ECLI:NL:RBROT:2026:8047

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
C/10/720385 / KG ZA 26-508
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming voor vakantie en paspoort minderjarige naar moeder op Bonaire

De vrouw vordert in kort geding vervangende toestemming voor de vakantie van haar minderjarige zoon naar haar op Bonaire van 24 juli tot 7 augustus 2026, alsmede toestemming voor de aanvraag van een Nederlands paspoort. De vader, die gezamenlijk gezag heeft, verzet zich deels en voert bezwaren aan over waarborgen en contact.

De rechtbank oordeelt dat de vakantie in het belang van de minderjarige is, gezien eerdere uitspraken en rapporten waarin de reis expliciet is voorzien. De vrouw heeft een retourticket geboekt en zal zich aan de afspraken houden. De voorzieningenrechter wijst de meeste vorderingen toe die betrekking hebben op de reis en het paspoort, maar wijst algemene en onbepaalde vorderingen af.

De vader wordt veroordeeld om binnen 24 uur na het eerste verzoek medewerking te verlenen aan de paspoortaanvraag, de minderjarige tijdig en reisgereed op Schiphol af te leveren en over te dragen aan de aangewezen begeleider, onder verbeurte van een dwangsom van €1.000 per overtreding. De proceskosten worden gecompenseerd en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De rechtbank verleent vervangende toestemming voor de vakantie en paspoortaanvraag van de minderjarige en veroordeelt de vader tot medewerking met oplegging van dwangsommen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/10/720385 / KG ZA 26-508
Vonnis in kort geding van 29 juni 2026
in de zaak van
[naam 1], hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] , Caribisch Nederland,
eisende partij,
advocaat mr. J. Breeveld,
tegen
[naam 2], hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
advocaat mr. L.Y. Cheung.
De rechtbank merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, hierna te noemen: de GI;
gevestigd te Rotterdam.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met bijlagen van de vrouw, betekend op 16 juni 2026;
- de berichten met bijlagen van de vrouw van 22 juni 2026;
- de conclusie van antwoord met bijlagen van de man, ingekomen op 22 juni 2026;
- de brief met bijlage van de man van 22 juni 2026;
- het bericht met bijlage van de vrouw van 22 juni 2026;
- het bericht met bijlage van de man van 22 juni 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 juni 2026.
Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw (via videoverbinding), bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad) als adviseur, vertegenwoordigd door [naam 3] .
De GI is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling is door de advocaat van de vrouw een pleitnotitie overgelegd.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn de ouders van de minderjarige:
[naam 4] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] .
2.2.
De man heeft de minderjarige erkend.
2.3.
Bij vonnis van 21 augustus 2024 is een zorgregeling tussen de vrouw en de minderjarige vastgesteld, waarbij zij voorlopig fysiek contact hebben eenmaal per week in aanwezigheid van grootmoeder vaderszijde op enige afstand en op een openbare plek, in onderling overleg nader te bepalen zolang de moeder in Nederland verblijft. Daarnaast is de raad verzocht om onderzoek te doen naar het gezag en de hoofdverblijfplaats.
2.4.
Bij beschikking van 8 augustus 2025 is de minderjarige onder toezicht gesteld van stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: de GI) tot 11 augustus 2026. Bij dezelfde beschikking is een machtiging tot uithuisplaatsing bij grootmoeder vaderszijde verleend met ingang van 11 augustus 2025 tot 11 november 2025.
2.5.
Bij beschikking van 4 november 2025 is de machtiging uithuisplaatsing van de minderjarige verlengd tot 11 december 2025.
2.6.
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 2 december 2025 zijn partijen met het gezamenlijk ouderlijk gezag over de minderjarige belast en is de machtiging uithuisplaatsing bij grootmoeders vaderszijde verlengd tot 11 mei 2026. Tussen de vrouw en de minderjarige is een zorgregeling vastgesteld, waarbij de minderjarige (minimaal) één keer per week contact heeft met de vrouw (waarbij de opbouw qua frequentie en duur worden bepaald door de GI).
2.7.
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 28 april 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing bij grootmoeder vaderszijde verlengd tot 11 augustus 2026.

3.Het geschil

3.1.
