ECLI:NL:RBROT:2026:7917

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
10-247847-25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37a SrArt. 37b SrArt. 38v SrArt. 38w SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor stalking en mishandeling met oplegging tbs en contactverbod

De rechtbank Rotterdam heeft de verdachte veroordeeld voor het stelselmatig belagen (stalking) en mishandelen van zijn ex-vriendin in de periode van augustus tot december 2025. De verdachte heeft haar onder meer veelvuldig gebeld en bericht, zich in de buurt van haar woning opgehouden en haar fysiek mishandeld door aan haar haren te trekken. De bedreiging waarvan hij werd beschuldigd is niet bewezen verklaard.

De rechtbank heeft de feiten in verminderde mate aan de verdachte toegerekend vanwege zijn verstandelijke beperking, antisociale persoonlijkheidsstoornis en stoornissen in het gebruik van alcohol en cocaïne. Diverse deskundigen en de reclassering adviseerden een langdurige forensische behandeling in een klinische setting.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 250 dagen op, met aftrek van het voorarrest, en een tbs-maatregel met dwangverpleging. Daarnaast werd een contactverbod (38v-maatregel) van vijf jaar opgelegd, met een sanctie van vervangende hechtenis bij overtreding. De rechtbank wees een voorwaardelijke tbs af vanwege het beperkte ziekte-inzicht en de hoge recidiverisico's.

De straf en maatregelen zijn gebaseerd op diverse artikelen uit het Wetboek van Strafrecht. De verdachte werd vrijgesproken van de bedreiging, maar veroordeeld voor stalking en mishandeling. De uitspraak werd gedaan op 30 juni 2026 door een meervoudige kamer strafzaken.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 250 dagen gevangenisstraf, tbs met dwangverpleging en vijf jaar contactverbod voor stalking en mishandeling.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-247847-25
Datum uitspraak: 30 juni 2026
Datum zitting: 16 juni 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1977 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven op het adres:
[adres] , [postcode] [plaatsnaam] ,
gedetineerd in de penitentiaire inrichting in Krimpen aan den IJssel.
Advocaat van de verdachte: mr. P. van Tour
Officier van justitie: mr. B.M. van Heemst
Kern van het vonnis
De verdachte wordt veroordeeld voor het belagen (stalking) en mishandelen van zijn (ex)vriendin. De feiten kunnen de verdachte in verminderde mate worden toegerekend. De rechtbank zal aan de verdachte een gevangenisstraf opleggen van 250 dagen met aftrek van het voorarrest. Daarnaast zal de rechtbank een tbs-maatregel met dwangverpleging opleggen. Ook wordt aan de verdachte een 38v-maatregel opgelegd in de vorm van een contactverbod met de aangeefster.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - zijn (ex)vriendin heeft belaagd, mishandeld en bedreigd.
De volledige tenlastelegging houdt in dat:
feit 1
hij in de periode van 1 augustus 2025 tot en met 28 december 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door:
- veelvuldig berichten te sturen naar die [slachtoffer] en/of
- veelvuldig te (video)bellen naar die [slachtoffer] en/of
- naar de vader van die [slachtoffer] te bellen en/of
- zich veelvuldig, althans meerdere malen, op te houden in de buurt van het werk en/of de woning van die [slachtoffer] en/of
- door de brievenbus van die [slachtoffer] naar binnen in de woning van die [slachtoffer] te kijken
met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
feit 2
hij in de periode van 1 augustus 2025 tot en met 31 augustus 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld, door aan haar haren te trekken en/of aan haar oorbel te trekken;
feit 3
hij op of omstreeks 13 september 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "straks gooi ik je in de sloot en laat ik je verdrinken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten 1, 2 en 3.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor feit 3. Verder heeft de verdediging verzocht de pleegperiode met betrekking tot feit 1 te beperken tot de periode vanaf 14 september 2025. Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen belaging en mishandeling (feiten 1 en 2)
Bewezen is dat de verdachte zijn (ex)vriendin heeft belaagd en mishandeld. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2.
De bewezenverklaring van feit 1 en 2 is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
1.
Verklaring van de verdachte [1]
2.
