ECLI:NL:RBROT:2026:7946

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
C/10/718537 / KG ZA 26-384
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:58 BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis kort geding over afgifte scooter na echtscheiding

Partijen zijn ex-echtelieden die in het echtscheidingsconvenant hebben afgesproken dat de scooter Vespa met kenteken aan de vrouw toebehoort. De scooter bevindt zich echter in de garage van de man, die weigert deze af te geven zonder eerst het vrijwaringsbewijs te ontvangen. De vrouw vordert in kort geding nakoming van het convenant en afgifte van de scooter.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de man een afgifteverplichting heeft en dat het beroep op schuldeisersverzuim niet slaagt. De vrouw moet na ontvangst van de scooter met voortvarendheid de overschrijving regelen en het vrijwaringsbewijs aan de man verstrekken. De staat van de scooter en de vraag wie verantwoordelijk is voor eventuele schade blijft buiten beschouwing in dit kort geding.

Vanwege een patstelling over de wijze van afgifte en het toegangsverbod tot de praktijk van de man, wordt de man veroordeeld de scooter binnen drie werkdagen af te leveren bij een door de vrouw aan te wijzen scooterwinkel in Rotterdam. De man moet een dwangsom betalen van €50 per dag bij niet-nakoming, tot maximaal €5.000. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Man wordt veroordeeld om binnen drie werkdagen de scooter af te geven bij een door de vrouw aangewezen scooterwinkel, met een dwangsom bij niet-nakoming.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/718537 / KG ZA 26-384
Vonnis in kort geding van 3 juli 2026
in de zaak van
[de vrouw],
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. S. Kandemir te Dordrecht,
tegen
[de man],
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de man,
verschenen in persoon.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 22 april 2026;
- de 12 producties van de vrouw;
- de ongenummerde producties van de man;
- de mondelinge behandeling op 19 juni 2026;
- de pleitnotitie van de man.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn op 21 maart 2012 met elkaar gehuwd.
2.2.
Bij beschikking van deze rechtbank van [datum 1] is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Bij die beschikking is het in [datum 2] tussen partijen overeengekomen echtscheidingsconvenant (hierna: het convenant) opgenomen.
De echtscheidingsbeschikking is op [datum 3] ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.3.
In artikel 3.3 aanhef en onder g. van het convenant is bepaald dat een scooter van het merk Vespa met kenteken [kentekennummer] (hierna: de scooter) tot de huwelijksgemeenschap behoort. In artikel 3.4 van het convenant is bepaald dat de scooter wordt toegedeeld aan de vrouw.
2.4.
De scooter bevindt zich in de garage van de man. Bij e-mails van 12 en 19 februari 2026 heeft de advocaat van de vrouw de advocaat van de man gesommeerd dat de man de scooter afgeeft aan de vrouw. De man heeft daar niet op gereageerd.
2.5.
Vanaf 21 april 2026 hebben de advocaten van partijen correspondentie gevoerd over de scooter.
De advocaat van de man heeft het volgende stappenplan voorgesteld:
de man stuurt de groene kaart en de overschrijvingscode van de scooter aan de vrouw;
de vrouw stuurt het vrijwaringsbewijs op aan de man;
de man zegt de verzekering op en de vrouw sluit een verzekering af;
partijen spreken een datum af voor de afgifte van de scooter.
De advocaat van de vrouw heeft in reactie daarop voorgesteld dat ofwel de vrouw de scooter ophaalt bij de man, ofwel de man de scooter naar de vrouw brengt, waarna de vrouw de administratie afhandelt.
Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen.