De vrouw vordert:
I. de man te veroordelen zijn volledige, onvoorwaardelijke en onmiddellijke medewerking te verlenen aan de reis van de minderjarige naar [locatie] gedurende de periode van 24 juli t/m 7 augustus 2026, overeenkomstig de door de GI vastgestelde dan wel nog vast te stellen voorwaarden, afspraken en waarborgen;
II. om aan haar vervangende toestemming te verlenen voor:
a. de reis van de minderjarige naar [locatie] gedurende de periode van 24 juli t/m 7 augustus 2026;
b. het verblijf van de minderjarige bij eiseres op [locatie] gedurende deze periode;
c. de aanvraag van een Nederlands paspoort ten behoeve van de minderjarige;
d. de afgifte en ontvangst van dit paspoort;
e. alle overige voor de reis noodzakelijke toestemmingen, verklaringen, documenten, formaliteiten en rechtshandelingen;
III. te bepalen dat dit vonnis dezelfde rechtskracht heeft als de toestemming, instemming, medewerking en handtekening van de man en in de plaats treedt van iedere door de man vereiste toestemming, verklaring, instemming of handtekening ten behoeve van:
a. de aanvraag van een paspoort;
b. de afgifte van een paspoort;
c. de reis van de minderjarige naar [locatie] ;
d. het verblijf van de minderjarige op [locatie] ;
e. de boeking van vliegtickets;
f. de in- en uitreisformaliteiten;
g. alle overige handelingen die noodzakelijk of wenselijk zijn voor de uitvoering van de reis;
IV. de man te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van het vonnis alle medewerking te verlenen aan de aanvraag en afgifte van het paspoort van de minderjarige, voor zover nog enige feitelijke handeling van zijn zijde noodzakelijk mocht blijken;
V. de man te veroordelen de minderjarige op de dag van vertrek tijdig, volledig reisgereed en voorzien van alle benodigde reisdocumenten, kleding, medicijnen en overige persoonlijke eigendommen af te leveren op luchthaven Schiphol, althans op een tussen partijen nader af te stemmen overdrachtslocatie ten behoeve van de uitvoering van de reis naar [locatie] ;
VI. de man te veroordelen de minderjarige op luchthaven Schiphol over te dragen aan de door de vrouw aangewezen begeleider, familielid, vertegenwoordiger of medewerker van de luchtvaartmaatschappij en zich te onthouden van iedere handeling die de uitvoering van de reis belemmert, vertraagt of onmogelijk maakt;
VII. de man te veroordelen om alle medewerking te verlenen aan de uitvoering van de vakantie van de minderjarige op [locatie] en aan alle contact-, begeleidings-, toezicht- en veiligheidsafspraken die door de GI, Sterk in Regie of andere betrokken instanties in het kader van deze vakantie worden vastgesteld;
VIII. de man te verbieden de uitvoering van de reis naar [locatie] op enigerlei wijze direct of indirect te frustreren, te verhinderen of te bemoeilijken;
IX. te bepalen dat de man een onmiddellijk opeisbare dwangsom verbeurt van
€ 1.000,- (één duizend euro) voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij handelt in strijd met één of meer van de onder I tot en met VIII genoemde veroordelingen, dan wel voor iedere afzonderlijke overtreding daarvan, zulks ter keuze van eiseres, met een maximum van € 50.000,-;
X. de man te veroordelen in de volledige kosten van deze procedure, waaronder begrepen:
- het door eiseres verschuldigde griffierecht;
- de kosten van betekening van de dagvaarding;
- de deurwaarderskosten;
- de nakosten;
- de wettelijke rente over deze kosten vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;
XI. dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren;
XII. althans een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren;
XIII. te bepalen dat, indien de man niet binnen de in het vonnis gestelde termijn meewerkt aan de aanvraag, afgifte of verkrijging van het paspoort van de minderjarige, dan wel aan enige andere voor de reis noodzakelijke formaliteit, dit vonnis zelfstandig kan worden gebruikt als vervangende toestemming tegenover alle betrokken instanties, waaronder gemeenten, paspoortautoriteiten, de Koninklijke Marechaussee, luchtvaartmaatschappijen en overige nationale en internationale autoriteiten.