Proces-verbaal van de politie, verklaring [aangeefster] [2]
3.
Proces-verbaal van de rechter-commissaris, verklaring [aangeefster] [3]
4.
Proces-verbaal van de politie [4]
5.
Proces-verbaal van de politie [5]
2.3.2.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 1
hij in de periode van 14 september 2025 tot en met 28 december 2025 te Rotterdam, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door:
- veelvuldig berichten te sturen naar die [slachtoffer] en
- veelvuldig te (video)bellen naar die [slachtoffer] en
- zich meerdere malen op te houden in de buurt van de woning van die [slachtoffer] en
- door de brievenbus van die [slachtoffer] naar binnen in de woning van die [slachtoffer] te kijken
met het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te doen en/of te dulden;
Feit 2
hij in de periode van 1 augustus 2025 tot en met 31 augustus 2025 te Rotterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld, door aan haar haren te trekken.
2.3.3.
Vrijspraak bedreiging (feit 3)
De bedreiging waarvan de verdachte wordt beschuldigd is niet bewezen. De aangeefster heeft verklaard dat de verdachte haar heeft bedreigd met de woorden: “straks gooi ik je in de sloot en laat ik je verdrinken”. De moeder van de aangeefster heeft weliswaar verklaard dat de verdachte zou hebben gedreigd, maar zij heeft het gebruik door de verdachte van deze specifieke, dan wel daarmee vergelijkbare, bewoordingen niet bevestigd. Zij spreekt over wezenlijk andere bewoordingen. De verdachte heeft de gestelde bedreiging bovendien uitdrukkelijk ontkend. De verdachte wordt daarom vrijgesproken van de tenlastegelegde bedreiging.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1
belaging;
Feit 2
mishandeling.
3.2.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf en maatregel

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten 1, 2 en 3 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 250 dagen met aftrek van voorarrest. Daarnaast moet de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) met dwangverpleging (ongemaximeerd), de 38v-maatregel (een contactverbod) en de 38z-maatregel worden opgelegd.
4.2.
Standpunt van de verdediging
Verzocht is een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en af te zien van oplegging van een tbs-maatregel met dwang, omdat dit niet proportioneel en noodzakelijk is. Als toch een tbs-maatregel wordt opgelegd, dan wordt verzocht deze maatregel met voorwaarden op te leggen.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging en mishandeling van zijn (ex)vriendin. De verdachte heeft zijn toenmalige vriendin mishandeld door aan haar haren te trekken. Toen de relatie kort daarna door de aangeefster werd verbroken is de verdachte haar gaan stalken. Zo heeft hij haar in een periode van bijna vier maanden veelvuldig berichten gestuurd en gebeld, heeft hij zich in de buurt van haar woning opgehouden en door haar brievenbus naar binnen gekeken. Dit alles terwijl de verdachte wist dat de aangeefster geen contact meer met hem wilde. Ook dat de verdachte was aangehouden voor de belaging en hij daarvoor in voorarrest zat, weerhield hem er niet van om contact op te nemen met de aangeefster, evenmin na oplegging van een contactverbod door de officier van justitie. Tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis is eveneens door de rechtbank een contactverbod met de aangeefster opgelegd aan de verdachte. Tot drie keer toe is de voorlopige hechtenis van verdachte geschorst en tot drie keer toe heeft verdachte de schorsingsvoorwaarden overtreden door steeds weer opnieuw contact te zoeken met de aangeefster. De verdachte heeft met zijn handelen een grove inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster. Dat de feiten een grote impact hebben gehad blijkt onder meer uit de schriftelijke slachtofferverklaring van de aangeefster. Hieruit blijkt dat zij zich nog altijd niet veilig voelt en veel angst heeft overgehouden aan de gebeurtenissen.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad van 26 mei 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor mishandeling. Het strafblad van de verdachte leidt dus tot een hogere straf.
Rapporten van deskundigen en de reclassering
In het rapport van de
psycholoog [naam 1]van 6 januari 2026 staat onder meer dat bij de verdachte sprake is van een verstandelijke beperking, een antisociale persoonlijkheidsstoornis en stoornissen in het gebruik van alcohol en cocaïne.