3.Het geschil

3.1.
De vrouw vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de man te veroordelen het convenant na te komen, meer specifiek artikel 3.3.g en artikel 3.4, waarin is bepaald dat de scooter Vespa met kenteken [kentekennummer] wordt toebedeeld aan de vrouw;
II. de man te veroordelen binnen 2 dagen na betekening van het te wijzen vonnis aan de vrouw af te geven de scooter Vespa met kenteken [kentekennummer] ;
III. te bepalen dat de man een dwangsom van € 1.000,00 zal verbeuren voor iedere overtreding en iedere dag en niet nakoming van enig deel van het te wijzen vonnis, met een maximum van € 50.000,00.
3.2.
De man concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van de vrouw in haar vorderingen dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat de vrouw daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
4.2.
De voorzieningenrechter begrijpt dat de vrouw met vorderingen I. en II. hetzelfde doel beoogt, namelijk dat de man de scooter aan haar afgeeft. De vorderingen worden daarom gezamenlijk beoordeeld.
4.3.
De grondslag voor de vorderingen is gelegen in de nakoming van een afspraak uit het convenant. Uitgangspunt is dat wanneer een partij na lange tijd in gebreke blijft een dergelijke verbintenis na te komen, de wederpartij een spoedeisend belang heeft bij toewijzing van een vordering tot nakoming. Er is geen reden daarover in dit geval anders te oordelen, ook niet als juist is dat de vrouw andere vervoermiddelen kan benutten.
4.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat de scooter op grond van het convenant toebehoort aan de vrouw. Partijen twisten echter over de vraag op welke wijze de man de scooter moet overdragen aan de vrouw. In het convenant is daarover niets vermeld. Inmiddels is de situatie zo dat de vrouw een toegangsverbod tot de praktijk van de man heeft.
4.5.
De vrouw stelt dat de man niet reageert op haar aanmaningen en stelselmatig weigert de scooter af te geven. De man voert daartegen aan dat hij de scooter zal afgeven wanneer de vrouw de eigendom van de scooter overschrijft en het vrijwaringsbewijs aan hem toestuurt, maar dat de vrouw daaraan geen medewerking wil verlenen. Volgens de man is daarmee sprake van schuldeisersverzuim in de zin van artikel 6:58 BW Pro.
4.6.
Het beroep op schuldeisersverzuim slaagt niet. De man heeft op grond van het convenant een afgifteverplichting. Daarbij hoort niet dat hij aan de afgifte de voorwaarde verbindt dat hij eerst het vrijwaringsbewijs ontvangt. Die volgorde – eerst vrijwaringsbewijs, dan afgifte – volgt niet uit de wet en is in het maatschappelijk verkeer ook niet gebruikelijk. Wel geldt dat de vrouw verplicht is om, na de ontvangst van de scooter (tezamen met het kentekenbewijs/de tenaamstellingscode), met voortvarendheid ervoor te zorgen dat de scooter op haar naam komt te staan en dat zij het vrijwaringsbewijs verstrekt aan de man.
4.7.
Ter zitting heeft de man gesteld dat, ten tijde van het ondertekenen van het convenant, het partijen reeds bekend was dat de scooter kapot was in verband met ongelukken. De vrouw heeft dat echter betwist en de man heeft zijn stelling op dat punt niet onderbouwd. Voor zover er niet (meer) met de scooter gereden kan worden, roept dat de vraag op wat de oorzaak van die schade is en voor wiens rekening die komt. Het antwoord op die vraag kan in dit geding echter in het midden blijven. De staat van de scooter doet immers niet af aan de afgifteverplichting van de man. Verder geldt dat de oplossing daarvoor ligt in de sfeer van schadevergoeding, wat in een bodemprocedure moet worden uitgezocht. Die kwestie is hier niet aan de orde. De voorzieningenrechter gaat er voorlopig vanuit dat met de scooter niet gereden kan worden. Op de gevolgen daarvan voor dit geschil wordt hierna onder 4.9. teruggekomen.
4.8.
Een ander geschilpunt is waar de scooter moet worden afgezet. De man heeft voorgesteld dat hij de scooter ergens vlakbij zijn woning afzet en dat de vrouw de scooter daar ophaalt. De vrouw meent dat de man de scooter moet brengen naar een scooterwinkel. Dan kan zij daar de scooter laten keuren en, indien nodig, laten repareren.
De voorzieningenrechter neemt in aanmerking dat de man wordt aangesproken op nakoming van een afspraak die partijen al twee jaar geleden (in juni 2024) hebben gemaakt. De vrouw stelt onweersproken dat zij de man tevergeefs meerdere malen heeft verzocht om afgifte van de scooter. Daarnaast heeft haar advocaat in februari 2026 de man aangemaand om de scooter af te leveren, maar de man heeft daar niet op gereageerd. Pas in april 2026, toen de advocaat van de vrouw aankondigde een kort geding te starten, heeft de advocaat van de man gereageerd en de voorwaarde gesteld dat de vrouw eerst een vrijwaringsbewijs aan de man diende te verstrekken. De vrouw heeft nog voorgesteld dat zij de scooter zou ophalen bij de man, maar daar is de man niet mee akkoord gegaan, onder meer in verband met het toegangsverbod. Op die manier is een patstelling ontstaan, waarbij beide partijen zich niet zo redelijk hebben opgesteld als van hen, in de gegeven situatie, in aanmerking nemend dat het hier om een oude scooter gaat, te verwachten was. Dat betekent dat een ordemaatregel noodzakelijk is om die patstelling te doorbreken.
4.9.
Gedurende de zitting in deze procedure heeft de man voor het eerst te kennen gegeven dat de scooter niet rijdt. De vrouw betwist dat (zie 4.7.) en dat blijkt ook niet uit het convenant. Voorshands is de man, als degene die de scooter al geruime tijd onder zich heeft, op dit moment verantwoordelijk voor de toestand daarvan en de praktische bezwaren die daaruit volgen. Tegen deze achtergrond kan de man in redelijkheid niet van de vrouw verlangen dat zij een niet-rijdende scooter op een willekeurige plek ophaalt. Het belang van de vrouw bij de afgifte van de scooter bij een scooterwinkel waar zij de scooter ter plaatse kan laten repareren, dient in de gegeven omstandigheden zwaarder te wegen dan het belang van de man.
4.10.
Het voorgaande leidt ertoe dat de man wordt veroordeeld om, binnen drie werkdagen na de betekening van dit vonnis, de scooter af te geven bij een door de vrouw aan te wijzen scooterwinkel in Rotterdam, tegen behoorlijk bewijs van afgifte. Welke scooterwinkel dat is, dient in het betekeningsexploot te zijn vermeld. Van de vrouw wordt verwacht dat zij een scooterwinkel aanwijst die bereid is om de scooter in ontvangst te nemen en een afgiftebewijs aan de man te verstrekken.
4.11.
De gevorderde dwangsom wordt beperkt en gemaximeerd toegewezen.
4.12.
De voorzieningenrechter wijst partijen erop dat het hen vrij staat om, in plaats van over te gaan tot de afgifte van de scooter, afspraken te maken om de kwestie financieel af te wikkelen, bijvoorbeeld door het voldoen van de taxatiewaarde van de scooter door de man aan de vrouw.
4.13.
Nu het hier gaat om een geschil tussen ex-echtelieden, worden de proceskosten tussen partijen gecompenseerd, in die zien dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
veroordeelt de man om, binnen drie werkdagen na de betekening van dit vonnis, de scooter (merk Vespa, met kenteken [kentekennummer] ) af te (laten) leveren bij een door de vrouw aan te wijzen scooterwinkel in Rotterdam, tegen behoorlijk bewijs van afgifte;
5.2.
veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 50,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de veroordeling in 5.1. voldoet, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.