ECLI:NL:RBROT:2026:7859

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
ROT 26/4646
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.28 APV Rotterdam 2012Art. 24.1 planregels bestemmingsplan Oude Noorden en Agniesebuurt
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen tijdelijke uitbreiding terrasvlonder wegens onvoldoende motivering woon- en leefklimaat

De burgemeester van Rotterdam verleende op 12 mei 2026 een tijdelijke uitbreiding van de exploitatie- en alcoholwetvergunning voor een terrasvlonder aan een horeca-inrichting. Verzoeker, een omwonende, maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is, met name omdat de burgemeester niet de gevolgen van de terrasvlonder in samenhang met de bestaande horeca-inrichting en het reeds toegestane terras heeft beoordeeld. De belangen van omwonenden met betrekking tot het woon- en leefklimaat zijn niet adequaat meegewogen, ondanks eerdere meldingen van (geluids)overlast.

De voorzieningenrechter concludeerde dat de burgemeester ten onrechte alleen de terrasvlonder afzonderlijk heeft beoordeeld en niet in samenhang met de andere terrassen en voorschriften uit eerdere vergunningen. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en het besluit geschorst tot zes weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar.

Uitkomst: Het besluit tot tijdelijke uitbreiding van de terrasvlondervergunning is geschorst wegens onvoldoende motivering van de gevolgen voor het woon- en leefklimaat.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/4646

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 juni 2026 in de zaak tussen

[naam verzoeker] , uit [plaats 1] , verzoeker

en

de burgemeester van Rotterdam,

(gemachtigden: mr. R. Duivenvoorde en [naam gemachtigde] ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[persoon A]h.o.d.n.
[handelsnaam]uit [plaats 2]
(gemachtigde: mr. M. West) (vergunninghouder).

