ECLI:NL:RBROT:2026:8042

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
C/10/674952 / FA RK 24-1731
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:227 BWArt. 1:228 BWArt. 1:5 BWArt. 1:20e lid 1 BWArt. 1:244 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing stiefouderadoptie in het belang van minderjarige zonder contact met biologische vader

De rechtbank Rotterdam heeft op 29 juni 2026 het verzoek tot stiefouderadoptie van een minderjarige toegewezen. De minderjarige, geboren in 2010, heeft sinds 2015 geen contact meer met haar biologische vader, die in 2016 vrijgesproken is van een beschuldiging van seksueel misbruik. De vader heeft sindsdien geen rol meer vervuld in het leven van het kind. De verzoeker is sinds 2023 getrouwd met de moeder en woont sinds 2021 samen met haar en de minderjarige.

De rechtbank heeft vastgesteld dat aan de wettelijke voorwaarden van artikel 1:227 en Pro 1:228 BW is voldaan, waaronder het samenwonen van verzoeker en moeder gedurende ten minste drie jaar voorafgaand aan het verzoek, het belang van het kind en het ontbreken van een rol van de biologische vader. De minderjarige heeft haar mening kenbaar gemaakt en ziet verzoeker als haar vaderfiguur.

De vader was aanvankelijk tegen de adoptie, maar stemde uiteindelijk in vanwege de wens van de minderjarige. De rechtbank acht de adoptie in het kennelijk belang van het kind en wijst het verzoek toe. Tevens is op grond van artikel 1:5 lid 3 BW Pro de geslachtsnaam van de minderjarige gewijzigd in overeenstemming met de gezamenlijke verklaring van moeder en verzoeker.

De beschikking bevat ook de opdracht tot registratie van de adoptie en naamswijziging in de geboorteakte en het openbare gezagsregister. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot stiefouderadoptie toe en wijzigt de geslachtsnaam van de minderjarige.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/674952 / FA RK 24-1731
Beschikking van 29 juni 2026 over adoptie
in de zaak van:
[naam 1]
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna: verzoeker,
advocaat mr. R.D.Z. Asmus te Brielle,
in welke zaak belanghebbenden zijn:
[naam 2],
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna: de vader,
advocaat mr. E.A. Breetveld te Den Haag,
en
[naam 3],
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna: de moeder.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 01 maart 2024;
  • het bericht van de vader met bijlage, ingekomen op 22 maart 2024;
  • het rapport van de raad voor de kinderbescherming van 10 oktober 2025;
  • het bericht van verzoeker van 28 oktober 2025;
  • het bericht van de vader, met bijlage, van 3 november 2025;
  • het bericht van de vader van 3 februari 2026;
  • het bericht van de vader van 1 juni 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 1 juni 2026. Daarbij zijn verschenen:
  • verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam 4] .
De vader en zijn advocaat zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. De advocaat heeft dat op 1 juni 2026, voorafgaand aan de mondelinge behandeling, schriftelijk kenbaar gemaakt.
1.3.
De minderjarige is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft haar mening kenbaar gemaakt tijdens een gesprek met de kinderrechter.

2.De vaststaande feiten

2.1.
De minderjarige is [naam 5] [naam 6] [achternaam 2] . Zij is op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats 1] geboren uit de moeder.
2.2.
De vader heeft [naam 5] erkend.
2.3.
De vader en de moeder zijn op [trouwdag] getrouwd. Het huwelijk is op 26 september 2016 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Den Haag van 3 februari 2016 in de openbare registers.
2.4.
Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 23 maart 2017 is bepaald dat het gezag over [naam 5] voortaan alleen aan de moeder zal toekomen.
2.5.
Verzoeker is op 7 juli 2023 getrouwd met de moeder.

