ECLI:NL:RBROT:2026:7854

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
71/094110-25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 3 EVRMArt. 13 EVRMArt. 14 EVRMArt. 14 IVBPR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelaatbaarheid uitlevering aan Turkije ter strafvervolging ondanks bezwaren

De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek tot uitlevering van een persoon met dubbele nationaliteit Nederland en Turkije aan Turkse autoriteiten ter vervolging van vermeende strafbare feiten, waaronder lidmaatschap van een criminele organisatie en drugshandel.

De verdediging voerde aan dat de stukken onvoldoende zijn en dat uitlevering zou leiden tot een flagrante schending van artikel 6 EVRM Pro zonder effectief rechtsmiddel, mede vanwege de politieke achtergrond van de opgeëiste persoon. De rechtbank verwierp deze bezwaren wegens gebrek aan concrete onderbouwing en ging uit van het vertrouwensbeginsel dat Turkije fundamentele rechten respecteert.

De rechtbank adviseerde de Minister van Justitie en Veiligheid om garanties te vragen over een onvoorwaardelijke terugkeergarantie, het niet uitvoeren van eerdere straffen na deze zaak, en bescherming tegen behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro. De uitlevering werd toelaatbaar verklaard, waarbij de gevangenhouding onder voorwaarden gehandhaafd blijft.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de uitlevering aan Turkije toelaatbaar onder voorwaarde dat garanties worden gevraagd over terugkeer en behandeling.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2
UTL-nummer: [UTL-nummer]
Parketnummer: 71/094110-25
Datum uitspraak: 24 juni 2026
Uitspraakvan de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken op het verzoek van de Turkse autoriteiten tot uitlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] (Turkije),
van Nederlandse nationaliteit,
ingeschreven in de basisadministratie personen op het adres:
[adres] , [postcode] [woonplaats] ,
verder te noemen: de opgeëiste persoon.

1.Procedure

De Turkse autoriteiten hebben bij brief van 23 april 2025 van de ambassade van de Republiek Turkije (hierna: de Turkse ambassade) aan het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken een verzoek tot uitlevering ter vervolging van de opgeëiste persoon gedaan en daartoe stukken overgelegd.
De Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister) heeft bij brief van 6 mei 2025 het verzoek met de daarbij overgelegde stukken aan de officier van justitie bij het Landelijk Parket (hierna: de officier van justitie) gezonden met het verzoek het uitleveringsverzoek in behandeling te nemen.
De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering van 7 mei 2025 gevorderd dat de rechtbank het uitleveringsverzoek in behandeling zal nemen en heeft een beslissing over de gevangenhouding van de opgeëiste persoon verzocht.
Op 14 oktober 2025 heeft de rechtbank op de openbare zitting gehoord:
  • de officier van justitie, mr. C. Goedegebuure;
  • de opgeëiste persoon en zijn raadsman mr. C.C. Polat, advocaat te Breukelen.
De rechtbank heeft de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen onder gelijktijdige schorsing van de gevangenhouding onder voorwaarden. De rechtbank heeft vervolgens de behandeling van de zaak geschorst voor onbepaalde tijd.
Op 10 juni 2026 heeft de nadere behandeling van het uitleveringsverzoek op de openbare zitting plaatsgevonden. De rechtbank, die met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling zit, heeft op deze zitting de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman gehoord.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toelaatbaarheid van de uitlevering en heeft een schriftelijke samenvatting aan de rechtbank overgelegd.