3.2.
De man voert gemotiveerd verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Spoedeisend belang
4.1.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat de vrouw daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
4.1.2.
De man stelt dat het spoedeisend belang niet aanwezig is, omdat er op korte termijn een definitieve schriftelijke aankondiging van de GI zal volgen en hij aan de vrouw heeft medegedeeld dat hij zich daaraan zal houden. De voorzieningenrechter overweegt dat de definitieve schriftelijke aanwijzing nog niet is ontvangen en dat onweersproken is gesteld dat de jeugdbeschermer van de minderjarige al maanden ziek is. Het is nog onbekend wanneer de definitieve schriftelijke aanwijzing zal volgen, terwijl de minderjarige nog geen paspoort heeft en de geplande reis al op 24 juli 2026 zal plaatsvinden. De voorzieningenrechter oordeelt dan ook dat sprake is van een spoedeisend belang en zal overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van de vrouw.
4.2.
Paspoort en reis naar [locatie]
4.2.1.
Omdat de vrouw vele vorderingen heeft ingediend, maar deze uiteindelijk allemaal neerkomen op een reis van de minderjarige naar zijn moeder op [locatie] gedurende de periode van 24 juli t/m 7 augustus 2026 en de aanvraag van een paspoort voor de minderjarige, zal de voorzieningenrechter allereerst hierover oordelen. Vervolgens zullen alle vorderingen afzonderlijk worden beoordeeld.
4.2.2.
Hoewel blijkens de tekst van de wet en de wetsgeschiedenis vervangende toestemming bij verzoekschrift moet worden gevraagd aan de kinderrechter, zal de vrouw, om proceseconomische redenen en vanwege het spoedeisend karakter van de zaak toch in haar vorderingen worden ontvangen, waarop de voorzieningenrechter tevens in haar hoedanigheid van kinderrechter zal beslissen.
4.2.3.
De voorzieningenrechter acht de reis van de minderjarige naar zijn moeder in [locatie] in zijn belang en zal de vorderingen daartoe daarom (gedeeltelijk) toewijzen. De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat tussen partijen (en de GI) niet ter discussie staat of heeft gestaan dat de reis van de minderjarige naar [locatie] een keer gaat gebeuren. In het raadsrapport van de Voogdijraad van [locatie] van 26 maart 2025 is het voornemen van de reis naar [locatie] expliciet benoemd: “
Het is van belang dat alle betrokkenen (blijven) meewerken aan het plan van de Jeugdbescherming om de contacten/band tussen [naam 4] en moeder te verstevigen. Op termijn kan dit hopelijk leiden tot uitgebreide(re) bezoeken van [naam 4] aan moeder op [locatie] .” Ook in de beschikking van deze rechtbank van 2 december 2025 is de reis naar [locatie] expliciet benoemd: “
Ook is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van [naam 4] kan zijn tijdens vakanties bij de moeder op bezoek te kunnen gaan, op [locatie] , zodat zijn band met de moeder kan intensiveren en hij zijn moeder en halfzusjes beter leert kennen.” Tot slot is in de aankondiging van de schriftelijke aanwijzing van de GI van 18 mei 2026 naar voren gebracht dat de minderjarige – onder voorwaarden – naar zijn moeder op [locatie] zal gaan. Dit voornemen is bij de laatste e-mail van de GI van 22 juni 2026 bevestigd.
4.2.4.
De man stelt niet dat de reis van de minderjarige naar zijn moeder in [locatie] niet op enig moment mogelijk zal zijn, maar werpt wel bezwaren op tegen de vakantie op dit moment. Allereerst stelt de man dat er te weinig waarborgen zijn dat de minderjarige op 7 augustus 2026 terug zal keren naar Nederland. De voorzieningenrechter overweegt dat niet is gebleken dat de vrouw zich niet aan eerdere beslissingen van de rechtbank heeft gehouden. Bovendien heeft zij een retourticket geboekt en heeft zij tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat zij zich aan het vonnis zal houden. Het enkele feit dat de vrouw in hoger beroep is gegaan tegen eerdere uitspraken, maakt niet dat ervan uit kan worden gegaan dat de vrouw zich niet aan dit vonnis zal houden.
4.2.5.