In het aanvullende rapport van de
psycholoog [naam 1]van 8 mei 2026 staat onder meer het volgende. De eerder genoemde stoornissen waren aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde en werkten daarin door. Het alcoholgebruik zorgde voor spanningen binnen de relatie en de verdachte werd door het gebruik agressiever, ook naar de aangeefster. Vervolgens bleek ook sprake van een terugval in cocaïnegebruik en was sprake van achterdocht bij de verdachte. Toen de aangeefster de relatie met de verdachte wilde verbreken werd dit door hem niet geaccepteerd. Hij zocht haar veelvuldig op en stuurde haar berichten. Het niet beantwoorden van zijn oproepen door de aangeefster zorgde voor boosheid en agressiedoorbraken, zoals het aan de haren trekken van de aangeefster. De verdachte lijkt het gedrag van de aangeefster bovendien onjuist te hebben geïnterpreteerd en hij had onvoldoende inzicht in zijn grensoverschrijdende gedrag en dat dit angst kon oproepen bij de aangeefster. Voorgaande zaken, zoals een beperkte frustratietolerantie, onvoldoende inlevingsvermogen, impulsiviteit en het onvoldoende overzien van de gevolgen van zijn eigen gedrag, zijn passend bij een verstandelijke beperking en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Het alcohol en cocaïnegebruik van de verdachte lijkt zijn vermogen om eigen gedrag te plannen en te reguleren verder negatief te hebben beïnvloed. Geadviseerd wordt het ten laste gelegde, indien bewezen, in verminderde mate toe te rekenen.
Het risico op geweld bij stalking wordt bij verdachte matig-hoog ingeschat en het risico op volharding in het stalkingsgedrag wordt ingeschat als hoog. Gelet op dit risico en de ernst van de problematiek wordt intensieve forensische behandeling met een hoge mate van toezicht geïndiceerd, waarbij een klinische behandeling wordt gevolgd door een ambulante behandeling. Verwacht wordt dat deze behandeling een periode van meerdere jaren in beslag zal nemen. In het rapport van 6 januari 2026 beschreef de psycholoog haar twijfels omtrent de haalbaarheid van een behandel- en interventietraject binnen het kader van bijzondere voorwaarden. Deze twijfels zijn toegenomen door het aanvullende gesprek met de verdachte en de ontwikkelingen in december 2025. Voor een strafrechtelijk kader met voorwaarden (waaronder tbs met voorwaarden) is intrinsieke motivatie nodig. Dit is slechts beperkt aanwezig bij de verdachte. Hoewel hij in eerste instantie aangaf dat hij bereid was om mee te werken aan behandeling, was hij ambivalent over de bereidheid om mee te werken aan klinische behandeling. Daarnaast is de kans dat de verdachte terugvalt in middelengebruik groot, en is gebleken dat hij bij tegenslagen en middelengebruik sterker geneigd is om terug te vallen in stalkingsgedrag. De verdachte heeft bovendien nauwelijks besef van eigen problematiek en de aanwezige risicofactoren. Ook heeft hij nauwelijks inzicht in de gevolgen van zijn gedrag voor de aangeefster en toont weinig empathie. Gelet op het voorgaande in combinatie met de ingeschatte risico's, de aard van de problematiek, het beloop ten tijde van de schorsing van de voorlopige hechtenis en de noodzaak van een langdurige intensievere vorm van forensische behandeling rest enkel nog het kader van een tbs met dwangverpleging. Daarnaast adviseert de psycholoog om een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen.
In het rapport van de
psychiater [naam 2]van 8 mei 2026 staat onder meer het volgende.