2.Verzoek

De uitlevering wordt verzocht met het oog op een tegen de opgeëiste persoon ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan de feiten die zijn omschreven in het uitleveringsverzoek en de twee daarbij gevoegde nationale aanhoudingsbevelen van 18 maart 2025, die zijn uitgevaardigd door het gerecht in Istanbul, genaamd ‘ [aanhoudingsbevel] ’, waarvoor zijn aanhouding is gelast.
Het betreft de volgende strafbare feiten:
lidmaatschap van een organisatie die is opgericht met het oogmerk een misdrijf te plegen, strafbaar gesteld in artikel 220, leden 1 en 2 van het Turkse Wetboek van Strafrecht met nummer 5237;
handel in of levering van verdovende of stimulerende middelen, strafbaar gesteld in artikel 188, leden 1, 3 en 5 van het Turkse Wetboek van Strafrecht met nummer 5237.
Van een gedeelte van de Nederlandse vertaling van het uitleveringsverzoek is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie aan deze uitspraak gehecht waarvan het tussen haken geplaatste gedeelte, bevattende de omschrijving van de strafbare feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd, als hier ingevoegd dient te worden beschouwd.

3.Toepasselijk verdrag

Van toepassing is het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 (Trb. 1965, 9), verder te noemen het EUV.

4.Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hij de persoon is, genoemd en nader aangeduid in het uitleveringsverzoek en dat hij de Nederlandse en Turkse nationaliteit bezit. Nu er geen aanwijzingen zijn voor het tegendeel, gaat de rechtbank uit van de juistheid van die verklaring.

5.Genoegzaamheid van de stukken

5.1
Standpunt opgeëiste persoon
De raadsman heeft aangevoerd dat in de stukken van de Turkse autoriteiten niet is vermeld dat de opgeëiste persoon in Turkije eerder onherroepelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1,5 jaar en dat de opgeëiste persoon deze straf nog dient te ondergaan. Hierover is het Openbaar Ministerie door hem aangeschreven. Ter illustratie van hetgeen is aangevoerd heeft de raadsman op de terechtzitting van 10 juni 2026 een “arrest in hoger beroep” van 18 maart 2024 van de “1e strafkamer” van het “Gerechtshof Diyarbakir” overgelegd (hierna: het overgelegde stuk), alsmede een Nederlandse vertaling daarvan. Het gevaar bestaat dat de opgeëiste persoon na uitlevering en de beëindiging/voltooiing van deze strafzaak die straf in Turkije dient te ondergaan, wat volgens de verdediging zou neerkomen op een verkapte executie-uitlevering. Dit laatste is niet toegestaan op grond van artikel 4 van Pro de Uitleveringswet (UW). De enkele garantie dat de opgeëiste persoon niet zal worden vervolgd voor andere strafbare feiten zonder toestemming van Nederland is niet voldoende, omdat het ten dien aanzien niet om een nieuwe vervolging gaat maar om de executie van een gevangenisstraf. Gelet hierop is – zo begrijpt de rechtbank het betoog van de verdediging met een beroep op het overgelegde stuk - sprake van ongenoegzaamheid van de stukken.
5.2.
Beoordeling
Aan de orde is een verzoek tot vervolgingsuitlevering. De vraag is of de rechtbank beschikt over de vereiste stukken ter beoordeling van de toelaatbaarheid daarvan.
Onder de door de Turkse autoriteiten overgelegde stukken bevinden zich een afschrift van de toepasselijke wetsbepalingen en de overige noodzakelijke gegevens met betrekking tot de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht en het vaststellen van de identiteit en nationaliteit van de opgeëiste persoon.
De stukken voldoen aan de eisen van artikel 12, tweede lid, EUV en artikel 18 UW Pro. Het standpunt van de opgeëiste persoon dat deze stukken niet genoegzaam zijn wordt verworpen.
Met betrekking tot het overgelegde stuk overweegt de rechtbank dat dit stuk in het kader van de toetsing door de Minister mogelijk – mede afhankelijk van de authenticiteit daarvan - nadere aandacht vergt. De rechtbank ziet aanleiding om aan de Minister te adviseren om navraag te doen over dat stuk en de betekenis ervan voor de rechtspositie van de opgeëiste persoon na voltooiing van de strafvervolging in de voorliggende zaak.