De man stelt verder dat er nog teveel onduidelijkheden zijn en dat hij bepaalde voorwaarden wil vastleggen. Eén van die voorwaarden is het contact tussen hem (en grootmoeder vaderszijde) en de minderjarige. Tijdens de mondelinge behandeling geeft de man aan dat hij minimaal één keer per week contact met de minderjarige wil hebben, terwijl de vrouw tijdens de mondelinge behandeling al had aangeboden om het contact om de dag te laten plaatsvinden. De voorzieningenrechter voorziet hierin dan ook geen problemen. Voor wat betreft de bezwaren van de man over de begeleiding van de minderjarige tijdens de heen- en terugreis overweegt de voorzieningenrechter dat de vrouw een Unaccompanied Minor service (UM service) heeft geboekt. Deze service houdt in dat de minderjarige wordt begeleid vanaf de incheckbalie tot aan boord van het vliegtuig, tijdens de vlucht wordt begeleid door het cabinepersoneel en op bestemming vanuit het vliegtuig begeleid wordt naar de persoon die hem komt ophalen. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat zij geen financiële mogelijkheden heeft om de begeleiding van de minderjarige anders te regelen. Zij is financieel niet in staat om in de dagen voor de vakantie zelf naar Nederland te komen of een familielid/bekende mee te laten vliegen. De voorzieningenrechter realiseert zich dat de minderjarige nog maar acht jaar oud is en dat het spannend is om “alleen” te vliegen, maar gaat ervan uit dat met de juiste voorbereiding door de man en grootmoeder vaderszijde en het daarop getrainde luchtvaartpersoneel dit goed moet komen. De voorzieningenrechter gaat tot slot voorbij aan het bezwaar van de man dat er door de GI nog geen contact is gelegd met de betreffende instanties op [locatie] . De Voogdijraad van [locatie] is al betrokken geweest in het gezin van de vrouw en de voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de GI dit in het kader van de ondertoezichtstelling alsnog zal oppakken.
De voorzieningenrechter ziet ook geen andere omstandigheden die met zich meebrengen dat een vakantie naar zijn moeder in [locatie] niet in het belang van de minderjarige zou zijn. De vrouw en de minderjarige hebben twee tot drie keer per week via videoverbinding contact met elkaar en nog afgelopen jaar was de vrouw gedurende een paar maanden in Nederland. Dan verbleef de minderjarige weekenden bij haar. Zoals ook de raad naar voren heeft gebracht, is het fijn voor de minderjarige om nu een wat langere periode in een ontspannen sfeer bij zijn moeder in [locatie] te verblijven.
4.2.6.
Omdat de voorzieningenrechter de reis van de minderjarige naar de vrouw in [locatie] in zijn belang acht, zullen ook de vorderingen voor wat betreft de aanvraag van het paspoort van de minderjarige (gedeeltelijk) worden toegewezen. De minderjarige heeft immers op dit moment geen paspoort en heeft voor de reis naar [locatie] een paspoort nodig. Tijdens de mondelinge behandeling is onduidelijk gebleven hoe de vrouw het paspoort vanaf [locatie] zal aanvragen. De voorzieningenrechter zal de vrouw in ieder geval vervangende toestemming verlenen voor de aanvraag en afgifte en verwacht hierin ook de medewerking van de man (waarover later meer).
4.2.7.
Gelet op de vele vorderingen die door de vrouw zijn ingediend, zal de voorzieningenrechter deze hieronder puntsgewijs beoordelen.
I. De vordering onder I (volledige medewerking van de man, overeenkomstig de door de GI vastgestelde of nog vast te stellen voorwaarden) zal worden afgewezen, omdat deze vordering te onbepaald en algemeen is en het onduidelijk is wat de vastgestelde of nog vast te stellen voorwaarden van de GI zullen inhouden. Bovendien zijn er specifiekere vorderingen die zullen worden toegewezen.