Procesverloop

1. Bij bestreden besluit van 12 mei 2026 heeft de burgemeester een tijdelijke uitbreiding van de exploitatie- en een alcoholwetvergunning verleend aan vergunninghouder. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigden van de burgemeester en de gemachtigde van vergunninghouder.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Op 28 april 2026 heeft vergunninghouder een aanvraag ingediend voor een terrasvlonder op vier parkeerplaatsen aan de zijkant van de horeca-inrichting aan de [straatnaam 1] .
2.1.
Bij besluit van 12 mei 2026 heeft de burgemeester een tijdelijke uitbreiding verleend op de exploitatie- en alcoholwetvergunning van vergunninghouder voor het plaatsen en in gebruik nemen van een terrasvlonder op vier parkeerplaatsen aan de [straatnaam 1] vanaf 15 mei 2026 tot en met 15 oktober 2026. Het is toegestaan de terrasvlonders dagelijks geopend te hebben tot 01:00 uur.
2.2.
Verzoeker woont aan de [adres] in Rotterdam.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
4. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Toetsingskader
5. Op grond van artikel 2.28, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012 (de APV Rotterdam 2012) is het verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
Op grond van artikel 2.28, vijfde lid, van de APV Rotterdam 2012 weigert de burgemeester de exploitatievergunning of trekt deze in indien:
a. de vestiging of de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan of het Activiteitenbesluit, zoals dat luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
b. de vestiging of de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een horecagebiedsplan en voor dat gebied of de locatie geen advies aan de adviescommissie, als bedoeld in artikel 2:28b, wordt of is gevraagd;
c. de exploitant van de inrichting niet voldoet aan de in het vierde lid gestelde eisen.
Op grond van artikel 2.28, zesde lid, onder a, van de APV Rotterdam 2012 kan de burgemeester de exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, intrekken, wijzigen of schorsen, indien in of vanuit de openbare inrichting een feit of feiten hebben voorgedaan of aannemelijk is dat in de toekomst zich een feit of feiten gaan voordoen waardoor de openbare orde of het woon- en leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting nadelig zal worden beïnvloed.
Artikel 2.28, vijfde lid, van de APV Rotterdam 2012
6. Ter zitting is aan de orde gesteld of het tijdelijke terras in overeenstemming is met het omgevingsplan. Dat is in deze procedure van belang omdat de burgemeester de exploitatievergunning moet weigeren als de horeca-inrichting in strijd is met een van de weigeringsgronden uit artikel 2.28, vijfde lid, van de APV Rotterdam 2012. Eén van die weigeringsgronden is dat de vestiging of exploitatie van de horeca-inrichting in strijd is met het omgevingsplan. Het Omgevingsplan gemeente Rotterdam bestaat uit een tijdelijk deel, waarin onder meer het bestemmingsplan “Oude Noorden en Agniesebuurt” is opgenomen. Uit dit bestemmingsplan volgt dat de gronden waarop de terrasvlonder aan de [straatnaam 1] staat, de bestemming “Verkeer – Verblijfsgebied” heeft. Op grond van artikel 24.1, onder i, van de planregels zijn de voor “Verkeer – Verblijfsgebied” aangewezen gronden onder meer bestemd voor terrassen ten behoeve van een horecavestiging die is toegelaten op grond van een aangrenzende bestemming. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in zoverre dus geen omgevingsvergunning vereist voor de terrasvlonder. Tussen partijen is niet in geschil dat één van de andere dwingende weigeringsgronden uit artikel 2.28, vijfde lid, van de APV Rotterdam 2012 niet aan de vergunningverlening in de weg staat.
Artikel 2.28, zesde lid, van de APV Rotterdam 2012
7. Verzoeker voert aan dat de burgemeester de uitbreiding van de exploitatie- en alcoholwetvergunning voor de terrasvlonder aan de [straatnaam 1] niet kon verlenen. Volgens verzoeker zorgt de terrasvlonder samen met de andere terrassen van de horeca-inrichting voor onevenredige (geluids)overlast en hebben omwonenden hier al meermaals melding van gemaakt. Daarbij is de vergunning in strijd met het voorschrift uit de eerder aan vergunninghouder verleende omgevings- en exploitatievergunningen voor het terras aan de [straatnaam 2] . Op grond van dit voorschrift kan alleen gebruik worden gemaakt van het overterras aan de [straatnaam 2] als er gelijktijdig geen (vergunningvrije) gevelzitplaatsen aan de zijde van de [straatnaam 1] worden geplaatst. Verzoeker wijst erop dat dit voorschrift is opgenomen naar aanleiding van het advies van DCMR Milieudienst Rijnmond (DCMR).
7.1.
De burgemeester heeft op de zitting toegelicht dat een aanvraag voor een terrasvlonder wordt getoetst aan de Horecanota. Daarbij wordt ook het woon- en leefklimaat meegenomen. De horecagebiedsadviseur heeft een positief advies gegeven op de aanvraag. Er is sprake van een eerste aanvraag voor een terrasvlonder waarbij geen objectieve overlast is vastgesteld. Er zijn namelijk geen overlastmeldingen over de terrasvlonder. Volgens de burgemeester maakt het voorschrift in de andere omgevings- en exploitatievergunning nog niet dat er geen vergunning kon worden verleend voor de terrasvlonder. Er wordt getoetst per terrasaanvraag. De burgemeester heeft toegelicht dat de vergunning kon worden verleend nu het gaat om een tijdelijke terrasvlonder die past binnen het horecabeleid.
7.2.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter ontbreekt in het bestreden besluit een deugdelijke beoordeling en motivering van de ruimtelijke situatie ter plaatse. De burgemeester heeft weliswaar een (summiere) belangenafweging gemaakt maar de voorzieningenrechter vindt dat hieruit niet blijkt dat de belangen van omwonenden in verband met een goed woon- en leefklimaat kenbaar zijn meegewogen. De e-mail van de horecagebiedsadviseur vindt de voorzieningenrechter in dat opzicht ook volstrekt onvoldoende. Een serieus advies kun je dit niet noemen. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat DCMR eerder in het kader van de omgevingsvergunning voor het terras aan de [straatnaam 2] had aangegeven dat het stemgeluid in de avonduren aan de [straatnaam 1] minder moest worden, zodat er zo min mogelijk druk op het woon- en leefklimaat zou worden gelegd. Dat er nog geen objectieve overlast vanwege dit terrasvlonder is vastgesteld en het feit dat de vergunning ziet op het tijdelijk plaatsen en gebruiken van de terrasvlonder, vindt de voorzieningenrechter in het licht van het voorgaande ook onvoldoende voor de conclusie dat de terrasvlonder geen ontoelaatbare nadelige invloed heeft op het woon- en leefklimaat van omwonenden. Omwonenden hebben immers meermaals melding gemaakt van (geluids)overlast van de horeca-inrichting. De burgemeester neemt in zoverre ten onrechte alleen de terrasvlonder in beschouwing bij het beoordelen van de gevolgen voor het woon- en leefklimaat ter plaatse maar het gaat er juist om dat er sprake is van een bestaande horeca-inrichting met bijbehorend terras. De aanvraag maakt daarnaast een tweede terras mogelijk en de burgemeester moet de gevolgen daarvan beoordelen in het licht van wat al reeds is toegestaan. Verder is de vergunning verleend voor de zomerperiode waarin juist veel gebruik zal wordt gemaakt van het terras met de daarbij behorende gevolgen voor de geluidssituatie ter plaatse. De burgemeester had bij de beoordeling van de aanvraag nader moeten onderzoeken en motiveren in welke mate de geluidsproductie van de terrasvlonder aan de [straatnaam 1] van invloed is op het woon- en leefklimaat van omwonenden, mede gelet op de andere terrassen van de horeca-inrichting en het voorschrift in de andere verleende exploitatievergunning en de omgevingsvergunning over het niet gelijktijdig gebruiken van de (gevel)terrassen aan de [straatnaam 2] en [straatnaam 1] . De voorzieningenrechter kan het niet anders zien dan dat zowel in de omgevingsvergunning als in de exploitatievergunning voor de horeca-inrichting met bijbehorend terras aan de [straatnaam 2] van doorslaggevend belang is geacht dat de geluidgevolgen alleen dan aanvaardbaar zijn als er geen terras aan de [straatnaam 1] mogelijk is. Dat het in die procedures ging om een mogelijk gevelterras aan de [straatnaam 1] maakt dat in het licht van een beoordeling van de geluidgevolgen niet anders. Sterker nog, de nu aangevraagde en vergunde terrasvlonder kent meer zitplaatsen en heeft dus vermoedelijk grotere gevolgen voor het woon- en leefklimaat ter plaatse. De burgemeester dient dit in de bezwaarfase dan ook nader te onderzoeken en te motiveren.
7.3.
Gelet op de betrokken belangen ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het bestreden besluit in de bezwaarfase te schorsen. Hierbij wordt doorslaggevende betekenis toegekend aan het advies van de DCMR over het stemgeluid aan de [straatnaam 1] en de omstandigheid dat het gaat om een vergunning voor de zomerperiode waarin juist gebruik zal worden gemaakt van het terras.

Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit van 12 mei 2026 is geschorst tot zes weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar.
8.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
- schorst het bestreden besluit van 12 mei 2026 tot zes weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar;
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.S.Y. Verweij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.
De griffier en de voorzieningenrechter zijn verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.