6.Inhoudelijke beoordeling en bespreking verweer

6.1
Dubbele strafbaarheid
De feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht, zijn volgens de overgelegde wetsbepalingen naar Turks recht strafbaar. Ter zake van die feiten kan ingevolge die bepalingen telkens een vrijheidsstraf worden opgelegd met een maximum van ten minste een jaar.
Ook naar Nederlands recht zijn de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht strafbaar, te weten als:
1. deelneming aan een criminele organisatie, strafbaar gesteld bij artikel 140 van Pro het Wetboek van Strafrecht,
danwel
deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, 10a, eerste lid, of 11, derde, vierde en vijfde lid, strafbaar gesteld bij artikel 11b van de Opiumwet, en;
2. ( (medeplegen van) opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A gegeven verbod en/of de in artikel 2 onder Pro B gegeven verboden, strafbaar gesteld in (artikel 47 van Pro het Wetboek van Strafvordering in verbinding met) artikel 2 in Pro verbinding met artikel 10 van Pro de Opiumwet.
Voor deze feiten kan naar Nederlands recht telkens een vrijheidsstraf van ten minste een jaar worden opgelegd.
Gezien het vorenstaande is voldaan aan de vereisten ten aanzien van de dubbele strafbaarheid in artikel 2, eerste lid, EUV en artikel 5 UW Pro.
6.2
Dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM Pro
Standpunt opgeëiste persoon
De raadsman heeft aangevoerd dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard, omdat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het
risico van een flagrante inbreuk op zijn rechten op grond van artikel 6, eerste lid, EVRM en hem na uitlevering geen effectief rechtsmiddel ten dienste zal staan. Hij heeft, onder verwijzing naar meerdere open bronnen, gesteld dat daarvan sprake is, gelet op (onder meer recente) ontwikkelingen met betrekking tot de Turkse rechtsstaat in verband waarmee grote zorgen bestaan over de situatie van de rechtsstaat in Turkije en er op zijn minst twijfel bestaat over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechtspraak in Turkije. Met name personen die tegenstander zijn van het huidige regime (de AK-partij) en/of van president Erdogan lopen het risico geen eerlijk proces te krijgen. Dat kan ook het geval zijn als sprake is van vervolging voor een commuun feit. Ook daarbij kan de vervolging zijn ingegeven vanuit een politiek motief. De opgeëiste persoon is Koerd en uitgesproken tegenstander van president Erdogan. Het is daarom ondenkbaar dat hij een eerlijk proces zal krijgen en dat dit binnen de redelijke termijn zal plaatsvinden.
Beoordeling
Uitgangspunt bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek gebaseerd op een uitleveringsverdrag, is dat in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten die zijn neergelegd in het EVRM en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR) zal respecteren.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad inzake de bevoegdheidstoedeling in uitleveringszaken geldt dat, indien het gaat om een verzoek tot uitlevering ter strafvervolging en wordt aangevoerd dat in de desbetreffende strafzaak inbreuk dreigt te worden gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM en/of artikel 14, eerste lid, IVBPR, het in de regel niet aan de uitleveringsrechter is om te oordelen over de gegrondheid van zo een beroep op een dreigende mensenrechtenschending. In een dergelijk geval moet in beginsel worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat deze verdragsbepaling(en) zal eerbiedigen. Een dergelijk verweer kan dus niet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering, zij het dat de uitleveringsrechter in wat er aangevoerd wordt reden kan vinden de Minister in zijn advies als bedoeld in artikel 30 UW Pro, deelgenoot te maken van zijn opvatting omtrent het aan het uitleveringsverzoek te geven gevolg, waaronder begrepen het vragen van garanties aan de verzoekende Staat om een dergelijke dreigende schending te voorkomen.
Op grond van het vertrouwensbeginsel moet voorts worden aangenomen dat het rechtssysteem van de verzoekende Staat de opgeëiste persoon in staat stelt om na diens uitlevering ter strafvervolging een beroep op een mensenrechtenschending voor te leggen aan de rechter van de verzoekende Staat en dat deze daar dan een oordeel over geeft met het oog op de waarborging van het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM en/of artikel 14, eerste lid, IVBPR.
Op het uitgangspunt dat in de gevallen waarin de uitlevering ter strafvervolging is gevraagd, de uitleveringsrechter in beginsel niet inhoudelijk oordeelt over een beroep op dreigende mensenrechtenschendingen, kan een uitzondering gemaakt worden als naar aanleiding van een bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan
dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge deze verdragsbepalingen toekomend recht, en tevens
dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM Pro respectievelijk artikel 2, derde lid aanhef en onder a, IVBPR ten dienste staat.
Uit de door de raadsman gegeven onderbouwing blijkt niet dat en waarom ten aanzien van specifiek de opgeëiste persoon na zijn uitlevering een flagrante schending van artikel 6 EVRM Pro dreigt en hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM Pro ten dienste staat, zodat dit verweer wordt verworpen. Het enkel (zonder enige onderbouwing) benoemen dat de opgeëiste persoon Koerd en uitgesproken tegenstander van president Erdogan is en het beroep op de algemene zorgwekkende situatie van de rechtsstaat in Turkije is daarvoor onvoldoende. Daaruit blijkt niet waarom voor specifiek de opgeëiste persoon een reëel gevaar zou bestaan dat zijn recht op een eerlijk proces of enig ander hem op grond van artikel 6 EVRM Pro toekomend recht zal worden geschonden bij de strafvervolging wegens de commune delicten die ten grondslag liggen aan het uitleveringsverzoek.