II. De vordering onder II zal gedeeltelijk worden afgewezen en gedeeltelijk worden toegewezen. De vorderingen tot het verlenen van vervangende toestemming voor de reis naar [locatie] (onder a) en de aanvraag van een Nederlands paspoort voor de minderjarige (onder c) zullen worden toegewezen. Het onder b gevorderde (vervangende toestemming voor het verblijf van de minderjarige bij de vrouw in [locatie] ) mist naar het oordeel van de voorzieningenrechter enige rechtsgrond. Het spreekt voor zich dat, als de minderjarige naar [locatie] reist, hij bij zijn moeder zal verblijven. Deze vordering zal dan ook worden afgewezen. Voor wat betreft het gevorderde onder d (vervangende toestemming voor de afgifte en ontvangst van het paspoort) overweegt de voorzieningenrechter dat dit nagenoeg gelijk is aan de vordering onder IV (welke zal worden toegewezen). Om die reden zal ook die vordering worden afgewezen. De vordering onder e (vervangende toestemming voor alle overige voor de reis noodzakelijke toestemmingen, verklaringen, documenten, formaliteiten en rechtshandelingen) acht de voorzieningenrechter te onbepaald en algemeen. Ook deze vordering zal worden afgewezen.
III. Het gevorderde onder III (te bepalen dat het vonnis dezelfde rechtskracht heeft als de toestemming van de man) zal worden afgewezen, omdat het verkrijgen van vervangende toestemming voor de reis en de aanvraag van het paspoort dit al impliceert.
IV. Het gevorderde onder IV (de man te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van het vonnis zijn medewerking te verlenen aan de aanvraag en afgifte van het paspoort) zal worden toegewezen, met dien verstande dat de man niet binnen 24 uur na betekening van het vonnis, maar slechts op het eerste verzoek van de vrouw daartoe zijn medewerking dient te verlenen. Vooruitlopend op de vordering onder IX (de dwangsom), overweegt de voorzieningenrechter dat aan deze veroordeling geen dwangsom zal worden verbonden. Het is immers nog onduidelijk welke handelingen van de man worden verwacht.
V. Het gevorderde onder V zal worden toegewezen, met uitzondering van het gedeelte ten aanzien van de kleding, medicijnen en overige persoonlijke eigendommen van de minderjarige. De voorzieningenrechter acht het vanzelfsprekend dat de man de minderjarige met een goed ingepakte rugzak op Schiphol zal brengen en heeft ook geen aanleiding te veronderstellen dat de man hierin in strijd met het belang van de minderjarige zal handelen. Vooruitlopend op de vordering onder IX (de dwangsom), zal de voorzieningenrechter de man hiertoe veroordelen op straffe van een dwangsom van € 1.000,-. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat er maar één kans is om de minderjarige naar het vliegveld te brengen en legt daarom de dwangsom op.
VI. Het gevorderde onder VI (de man te veroordelen om de minderjarige op Schiphol over te dragen aan de daartoe door de vrouw aangewezen persoon) zal gedeeltelijk worden toegewezen. Vooruitlopend op de vordering onder IX (de dwangsom), zal de voorzieningenrechter de man hiertoe veroordelen op straffe van een dwangsom van € 1.000,-. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat er maar één kans is om de minderjarige over te dragen aan de juiste persoon en legt daarom de dwangsom op. Het gedeelte waarin wordt gevorderd dat de man zich moet onthouden van iedere handeling die de uitvoering van de reis belemmert, vertraagt of onmogelijk maakt zal worden afgewezen. Deze vordering is te onbepaald en algemeen.
VII. De vordering onder VII (de man te veroordelen om zijn medewerking te verlenen aan de uitvoering van de vakantie en de afspraken door de GI) zal worden afgewezen, omdat deze vordering te onbepaald en algemeen is en dit bovendien binnen de ondertoezichtstelling van de minderjarige valt.
VIII. De vordering onder VIII (de man te verbieden de uitvoering van de reis naar [locatie] op enigerlei wijze direct of indirect te frustreren, te verhinderen of te bemoeilijken) zal worden afgewezen, omdat deze vordering te onbepaald en algemeen is.
IX. De vordering onder IX (de dwangsom) zal gedeeltelijk worden afgewezen en gedeeltelijk worden toegewezen. De dwangsom zal worden opgelegd voor de vorderingen onder V en VI. De overige vorderingen waarvoor een dwangsom is gevorderd, worden afgewezen (waardoor geen dwangsom kan worden opgelegd) of lenen zich niet voor de oplegging van een dwangsom (zoals de vervangende toestemming).