Bij de verdachte is sprake van een ernstige stoornis in het gebruik van alcohol en cocaïne en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast is er sprake van een licht verstandelijke beperking. Deze stoornissen waren aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde en werkten daarin door. Door het middelengebruik is de relatie tussen de verdachte en de aangeefster meermaals onder spanning komen te staan. Vanuit zijn persoonlijkheidsstoornis is de verdachte gevoelig voor krenking. De verdachte kan zich nauwelijks inleven en heeft een gebrekkige gewetensfunctie. Hij is wantrouwend en voelt zich emotioneel tekort gedaan. Hij reageert dwangmatig en rigide. Hij heeft de afwijzing van de aangeefster niet kunnen verdragen en raakt emotioneel overspoeld. Als gevolg hiervan gaat de verdachte stalkingsgedrag vertonen en voelt hij geen rem meer. Hij is impulsief en heeft problemen met agressieregulatie. Vanuit zijn problematiek blijft de verdachte de aangeefster herhaaldelijk benaderen, gaat over haar grenzen en laat fysieke agressie zien. Doordat de verdachte onvoldoende adequate copingsmechanismen heeft om met gevoelens om te gaan vervalt hij in het gebruik van middelen, hetgeen het stalkingsgedrag voedt. Hij kan zijn middelengebruik onvoldoende controleren. De verdachte beschikte dus over onvoldoende vaardigheden om zich staande te houden binnen de intieme relatie en kon de emoties als gevolg van de relatiebreuk onvoldoende reguleren. Hij kon de gevolgen van zijn gedrag niet overzien. Geadviseerd wordt het ten laste gelegde, indien bewezen, in een verminderde mate toe te rekenen.
Het risico op geweld en belaging op korte, lange en middellange termijn wordt ingeschat als hoog. Om dit risico terug te dringen is behandeling nodig gericht op de persoonlijkheids- en verslavingsproblematiek van de verdachte. Er is intensieve behandeling nodig in een forensische psychiatrische intramurale setting op een zeer hoog beveiligingsniveau en passend bij het intelligentieniveau van de verdachte. De inschatting is dat de klinische fase van de behandeling voldoende lang dient plaats te vinden om het recidiverisico te doen verlagen en de verdachte veilig te kunnen resocialiseren naar de maatschappij. De verdachte is niet gemotiveerd voor behandeling en heeft nauwelijks probleembesef of het vermogen tot zelfreflectie. De verdachte heeft recentelijk meermaals zijn schorsingsvoorwaarden overtreden. Voor een voorwaardelijk kader dient er niet alleen voldoende motivatie maar ook enige mate van inzicht te zijn. De psychiater schat de duurzame bereidwilligheid van de verdachte om zich te conformeren aan voorwaarden beperkt in. De inschatting is dat hij door beperkt ziektebesef en zijn impulsieve levensstijl niet in staat is zich langere tijd aan voorwaarden te conformeren. De combinatie van de persoonlijkheidsproblematiek en de stoornissen in middelengebruik, gebrekkige gewetensfunctie, weinig respons op eerdere behandeling, ontbreken van intrinsieke motivatie en het hardnekkige delictpatroon maken dat tbs met dwangverpleging wordt geadviseerd. De psychiater beseft dat dit een vergaande maatregel is, maar stelt dat alleen op deze wijze de kern van de problematiek behandeld kan worden en dat gedragsverandering kan worden gerealiseerd. De verwachting is dat behandeling middels tbs met voorwaarden niet zal slagen en dat de maatschappij daarmee onvoldoende beveiligd zal worden. Mogelijk is de duur van de geadviseerde maatregel, mocht deze gemaximeerd zijn, niet voldoende. De psychiater geeft daarom in overweging een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen.
