ECLI:NL:RBROT:2026:8025

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
C/10/692464 / FA RK 25-218
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke aanhouding zorgregeling en omgangsbegeleiding tussen ouders en minderjarigen

De vrouw verzoekt ontzegging van de omgang tussen de man en de minderjarigen, omdat er al ruim drie jaar geen contact is. De raad voor de kinderbescherming heeft onderzoek gedaan en geconstateerd dat de minderjarigen een negatief vaderbeeld hebben en dat er wantrouwen tussen partijen bestaat. De raad adviseert een traject van ouderschapsbemiddeling en begeleide omgang.

Tijdens de mondelinge behandeling geven partijen aan bereid te zijn deel te nemen aan het hulpverleningstraject. De man erkent fouten uit het verleden, waaronder alcoholgebruik en fysiek geweld, en wil onder begeleiding werken aan contactherstel. De minderjarigen hebben echter aangegeven de man niet te willen zien, vooral uit angst dat oude gebeurtenissen zich herhalen.

De rechtbank legt voorwaarden op aan de man, zoals het sturen van reflectieve brieven en regelmatige kaartjes aan de minderjarigen, om vertrouwen op te bouwen. De behandeling van de zaak wordt pro forma aangehouden voor negen maanden, waarin het hulpverleningstraject wordt gevolgd. Afhankelijk van het resultaat zal de rechtbank een eindbeschikking geven of een raadsonderzoek laten verrichten. Proceskosten worden nog niet toegewezen.

Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing over de zorgregeling aan en verwijst partijen naar een hulpverleningstraject omgangsbegeleiding om het contact te herstellen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/692464 / FA RK 25-218
Beschikking van 29 juni 2026 de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van:
[naam 1], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. M.J.E.H. van Baarle-Overes te Bergschenhoek,
t e g e n
[naam 2], hierna: de man,
wonende te [woonplaats 2] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 12 januari 2025;
  • het bericht met bijlagen van de vrouw van 27 januari 2025;
  • het vonnis in kort geding van 4 februari 2025;
  • het rapport van de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht van 27 november 2025;
  • het bericht van de vrouw van 15 december 2025;
  • het bericht met bijlagen van de vrouw van 12 mei 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 1 juni 2026. Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam 3] .
1.3.
De minderjarigen zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. De minderjarigen hebben hun mening kenbaar gemaakt tijdens een gesprek met de kinderrechter.

2.De vaststaande feiten

2.1.
Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:
[naam 4] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats 1] ;
[naam 5] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats 1] .
2.2.
De man heeft de minderjarigen erkend.
2.3.
Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 13 maart 2020 is bepaald dat de ouders het ouderlijk gezag over de minderjarigen gezamenlijk uitoefenen.
2.4.
Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 13 maart 2020 - die is verbeterd
bij beschikking van 15 mei 2020 - is tevens bepaald dat de minderjarigen bij de man zullen zijn om de week van zaterdag 09.30 uur tot zondag 19.00 uur. Deze regeling hebben partijen ook opgenomen in het convenant dat de man op 24 juni 2020 en de vrouw op 30 juni 2020 heeft ondertekend.
2.5.
Bij vonnis in kort geding van deze rechtbank van 4 februari 2025 is de raad verzocht onderzoek te doen over de zorgregeling en aan de rechtbank te rapporteren in onderhavige procedure. Daarnaast is de door partijen getroffen voorlopige zorgregeling opgenomen, te weten:
  • de man gaat – na aankondiging aan de vrouw – naar de sportwedstrijden van de minderjarigen kijken en vertrekt na afloop van de wedstrijd weer;
  • partijen bespreken de mogelijkheden van videobellen tussen de man en de minderjarigen.