7.Slotsom

Voor de feiten waarvoor de uitlevering ter strafvervolging wordt verzocht, is aan alle daarvoor in de wet en het toepasselijk verdrag gestelde eisen voldaan. Daarom wordt de gevraagde uitlevering toelaatbaar verklaard.

8.Advies aan de Minister

Voor het geval de rechtbank de uitlevering toelaatbaar zou verklaren, heeft de raadsman de rechtbank subsidiair verzocht een advies aan de Minister te geven omtrent het aan het verzoek tot uitlevering te geven gevolg.
8.1.
Dreigende schending van de artikelen 3 en 6 EVRM en weigeringsgrond artikel 10 UW Pro
De raadsman heeft verzocht de Minister in het advies te wijzen op hetgeen hij ten aanzien van de gestelde dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM Pro naar voren heeft gebracht, zodat de Minister dit kan betrekken bij de beoordeling of sprake is van een dreigende schending van artikel 6 EVRM Pro.
Ook heeft hij, onder verwijzing naar hetgeen hij heeft aangevoerd, gesteld dat een gegrond vermoeden bestaat dat de opgeëiste persoon bij uitlevering zal worden vervolgd of gestraft in verband met zijn politieke overtuiging en de uitlevering gelet daarop moet worden geweigerd op grond van artikel 10 UW Pro. Hij heeft verzocht ook dat onder de aandacht te brengen van de Minister.
De raadsman heeft verder aangevoerd dat de opgeëiste persoon, als Koerd en tegenstander van de AK-partij, een reëel gevaar loopt om te worden onderworpen aan foltering of aan een onmenselijke of vernederende situatie of bestraffing en er dus sprake is van een flagrante dreigende schending van artikel 3 EVRM Pro. Daarbij heeft hij gewezen op een rapport van de Human Rights Association Istanbul, van mei 2020 en met name het hoofdstuk ‘Torture als Ill-Treatment’. Daarin staat dat er significante bevindingen zijn waaruit blijkt dat een grote toename is van zaken in Turkije waarbij marteling en onmenselijke behandeling worden gebruikt om te intimideren, bekentenissen af te dwingen of uit machtsmisbruik en dat dit ook gebeurt vanuit een politiek oogpunt en Turkije niet genoeg doet om deze praktijken te stoppen.
Bij gebrek aan een onderbouwing ten aanzien van de achtergrond en politieke overtuiging van de opgeëiste persoon en (daarmee) ook een concrete onderbouwing ten aanzien van deze weigeringsgronden, ziet de rechtbank geen reden om hetgeen de raadsman hierover heeft aangevoerd onder de aandacht van de Minister te brengen.
De rechtbank constateert dat in de garanties die zijn gegeven in het uitleveringsverzoek niet expliciet staat dat de opgeëiste persoon niet zal worden blootgesteld aan foltering dan wel aan een onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM Pro. De rechtbank zal daarom wel in haar advies de Minister adviseren om, alvorens de gevraagde uitlevering toe te staan, van de Turkse autoriteiten de garantie te verlangen dat de opgeëiste persoon daar niet aan zal worden blootgesteld.
8.2.
Terugkeergarantie (artikel 4 UW Pro) en specialiteitsbeginsel (artikel 14 EUV Pro)
Omdat de opgeëiste persoon ook de Nederlandse nationaliteit heeft, geldt op grond van artikel 4 UW Pro dat hij alleen mag worden uitgeleverd als naar het oordeel van de Minister is gewaarborgd dat hij, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, naar Nederland mag terugkeren om de straf daar te ondergaan.