In het rapport van de
Verslavingsreclassering GGZvan 3 juni 2026 staat onder meer het volgende. Er is sprake van een patroon aangaande geweld gepleegd binnen de huiselijke kring. Ondanks de verdachte zich conformeerde aan de meldplichtafspraken binnen de schorsing van de preventieve hechtenis, is er geen sprake van intrinsieke motivatie tot gedragsverandering. Ten grondslag hieraan ligt mogelijk zijn onvermogen, waarbij er een gebrek is aan ziekte-inzicht en geen sprake is van probleembesef. De verdachte legt de verantwoordelijkheid voor onderhavige feiten volledig buiten zichzelf. Eerdere reclasseringscontacten zijn vroegtijdig negatief beëindigd. De verdachte ontkent een verslaving te hebben wat betreft alcohol en cocaïne en wenst hiervoor niet behandeld te worden. De leefgebieden van de verdachte zijn ontwricht, dit maakt dat er geen beschermende factoren waarneembaar zijn. De reclassering ziet dat het welenwee van zijn ex-partner bij de verdachte nog geheel op de voorgrond staat. In het verleden is de verdachte meermaals veroordeeld wegens vermogens- en geweldsfeiten, meermaals gepleegd tegen vrouwen. Om het hoge risico op recidive te verminderen is het van belang een langdurige klinische behandeling in te zetten gericht op de persoonlijkheids- en verslavingsproblematiek van de verdachte. Er dient gewerkt te worden aan algehele abstinentie. Gezien het verleden en zijn problematiek dient hiervoor een langdurig intensief traject plaats te vinden. Het verleden leert dat de verdachte zich uiteindelijk binnen een voorwaardelijk kader niet conformeert aan bijzondere voorwaarden, zich hieraan onttrekt en zich zorgmijdend opstelt. Hiernaast is er geen sprake van een behandelcommitment. De inschatting is dat de verdachte door beperkt ziektebesef en zijn impulsieve levensstijl niet in staat zal zijn zich langdurig te kunnen conformeren aan voorwaarden binnen een voorwaardelijk kader. De reclassering ziet gezien de hoge risico’s op recidive, de psychiatrische- en verslavingsproblematiek waarbij een wens tot behandeling ontbreekt en de houding van de verdachte geen mogelijkheden om hem te begeleiden binnen een tbs-maatregel met voorwaarden.
Op basis van de rapporten van de psychiater en de psycholoog, stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte psychische stoornissen en een verstandelijke handicap bestonden en dat deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van de strafbare feiten beïnvloedden. De feiten worden daarom in verminderde mate aan de verdachte toegerekend.
4.3.3.
Oplegging straf en maatregelen
Straf
Gelet op de ernst van de feiten is een gevangenisstraf passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur hiervan is rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De rechtbank vindt de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf passend en zal dan ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 250 dagen opleggen met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
Tbs-maatregel
De rechtbank oordeelt verder dat de verdachte ter beschikking moet worden gesteld en dat hij onder dwang moet worden verpleegd. Aan de voorwaarden voor oplegging van de maatregel is voldaan. Er bestond bij de verdachte tijdens het plegen van de bewezenverklaarde strafbare feiten een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, namelijk een licht verstandelijke beperking, een ernstige stoornis in het gebruik van alcohol en cocaïne en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast is de belaging een in de wet vermeld misdrijf waarvoor oplegging van de tbs-maatregel mogelijk is. De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen oplegging van de tbs-maatregel vereist. Gelet op de inhoud van de over de verdachte uitgebrachte rapporten acht de rechtbank de tbs met dwangverpleging het enige passende kader, waarbinnen de verdachte de noodzakelijke behandeling kan krijgen en het hoge recidiverisico voldoende ingeperkt kan worden. Daarbij is in het bijzonder gelet op de aard, ernst en complexiteit van de stoornissen, alsmede de langdurige intensieve behandeling die nodig wordt geacht. De rechtbank realiseert zich dat een bevel verpleging een verstrekkende en ingrijpende maatregel betreft, maar ziet mede gelet op het beperkte ziekte-inzicht en probleembesef bij de verdachte geen mogelijkheid om de noodzakelijke behandeling in een lichter kader te realiseren. Daarbij weegt de rechtbank uitdrukkelijk mee dat de voorlopige hechtenis van de verdachte drie keer is geschorst en dat die schorsing vervolgens drie keer weer is opgeheven omdat de verdachte zich niet aan de schorsingsvoorwaarden hield. De rechtbank onderschrijft, gelet op het voorgaande, de bevindingen van de deskundigen dat de verdachte op dit moment niet in staat is om zich gedurende een langere periode aan voorwaarden te kunnen houden. Een voorwaardelijk kader, zoals door de verdediging is bepleit, is om die reden geen passende optie.