3.De beoordeling

3.1.
Zorgregeling
3.1.1.
De vrouw verzoekt, na wijziging van haar verzoek, de man de omgang met de minderjarigen te ontzeggen. De overige, in het verzoekschrift geformuleerde, verzoeken worden door de rechtbank beschouwd als ingetrokken en zullen om die reden worden afgewezen.
3.1.2.
De man voert gemotiveerd verweer.
3.1.3.
De raad heeft, na de uitspraak van 4 februari 2025 in het kort geding tussen partijen, in opdracht van de voorzieningenrechter onderzoek verricht naar de zorgregeling. De raad heeft daarbij complicerende factoren gezien voor de omgang tussen de man en de minderjarigen: de minderjarigen hebben een negatief vaderbeeld, partijen wantrouwen elkaar en de man en de minderjarigen hebben elkaar, naast enkele ontmoetingen op de sportvelden, ruim 3 jaar niet meer gezien. De raad adviseert dat partijen een traject ouderschapsbemiddeling volgen, begeleide omgangsmomenten worden opgestart en de beslissing voor een definitieve zorgregeling aan te houden in afwachting de resultaten van de hulpverlening.
3.1.4.
De vrouw geeft aan dat, hoewel zij het belangrijk vindt dat er contact is tussen de man en de minderjarigen, zij op dit moment veel zorgen heeft over of dit in het belang is van de minderjarigen. De vrouw beschuldigt de man van intieme terreur en vindt het zorgelijk dat er geen MASIC bij de man is afgenomen tijdens het raadsonderzoek. Volgens de vrouw beschikt de man over onvoldoende opvoedcapaciteiten om op een verantwoorde wijze de zorg te dragen voor de minderjarigen. De man betwist dat hij geen goede opvoeder zou zijn. Volgens de man schetst de vrouw een onjuist beeld over hem. Hij erkent wel dat hij fouten heeft gemaakt in het verleden, waaronder veelvuldig alcoholgebruik en fysiek geweld richting de vrouw. De man schaamt zich daarvoor en heeft spijt. Hij wil graag, onder begeleiding, werken aan contactherstel met de minderjarigen.
3.1.5.
Tijdens de mondelinge behandeling is met partijen uitvoerig gesproken over de ontstane situatie. Daarbij is ook besproken dat de minderjarigen in hun gesprek met de kinderrechter hebben verteld dat zij de man niet willen zien. Met name [naam 4] is bang dat gebeurtenissen uit het verleden zich zullen herhalen en heeft geen vertrouwen erin dat de man zijn afspraken nakomt.
3.1.6.
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling hun bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het hulpverleningstraject omgangsbegeleiding.
3.1.7.
De vrouw is bang dat de minderjarigen niet bereid zijn mee te werken. De rechtbank beseft dat het voorbereiden van de minderjarigen op de eerste begeleide bezoeken veel van de vrouw kan vragen. Zij is het immers die aan de minderjarigen moet uitleggen wat er gaat gebeuren en waarom. De rechtbank heeft vertrouwen erin dat de vrouw dat op een goede manier bij de minderjarigen kan laten indalen. De vrouw kan haar bezwaren tegen de gezamenlijke ouder-sessies tijdens de intake bespreken met het omgangshuis.
3.1.8.
Van de man wordt eveneens verwacht dat hij zich inspant om het hulpverleningstraject te laten slagen. Hij zal zowel aan de vrouw als aan de minderjarigen moeten laten zien dat hij is veranderd en dat hij zijn beloftes nakomt. Zoals tijdens de mondelinge behandeling is besproken, zal de man met zijn werkgever regelen dat hij beschikbaar is op de doordeweekse dagen dat de bezoeken aan het omgangshuis plaatsvinden.
Daarnaast zal de man binnen twee weken na de mondelinge behandeling brieven sturen aan beide minderjarigen. In deze brieven zal de man (kort) reflecteren over wat hij in het verleden niet goed heeft gedaan en uitleggen hoe hij dat in de toekomst anders en beter zal doen. Met deze brieven kan de man aan zowel de minderjarigen als de vrouw laten zien dat hij hun angsten en wantrouwen serieus neemt. Als de man nalaat deze brieven te sturen, mag de vrouw haar toestemming voor het hulpverleningstraject intrekken. Pas nadat de man deze brieven heeft gestuurd, zal de vrouw het traject van de omgangsbegeleiding bespreken met de minderjarigen.
Na het versturen van de brieven zal de man, gedurende de wachttijd en tijdens het traject omgangsbegeleiding, doorgaan met het sturen van kaartjes aan de minderjarigen. De man zal elke drie weken een kaartje sturen en de vrouw zal de ontvangst daarvan bevestigen via een korte email. Zo weet de man dat zijn kaartjes zijn aangekomen.
3.1.9.
Met inachtneming van het voorgaande zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit hulpverleningstraject, zoals is genoemd in het proces-verbaal dat partijen hebben ontvangen. Dit proces-verbaal is al verstuurd naar het routeringspunt voor aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal ook deze beschikking versturen naar het routeringspunt.
3.1.10.
De rechtbank verzoekt de uitvoerende hulpverleningsinstantie om, zoals tijdens de mondelinge behandeling met partijen is besproken, het eindverslag over het verloop van het hulpverleningstraject in te dienen op de hierna vermelde manier.
3.1.11.
De rechtbank zal de behandeling van de zaak (in eerste instantie) in afwachting van de resultaten van dit hulpverleningstraject pro forma aanhouden voor de duur van negen maanden.