De Turkse autoriteiten hebben bij brief van 16 mei 2025 van de Turkse ambassade aan het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken een terugkeergarantie verstrekt.
De raadsman heeft gesteld dat deze terugkeergarantie te vrijblijvend en niet onvoorwaardelijk is en daarmee niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 4 UW Pro. Deze terugkeergarantie biedt daarom volgens de raadsman onvoldoende zekerheden dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk zal worden teruggeleverd door Turkije na beëindiging/voltooiing van zijn strafzaak.
De rechtbank ziet in de gegeven onderbouwing aanleiding om de Minister te adviseren om van de Turkse autoriteiten, in geval van toestemming voor uitlevering, te verlangen dat een specifiek ten aanzien van de opgeëiste persoon gegeven onvoorwaardelijke terugkeergarantie wordt gegeven waarin staat dat iedere aan hem op te leggen vrijheidsbenemende straf ter zake van de feiten waarvoor hij wordt uitgeleverd, door hem in Nederland kan worden ondergaan, alsmede gelet op het specialiteitsbeginsel als bedoeld in artikel 14 EUV Pro van de Turkse autoriteiten de garantie te verlangen dat na de beëindiging/voltooiing van deze strafzaak niet zal worden overgegaan tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde maar nog niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf.
8.3.
Aanwezigheidsrecht lopende strafzaak
De raadsman heeft tot slot naar voren gebracht dat er een lopende strafzaak in Nederland is waarin de opgeëiste persoon wordt verdacht van witwassen. Er is nog geen parketnummer aan deze zaak gekoppeld, maar als in deze zaak een zitting wordt gepland wenst de opgeëiste persoon gebruik te maken van zijn aanwezigheidsrecht. Gelet daarop heeft hij verzocht om de Minister te adviseren hier rekening mee te houden en de uitlevering eventueel op te schorten totdat de opgeëiste persoon gebruik heeft kunnen maken van zijn aanwezigheidsrecht.
Dat sprake is van een lopende strafzaak tegen de opgeëiste persoon is niet gebleken noch nader onderbouwd door de raadsman.
De rechtbank ziet daarom geen reden om de Minister hierover te adviseren.

9.Toepasselijke artikelen

De beslissing is, behalve op de reeds genoemde artikelen, gegrond op
de artikelen 1 en 2 EUV,
de artikelen 2, 5, 26 en 28 UW.

10.Vrijheidsbeneming

In de op 14 oktober 2025 bevolen gevangenhouding van de opgeëiste persoon, welke vrijheidsbeneming met ingang van diezelfde dag is geschorst onder zeven voorwaarden zal de rechtbank geen wijziging aanbrengen.

11.Beslissing

De rechtbank:
verklaart
toelaatbaarde uitlevering aan Turkije van [de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] (Turkije), ter strafvervolging van de feiten zoals omschreven in het hiervoor genoemde uitleveringsverzoek en de daarbij gevoegde nationale aanhoudingsbevelen.
Deze beslissing is genomen door:
mr. J.J. Bade, voorzitter,
mrs. D. van der Sluis en A.M. Nuijens, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank op 24 juni 2026.
Mrs. Van der Sluis en Nuijens zijn niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen.
Bijlage:
Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van een gedeelte van de Nederlandse vertaling
van het uitleveringsverzoek.