Duur van de terbeschikkingstelling
Op grond van artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht gaat de totale duur van de tbs-maatregel een periode van vier jaar niet te boven, tenzij de tbs-maatregel is opgelegd ter zake een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat hiervan geen sprake is. Belaging kan niet zonder meer worden aangemerkt als een misdrijf als bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht. In deze zaak zien de belagingshandelingen voornamelijk op het veelvuldig telefonisch contacteren van de aangeefster en het zich nabij haar woning bevinden. De contacten waren niet dreigend van aard. Dat maakt dat de wijze waarop en de inhoud van de belaging in dit geval niet zodanig was dat gesproken kan worden van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Weliswaar wordt de verdachte ook veroordeeld voor een (eenvoudige) mishandeling van de aangeefster, maar een dergelijke mishandeling is geen strafbaar feit waarvoor oplegging van een tbs-maatregel wettelijk mogelijk is. Deze mishandeling vond bovendien plaats enige tijd voorafgaand aan de stalking, en hield daarmee geen verband. Dit betekent dat de duur van de dwangverpleging is gemaximeerd tot vier jaar.
Voorwaardelijk verzoekDe verdediging heeft gevraagd om het laten opmaken van een aanvullend reclasseringsrapport over de wenselijkheid van oplegging van tbs met dwang, als de rechtbank komt tot oplegging van deze maatregel. De reclassering benoemt dit in haar maatregelenrapport van 3 juni 2026 namelijk niet expliciet.
De rechtbank vindt het niet noodzakelijk om een aanvullend reclasseringsrapport op te laten maken. De psycholoog en psychiater hebben hun advies om tbs met dwangverpleging op te leggen uitvoerig toegelicht, waarbij ook gemotiveerd is aangegeven waarom een voorwaardelijk kader niet toereikend is. De reclassering heeft de rapporten van voornoemde deskundigen betrokken bij haar advies van 3 juni 2026 en is tot eenzelfde conclusie gekomen: namelijk dat een tbs met voorwaarden niet toereikend is. Gelet hierop acht de rechtbank zich voldoende voorgelicht. Het verzoek wordt afgewezen.
Overige maatregelen (38v en 38z Wetboek van Strafrecht)
Om strafbare feiten te voorkomen, wordt een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd voor de duur van vijf jaren. Deze maatregel houdt een contactverbod in met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 1985). Voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet, kan vervangende hechtenis worden toegepast van twee weken, met een totale maximale duur van zes maanden. De hechtenis heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.
De rechtbank verklaart de maatregel dadelijk uitvoerbaar, omdat er gelet op de eerdere aanhoudende contactpogingen van de verdachte - ook na oplegging van een contactverbod (als schorsingsvoorwaarde) - ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de zich verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend zal gedragen ten aanzien van de aangeefster. Dit betekent dat de maatregel ook geldt als de verdachte in hoger beroep gaat.
De rechtbank ziet, mede gelet op de zeer summiere onderbouwing door de deskundigen, geen aanleiding om naast de tbs-maatregel met dwangverpleging en de 38v-maatregel ook nog de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z op te leggen.

5.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf en maatregel zijn gebaseerd op de artikelen 37a, 37b, 38v, 38w, 57, 63, 285b en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

6.Beslissingen

De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 3 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte feiten 1 en 2, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf en maatregelen
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 250 dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
TBS-maatregel
beveelt dat de verdachte voor feit 1
ter beschikking wordt gestelden beveelt dat de terbeschikkinggestelde
van overheidswege wordt verpleegd;
Vrijheidsbeperkende maatregel (art. 38v Sr)
legt de verdachte voor de feiten 1 en 2 op de
maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 5 jaar na dit vonnis, inhoudende dat de verdachte op geen enkele wijze direct of indirect contact zoekt of heeft met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 1985), bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 2 weken, met een totale duur van ten hoogste 6 maanden;
beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

7.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. E. IJspeerd, voorzitter,
en mrs. J.A. Terstegge en B.R.D. Hoebeke, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.S. Brouwer, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 30 juni 2026.
Mrs. Terstegge en Hoebeke zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.Verklaard tijdens de zitting van 16 juni 2026.
2.Pagina’s 1-7 van het proces-verbaal met nummer: [proces-verbaalnummer 1].
3.Proces-verbaal van de rechter-commissaris van 8 december 2025.
4.Het proces-verbaal met nummer: [proces-verbaalnummer 2].
5.Pagina’s 9-17 van het proces-verbaal met nummer: [proces-verbaalnummer 3].