehad, 9 kogelpatronen (type 7.65 Mm), zijnde munitie als bedoeld in art. 1 onder Pro 4, gelet op artikel 2, lid 2 cat III van de Wet Wapens en Munitie.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 7:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod;
Feit 9:
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
Feit 10:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
Feit 11:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
4.2.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straffen

5.1.
Beoordeling van de procesafspraken
Tijdens het onderzoek op de zitting van 6 mei 2026 zijn de gemaakte afspraken met de verdachte en zijn raadsman besproken. Daarbij zijn de vrijwilligheid van de procesafspraken, de bewustheid van de verdachte ten aanzien van de (inhoud van de) procesafspraken en de (mogelijke) gevolgen van de procesafspraken aan de orde gesteld. Bij het onderzoek op de zitting stond de beantwoording van de vragen uit de artikelen 348 en 350 Wetboek van Strafvordering (Sv) centraal, in het bijzonder de vragen die betrekking hebben op het bewijs en de op te leggen straf.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman, weloverwogen en vrijwillig tot de procesafspraken is gekomen en dat hij zich bewust is van de inhoud van de gemaakte afspraken, de procedure en de (mogelijke) gevolgen daarvan. Ook zijn de procesafspraken voor zowel de totstandkoming als de inhoud als eerlijk te bestempelen.
5.2.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor de feiten 7, 9, 10 en 11 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 264 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 240 uur, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis.
5.3.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft naar voren gebracht dat het inmiddels ruim een jaar geleden is dat de procesafspraken zijn gemaakt en de verdachte al die tijd in onzekerheid heeft geleefd en zijn leven ondertussen verder is gegaan. Hij heeft daarom verzocht om, gelet op het tijdsverloop, een taakstraf op te leggen van iets kortere duur dan wat in de procesafspraken met de officier van justitie is overeengekomen.
5.4.
Oordeel van de rechtbank
5.4.1.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich gedurende een periode van drie maanden bezig gehouden met de handel in heroïne. Ook heeft hij gedurende een periode van bijna een jaar samen met een ander voorbereidingshandelingen gepleegd voor de handel in deze harddrugs. Zij maakten daarbij gebruik van een woning en daarin aanwezige versnijdingsvoorwerpen. De verdachte had een uitvoerende rol, maar dealde ook zelf. Daarnaast heeft hij in de woning van zijn moeder 12,1 gram cocaïne, en ongeveer 22,5 gram heroïne opzettelijk aanwezig gehad. Hij heeft daarmee een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit in het land. Door harddrugs wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd. Feiten als deze brengen bovendien onrust voor de samenleving met zich mee en zijn maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Tenslotte leidt de handel in en het gebruik van harddrugs veelal, direct en indirect, tot vele andere vormen van (zware) criminaliteit, waaronder geweld en ondermijning. De verdachte heeft zich hier niet om bekommerd en heeft zich kennelijk alleen laten leiden door zijn eigen financiële gewin.
Daarnaast heeft de verdachte in de woning van zijn vriendin 9 kogelpatronen voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van munitie brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van de samenleving mee.
5.4.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad van 7 april 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten en dat dit ten opzichte van de onderhavige feiten (van juni 2020 tot en met mei 2021) langer geleden is (in 2014). Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Overige persoonlijke omstandigheden
De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij werk heeft.
5.4.3.
Redelijke termijn
De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 29 mei 2021, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van bijna 5 jaren verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden.
5.4.4.
Oplegging straffen
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De overeengekomen straffen staan naar het oordeel van de rechtbank in een redelijke verhouding tot de ernst van de zaak en de omstandigheden van het geval. De rechtbank weegt daarbij mee dat het gaat om feiten die bijna 6 jaar geleden zijn gepleegd, er sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn en de verdachte al die tijd in onzekerheid heeft geleefd over de afdoening van de zaak. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Gelet op deze omstandigheden, en met name het tijdsverloop, acht de rechtbank het – evenals de officier van justitie en de verdediging – passend om een aanzienlijk deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen en het onvoorwaardelijke deel daarvan te beperken tot de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, en daarnaast de maximale taakstraf op te leggen.
Alles afwegend, tegen de achtergrond van de gemaakte procesafspraken, acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straffen passend en geboden. In deze straffen is al uitdrukkelijk rekening gehouden met het tijdsverloop en de overschrijding van de redelijke termijn. Gelet daarop ziet de rechtbank geen reden voor verdere matiging van de straf, zoals door de raadsman is verzocht.
De periode van 96 dagen die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht zal in mindering worden gebracht op de gevangenisstraf.

6.In beslag genomen voorwerpen

Ter zitting heeft de verdachte bevestigd dat hij afstand doet van de in beslag genomen voorwerpen zoals vermeld op de overgelegde lijst. Dit brengt met zich dat er geen beslag meer ligt waarover de rechtbank een beslissing moet nemen.

7.Voorlopige hechtenis

De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis bij bevel van 31 augustus 2021 geschorst met ingang van het moment waarop de verdachte zijn paspoort ter beschikking heeft gesteld aan de officier van justitie of een door deze aan te wijzen instantie. Volgens de officier van justitie heeft de verdachte 96 dagen in voorarrest doorgebracht.
Gelet op de straf die wordt opgelegd, waarbij het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf gelijk is aan het al door de verdachte ondergane voorarrest, zal de rechtbank het bevel tot voorlopige hechtenis – zoals door de officier van justitie gevorderd – opheffen.

8.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straffen zijn gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 47, 57 en 63, van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet, en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9.Beslissingen

De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2, 4, 5, 6 en 8 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 7, 9, 10 en 11, zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straffen
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 360 dagen (driehonderdzestig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat
264 (tweehonderdvierenzestig) dagen van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een
proeftijd, die wordt gesteld op
2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
Taakstraf
veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht,
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
120 (honderdtwintig) dagen;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst.

10.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. F.P.J. Schoonen, voorzitter,
en mrs. C. Sikkel en Y. Peters, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 20 mei 2026.
Mrs. F.P.J. Schoonen en A.K. van Zanten zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het eerder ten laste gelegde feit 3 is geseponeerd en wordt daarom niet weergegeven.