Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 01 maart 2024;
- het bericht van de vader met bijlage, ingekomen op 22 maart 2024;
- het rapport van de raad voor de kinderbescherming van 10 oktober 2025;
- het bericht van verzoeker van 28 oktober 2025;
- het bericht van de vader, met bijlage, van 3 november 2025;
- het bericht van de vader van 3 februari 2026;
- het bericht van de vader van 1 juni 2026.
- verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder;
- de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam 4] .
2.De vaststaande feiten
3.De beoordeling
Verzoeker heeft sinds 2019 een relatie met de moeder en woont sinds januari 2021 samen met de moeder en [naam 5] . Sinds die tijd groeit [naam 5] op in het stabiele gezin van de moeder, verzoeker en haar in 2021 geboren halfbroertje. Hoewel [naam 5] weet wie haar vader is en wat de rol en hoedanigheid van verzoeker is, ziet [naam 5] verzoeker als haar vader en verzoeker [naam 5] als zijn dochter. Zowel verzoeker als [naam 5] willen met de verzochte adoptie de juridische situatie in overeenstemming brengen met de feitelijke situatie. Alhoewel de vader niet tijdens de mondelinge behandeling is verschenen, heeft hij wel meegewerkt aan het raadsonderzoek. Uit het raadsonderzoek blijkt dat hij erkent dat hij sinds 2015 geen rol heeft gespeeld in het leven van [naam 5] . Hij heeft in 2021-2022 nog wel een poging gedaan om contact te zoeken, maar heeft naar eigen zeggen – en zonder dat te kunnen verklaren – ook niet zijn uiterste best gedaan. De vader betreurt het dat het contact niet tot stand is gekomen. Gedurende het raadsonderzoek heeft hij kenbaar gemaakt tegen de adoptie te zijn. Bij bericht van zijn advocaat van 1 juni 2026 heeft de man echter aan de rechtbank laten weten wel in te stemmen met het adoptieverzoek, omdat dit de uitdrukkelijke wens is van [naam 5] .