3.De beoordeling

3.1.
Stiefouderadoptie
3.1.1.
Verzoeker wenst [naam 5] te adopteren en verzoekt de adoptie uit te spreken.
3.1.2.
Op grond van artikel 1:227 lid 2 tweede Pro volzin van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan het verzoek door verzoeker slechts worden gedaan als hij ten minste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek met de moeder heeft samengeleefd.
3.1.3.
Een verzoek tot adoptie kan alleen worden toegewezen indien deze in het kennelijk belang van het kind is en op het tijdstip van de adoptie vast staat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer van haar biologische vader te verwachten heeft (artikel 1:227 lid 3 BW Pro).
3.1.4.
Bovendien moet aan de voorwaarden, genoemd in artikel 1:228 BW Pro zijn voldaan.
In dit specifieke geval gaat om de volgende voorwaarden:
a. dat het kind op de dag van het eerste verzoek minderjarig is, en dat het kind, indien het op de dag van het verzoek twaalf jaar of ouder is, ter gelegenheid van haar verhoor niet van bezwaren tegen toewijzing van het verzoek heeft doen blijken;
b. dat het kind niet een kleinkind van de adoptant is;
c. dat de adoptant ten minste achttien jaren ouder is dan het kind;
d. dat geen van de ouders het verzoek tegenspreekt;
f. dat de adoptant het kind gedurende tenminste een jaar heeft verzorgd en opgevoed;
g. dat de ouder of ouders niet of niet langer het gezag over het kind hebben. Indien de echtgenoot van de ouder het kind adopteert, geldt dat deze ouder alleen of samen met voornoemde echtgenoot het gezag heeft.
3.1.5.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat [naam 5] al sinds 2015 geen contact meer heeft gehad met de vader. De moeder en de vader zijn uit elkaar gegaan nadat de man werd beschuldigd van seksueel misbruik van [naam 5] . Hiervan is hij in 2016 door de strafrechter vrijgesproken. De vader heeft sindsdien in geen enkel opzicht invulling gegeven aan zijn rol als vader.
Verzoeker heeft sinds 2019 een relatie met de moeder en woont sinds januari 2021 samen met de moeder en [naam 5] . Sinds die tijd groeit [naam 5] op in het stabiele gezin van de moeder, verzoeker en haar in 2021 geboren halfbroertje. Hoewel [naam 5] weet wie haar vader is en wat de rol en hoedanigheid van verzoeker is, ziet [naam 5] verzoeker als haar vader en verzoeker [naam 5] als zijn dochter. Zowel verzoeker als [naam 5] willen met de verzochte adoptie de juridische situatie in overeenstemming brengen met de feitelijke situatie. Alhoewel de vader niet tijdens de mondelinge behandeling is verschenen, heeft hij wel meegewerkt aan het raadsonderzoek. Uit het raadsonderzoek blijkt dat hij erkent dat hij sinds 2015 geen rol heeft gespeeld in het leven van [naam 5] . Hij heeft in 2021-2022 nog wel een poging gedaan om contact te zoeken, maar heeft naar eigen zeggen – en zonder dat te kunnen verklaren – ook niet zijn uiterste best gedaan. De vader betreurt het dat het contact niet tot stand is gekomen. Gedurende het raadsonderzoek heeft hij kenbaar gemaakt tegen de adoptie te zijn. Bij bericht van zijn advocaat van 1 juni 2026 heeft de man echter aan de rechtbank laten weten wel in te stemmen met het adoptieverzoek, omdat dit de uitdrukkelijke wens is van [naam 5] .
3.1.6.
De rechtbank stelt voorop dat het voor de identiteitsontwikkeling van [naam 5] van belang is om te weten van wie zij afstamt. Zoals hiervoor overwogen, is [naam 5] op de hoogte dat verzoeker niet haar biologische vader is. Ondanks dat zij haar vader al heel lang niet heeft gesproken, is zij wel op de hoogte van zijn bestaan. De moeder en verzoeker hebben aangegeven dat de deur altijd open staat als [naam 5] in de toekomst zelf de behoefte heeft om contact te zoeken met de vader. [naam 5] heeft daarnaast in haar gesprek met de kinderrechter zelf goed kunnen aangeven waarom zij verzoeker als haar vaderfiguur ziet; hij is erg betrokken bij haar opvoeding en hun band voelt al jaren als vanzelfsprekend.
3.1.7.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank, in lijn met het advies van de raad, van oordeel dat de verzochte adoptie in het kennelijk belang van [naam 5] is en dat vast staat dat [naam 5] niets meer van de vader heeft te verwachten in zijn rol als ouder. Omdat ook aan de overige voorwaarden van de artikelen 1:227 en 1:228 BW is voldaan, wijst de rechtbank het verzoek tot adoptie toe.
3.1.8.
De ambtenaar van de burgerlijke stand zal worden gelast een latere vermelding van de adoptie aan de geboorteakte van [naam 5] toe te voegen.
3.2.
Geslachtsnaam
3.2.1.
Op grond van artikel 1:5 lid 3 vierde Pro volzin BW houdt een kind in geval van adoptie haar geslachtsnaam tenzij de ouder en diens echtgenoot gezamenlijk verklaren dat het kind de geslachtsnaam zal hebben van de ouder of van de echtgenoot.
3.2.2.
Verzoeker en de moeder hebben tijdens de mondelinge behandeling gezamenlijk verklaard dat zij wensen dat de geslachtsnaam van [naam 5] [achternaam 1] zal worden.
3.2.3.
De rechtbank is niet gebleken van feiten en omstandigheden waardoor de door artikel 1:5 lid 8 BW Pro gewaarborgde eenheid van naam binnen het gezin in het geding komt. Te meer nu het halfbroertje van [naam 5] eveneens de geslachtsnaam [achternaam 1] draagt. De rechtbank zal daarom de keuze van verzoeker en de moeder voor de geslachtsnaam in het dictum van deze beschikking vermelden.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
spreekt uit de adoptie van de minderjarige [naam 5] [naam 6] [achternaam 2] , geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats 1] door verzoeker [naam 1] , geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2] ;
4.2.
gelast de toevoeging van een latere vermelding van adoptie aan de akte van geboorte;
4.3.
stelt vast dat verzoeker en de moeder hebben verklaard dat [naam 5] de geslachtsnaam [achternaam 1] zal hebben en gelast toevoeging van een latere vermelding daarvan aan de akte van geboorte;
4.4.
draagt de griffier op om niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking – en als daartegen geen hoger beroep is ingesteld – een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Rotterdam zoals bepaald in artikel 1:20e lid 1 BW;
4.5.
bepaalt dat van de onder 4.1. gegeven beslissing, zodra deze in kracht van gewijsde is gegaan, aantekening wordt gemaakt in het in artikel 1:244 BW Pro genoemde openbare gezagsregister.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.A. van Egmond, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. R.T. Goede, griffier, op 29 juni 2026.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.