ECLI:NL:RBROT:2026:8053

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
C/10/707146 / FA RK 25-7199
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • J.A. Wesdorp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging hoofdverblijfplaats minderjarige na echtscheiding

De rechtbank Rotterdam behandelde op 29 juni 2026 een verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van twee minderjarigen na ontbinding van het huwelijk van hun ouders. De ouders waren het eens over de wijziging voor één minderjarige, terwijl de andere minderjarige inmiddels zelf de hoofdverblijfplaats had gewijzigd door inschrijving bij de vader.

Tijdens de mondelinge behandeling gaf de vrouw aan niet op de hoogte te zijn gebracht van de inschrijving van de eerste minderjarige bij de vader en uitte zij zorgen over de verblijfplaats tijdens de zomervakantie. De man lichtte toe dat dit in overleg met hulpverlening was besloten als een time-out en dat verdere begeleiding zal plaatsvinden.

De rechtbank wees het verzoek voor de eerste minderjarige af wegens intrekking door de vader. Voor de tweede minderjarige werd het verzoek toegewezen omdat de vrouw zich hier niet tegen verzette en de wijziging overeenkomt met de feitelijke situatie. De proceskosten worden door elke partij zelf gedragen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er is mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden.

Uitkomst: De hoofdverblijfplaats van de jongste minderjarige wordt bij de vader vastgesteld, het verzoek voor de oudste minderjarige wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/707146 / FA RK 25-7199
Beschikking van 29 juni 2026 over de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen
in de zaak van:
[naam 1], hierna: de man,
wonende te [woonplaats 1] , gemeente [gemeente] ,
advocaat mr. N. Schuerman te Rotterdam,
t e g e n
[naam 2], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2] ,
zonder advocaat.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 22 september 2025;
  • het bericht met bijlage van de man van 31 mei 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 12 juni 2026. Daarbij zijn verschenen:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vrouw;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam 3]
1.3.
De minderjarigen zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. [naam 4] heeft hier geen gebruik van gemaakt. [naam 5] heeft op 12 juni 2026 een gesprek met de kinderrechter gehad.

2.De vaststaande feiten

2.1.
Het huwelijk van partijen is op 30 november 2015 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 14 oktober 2015 in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:
[naam 4] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats 1] ;
[naam 5] , geboren op [geboortedatum 2] 2011 te [geboorteplaats 2] .
2.3.
Partijen hebben op 8 april 2015 een ouderschapsplan opgesteld en ondertekend, waarin onder andere is opgenomen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw zal zijn.
2.4.
Het ouderlijk gezag over de minderjarigen wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.

3.De beoordeling

3.1.
Hoofdverblijfplaats
3.1.1.
De man verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen voortaan bij hem zal zijn.
[naam 4]
3.1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [naam 4] zich inmiddels al bij de man heeft ingeschreven. De man heeft daarom zijn verzoek ten aanzien van [naam 4] ingetrokken. De rechtbank zal het verzoek afwijzen.
3.1.3.
De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling wel haar zorgen geuit over [naam 4] . Zij geeft aan dat zij niet op de hoogte is gebracht van het feit dat [naam 4] inmiddels bij de man ingeschreven staat en dat zij dit via een brief van de SVB heeft moeten vernemen. Bovendien maakt zij zich zorgen over [naam 4] , omdat haar is gebleken dat zij in ieder geval gedurende de zomervakantie bij een zus van de man in Zeeland zal gaan wonen. De man beaamt dit en geeft aan dat er, in samenspraak met hulpverlening, voor is gekozen om [naam 4] een time-out te gunnen. Bovendien zal er in de tussenliggende periode met de hulpverlening aan de slag worden gegaan, aldus de man. Hoewel er ten aanzien van deze situatie geen formele verzoeken voorliggen aan de rechtbank, spreekt de rechtbank de hoop uit dat partijen binnen het hulpverleningstraject ook aan hun onderlinge communicatie en vertrouwen kunnen gaan werken.
[naam 5]
3.1.4.
Voor wat betreft het verzoek ten aanzien van [naam 5] heeft de vrouw tijdens de mondelinge behandeling laten weten zich hier niet tegen te verweren. De rechtbank zal het verzoek daarom toewijzen, omdat het niet is weersproken en op de wet is gegrond. Het brengt bovendien de juridische werkelijkheid in overeenstemming met de feitelijke werkelijkheid.
3.2.
Proceskosten
3.2.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van [naam 5] voortaan bij de man zal zijn;
4.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.3.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.A. Wesdorp, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. E.A.C. van Dijk, griffier, op 29 juni 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.