3.1.12.
Als het hulpverleningstraject is beëindigd, zal de hulpverleningsinstantie het eindverslag versturen naar het routeringspunt. Het routeringspunt zal zorgen voor verzending van dit eindverslag aan de rechtbank. De rechtbank zal, als het hulpverleningstraject is geslaagd, partijen en hun advocaten in de gelegenheid stellen om binnen een termijn van twee weken schriftelijk te reageren op het eindverslag. Na ontvangst van de reactie van (de advocaten van) partijen geeft de rechtbank, zonder verdere mondelinge behandeling, een eindbeschikking.
3.1.13.
Als het hulpverleningstraject voortijdig is beëindigd of de doelen niet (geheel) zijn behaald, zal het routeringspunt het eindverslag ook sturen aan de raad. De raad zal aan de hand van het eindverslag van de hulpverleningsinstantie bezien of een raadsonderzoek noodzakelijk wordt geacht. De raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van het eindverslag de rechtbank te informeren of een raadsonderzoek noodzakelijk wordt geacht.
3.1.14.
Een raadsonderzoek blijft achterwege als de rechter meent voldoende ingelicht te zijn om een eindbeschikking te geven. De rechtbank zal de raad hierover berichten binnen uiterlijk een week nadat de raad de rechtbank heeft geïnformeerd over de noodzakelijkheid van een raadsonderzoek. De rechtbank bericht de raad slechts als zij geen raadsonderzoek nodig acht.
3.1.15.
Als de rechtbank met de raad een onderzoek noodzakelijk acht, geldt deze beschikking als een voorwaardelijke opdracht aan de raad om onderzoek te verrichten, als het hulpverleningstraject (deels) niet is geslaagd. De raad wordt verzocht dit onderzoek te verrichten en daarvan bij de rechtbank, uiterlijk binnen vier maanden, een raadsrapport in te dienen. In dat geval volgt dus een verdere aanhouding van de zaak.
3.1.16.
Gelet op het vorenstaande wordt de raad voorwaardelijk verzocht om, als het eindverslag van de hulpverleningsinstantie daartoe aanleiding geeft, aan de rechtbank advies uit te brengen ter beantwoording van de volgende vragen:
  • Welke zorgregeling komt het meest tegemoet aan het belang/de belangen van de minderjarigen?
  • Hoe moet de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
  • Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om in het advies te vermelden?
3.1.17.
Na ontvangst van het raadsrapport zullen partijen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld hierop binnen een termijn van twee weken schriftelijk te reageren en zich uit te laten of zij een nieuwe mondelinge behandeling wensen.
3.2.
Proceskosten
3.2.1.
Omdat ten aanzien van de zorgregeling nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
stelt vast dat partijen, te weten:
[naam 1] ,
wonende te [postcode 1] [woonplaats 1] , [straatnaam 1] ,
en
[naam 2] ,
wonende te [postcode 2] [woonplaats 2] , [straatnaam 2] ;
bij proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar het hulpverleningstraject omgangsbegeleiding en dat het routeringspunt zorgt voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
4.2.
bepaalt dat partijen met behulp van dit hulpverleningstraject zullen bewerkstelligen dat het contact tussen de man en de minderjarigen wordt hersteld en dat zij afspraken zullen maken aan de hand waarvan de minderjarigen onbelast contact kunnen hebben met beide partijen;
4.3.
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking naar het routeringspunt te zenden naar:
Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond
t.a.v. het routeringspunt
Dynamostraat 16 , 3083 AK Rotterdam
e-mailadres: zorgbemiddeling@jbrr.nl ;
4.4.
bepaalt dat het routeringspunt vóór na te melden pro-formadatum het eindverslag van de hulpverleningsinstantie aan de rechtbank verzendt en daarvan gelijktijdig een kopie aan de raad voor de kinderbescherming verzendt, als het hulpverleningstraject niet of deels is geslaagd;
4.5.
beveelt de griffier na ontvangst van het eindverslag een kopie daarvan aan beide partijen en hun advocaten te versturen;
4.6.
verzoekt partijen, na ontvangst van het eindverslag van een geslaagd hulpverleningstraject, binnen een termijn van twee weken schriftelijk hierop te reageren;
4.7.
verzoekt de raad voor de kinderbescherming bij een geheel of gedeeltelijk niet geslaagd hulpverleningstraject:
- te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen;
- de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren; en
- als dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel; en
- daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen,
met dien verstande dat de rechtbank kan beslissen, mits voldoende ingelicht, om zonder hiervoor genoemd raadsonderzoek een eindbeschikking te geven;
4.8.
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.9.
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de zorgregeling aan tot
1 april 2027 PRO FORMA.
4.10.
bepaalt dat partijen en hun advocaten en de raad voor de kinderbescherming op de genoemde pro-formadatum niet hoeven te verschijnen.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.A. van Egmond, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. R.T. Goede, griffier, op 29 juni 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.