X. De vordering tot het veroordelen van de man in de proceskosten zal worden afgewezen. De minderjarige staat immers onder toezicht en de man heeft oprechte zorgen en vragen naar voren gebracht. Bovendien is onweersproken gesteld dat de jeugdbeschermer van de minderjarige al langere tijd ziek is.
XI. De voorzieningenrechter zal, zoals gevorderd, het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
XII. De vordering onder XII (een zodanige voorziening treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren) zal worden afgewezen, omdat de vorderingen van de vrouw (gedeeltelijk) worden toegewezen.
XIII. De vordering onder XIII (het zelfstandig gebruiken van het vonnis als vervangende toestemming tegenover alle betrokken instanties) zal worden afgewezen. De vrouw heeft deze vordering ook niet onderbouwd. De voorzieningenrechter zal vervangende toestemming verlenen, en verder wordt de man veroordeeld mee te werken aan bovengenoemde handelingen, deels onder verbeurte van een dwangsom. Onduidelijk is gebleven welk belang de vrouw in dat geval bij deze vordering heeft. Daar komt bij dat de vordering zo ruim is geformuleerd dat niet duidelijk is wat van gedaagde wordt verlangd. De vordering is dus ook onvoldoende bepaalbaar.
4.2.8.
Gelet op al het voorgaande zal de voorzieningenrechter – samengevat – aan de vrouw vervangende toestemming verlenen voor de reis van de minderjarige naar haar op [locatie] gedurende de periode van 24 juli t/m 7 augustus 2026 en voor de aanvraag van een Nederlands paspoort ten behoeve van de minderjarige. Daarnaast zal de man worden veroordeeld om:
  • binnen 24 uur na het eerste verzoek van de vrouw daartoe alle medewerking te verlenen aan zowel de aanvraag en de afgifte van het paspoort van de minderjarige, voor zover nog enige feitelijke handeling van zijn zijde noodzakelijk mocht blijken (zonder dwangsom);
  • de minderjarige op de dag van vertrek tijdig, volledig reisgereed en voorzien van alle benodigde reisdocumenten af te leveren op luchthaven Schiphol, althans op een tussen partijen nader af te stemmen overdrachtslocatie ten behoeve van de uitvoering van de reis naar [locatie] , op straffe van een dwangsom van € 1.000,-;
  • de minderjarige op luchthaven Schiphol over te dragen aan de door de vrouw aangewezen begeleider, familielid, vertegenwoordiger of medewerker van de luchtvaartmaatschappij, op straffe van een dwangsom van € 1.000,-.
4.3.
Proceskosten
4.3.1.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
verleent de vrouw vervangende toestemming voor de reis van de minderjarige naar haar in [locatie] gedurende de periode van 24 juli t/m 7 augustus 2026;
5.2.
verleent de vrouw vervangende toestemming voor de aanvraag van een Nederlands paspoort ten behoeve van de minderjarige;
5.3.
bepaalt dat deze vervangende toestemmingen strekken tot vervanging van de vereiste toestemmingen van de man;
5.4.
veroordeelt de man om binnen 24 uur na het eerste verzoek van de vrouw daartoe alle medewerking te verlenen aan de aanvraag en de afgifte van het paspoort van de minderjarige, voor zover nog enige feitelijke handeling van zijn zijde noodzakelijk mocht blijken;
5.5.
veroordeelt de man om de minderjarige op de dag van vertrek tijdig, volledig reisgereed en voorzien van alle benodigde reisdocumenten af te leveren op luchthaven Schiphol, althans op een tussen partijen nader af te stemmen overdrachtslocatie ten behoeve van de uitvoering van de reis naar [locatie] , op straffe van een dwangsom van € 1.000,-;
5.6.
veroordeelt de man om de minderjarige op luchthaven Schiphol over te dragen aan de door de vrouw aangewezen begeleider, familielid, vertegenwoordiger of medewerker van de luchtvaartmaatschappij, op straffe van een dwangsom van € 1.000,-.
5.7.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.8.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. Berghuis-Knijff en in het openbaar uitgesproken door mr. Ü. Gümüş op 29 juni 2026.