ECLI:NL:RBROT:2026:808

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
C/10/682666 / HA ZA 24-607
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:40 lid 1 BWArt. 3:44 lid 3 BWArt. 6:37 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overnamegeschil met bewijsopdracht over bedrog en schending balansgarantie

Deze zaak betreft een geschil over de overname van aandelen in de Rijnplant Entiteiten door Houwenplant van DÜMMEN ORANGE THE NETHERLANDS B.V. (DO). Kort na de overname werden de Rijnplant Entiteiten failliet verklaard. DO vordert betaling van diverse bedragen op grond van vrijwaringsbepalingen en niet-nakoming, terwijl Houwenplant zich beroept op vernietiging van de koopovereenkomst wegens bedrog en subsidiair dwaling en misbruik van omstandigheden.

De rechtbank oordeelt dat de vrijwaringsvordering voor werknemerskosten niet toewijsbaar is, omdat geen sprake is van overgang van werknemers en de vrijwaringsbepaling niet ziet op alle werknemerskosten. Ook wijst de rechtbank de vorderingen af die zien op het niet voortzetten en financieren van de Rijnplant Entiteiten, omdat geen concrete toezeggingen daartoe zijn gebleken. De vorderingen tot betaling van uitgestelde bedragen worden in beginsel erkend, maar het beroep van Houwenplant op vernietiging kan deze rechtsgrond wegnemen.

Houwenplant wordt opgedragen bewijs te leveren dat DO voorafgaand aan de koopovereenkomst opzettelijk onjuiste informatie heeft verstrekt over problemen met afnemers en debiteuren, wat bedrog zou opleveren. De rechtbank houdt de beslissing over de overige vorderingen, waaronder de onrechtmatige daad en de schending van de balansgarantie, aan in afwachting van bewijslevering. De balansgarantie is voor een deel geschonden, maar de schadevergoeding wordt verwezen naar de schadestaatprocedure. De beslagen blijven voorlopig gehandhaafd.

Uitkomst: Vrijwaringsvordering afgewezen, bewijslevering opgedragen over bedrog, overige beslissingen aangehouden.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/682666 / HA ZA 24-607
Vonnis van 28 januari 2026
in de zaak van
DÜMMEN ORANGE THE NETHERLANDS B.V.,
gevestigd te De Lier,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. T.J.A. Zuijderland te Amsterdam,
tegen
HOUWENPLANT B.V.,
gevestigd te Hoek van Holland,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. M.H. Visscher te Den Haag.
Partijen worden hierna DO en Houwenplant genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1.
Deze zaak betreft een overnamegeschil. Houwenplant heeft op 1 maart 2024 de aandelen in het kapitaal van de Rijnplant Entiteiten gekocht van DO voor een koopprijs van € 1,00. Op 29 mei 2024 zijn de Rijnplant Entiteiten failliet verklaard.
1.2.
DO vordert van Houwenplant € 1.206.802,88 in verband met een vrijwaringsbepaling in de koopovereenkomst voor werknemerskosten. Ook vordert zij verschillende bedragen (in totaal € 1.619.173,25, te vermeerderen met juridische kosten) omdat Houwenplant de Rijnplant Entiteiten niet heeft gefinancierd en voortgezet. Deze vorderingen worden afgewezen. Verder vordert DO nakoming van betalingsverplichtingen van Houwenplant tot een totaalbedrag van € 650.000,00. De rechtbank stelt vast dat Houwenplant laatstgenoemd bedrag in beginsel verschuldigd is, tenzij haar beroep op vernietiging van de koopovereenkomst op grond van bedrog (bestaande uit het opzettelijk delen van onjuiste informatie of verzwijgen van relevante informatie) slaagt. In dat kader wordt Houwenplant opgedragen bewijs te leveren.
1.3.
De beslissingen in reconventie worden aangehouden in afwachting van de bewijslevering in conventie. Houwenplant vordert in reconventie een verklaring voor recht dat DO onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, met een verwijzing naar de schadestaatprocedure. Als vast komt te staan dat sprake is van bedrog, levert dat in beginsel ook een onrechtmatige daad op. Los daarvan is voor toewijzing van een vordering gebaseerd op onrechtmatige daad geen plaats. Aan de beslissing over de voorwaardelijke vordering van Houwenplant, gebaseerd op schending van de balansgarantie in de koopovereenkomst door DO, komt de rechtbank nog niet toe. Voor zover wel aan deze beslissing zal worden toegekomen, zal voor recht worden verklaard dat de balansgarantie ten aanzien van enkele posten is geschonden. Het ligt dan in de rede dat de daarmee in verband staande schade in deze procedure zal worden begroot. Voor opheffing van de door DO ten laste van Houwenplant gelegde beslagen bestaat nu geen aanleiding.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 9 juli 2024, met producties 1 tot en met 39 (en beslagstukken 1 tot en met 17);
  • de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie, met producties 1 tot en met 28;
  • de brief van 11 oktober 2024 van de rechtbank, waarbij partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling;
  • de brief van 26 februari 2025 van de rechtbank, met een zittingsagenda waarbij partijen nader zijn geïnformeerd over de mondelinge behandeling;
  • de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte eiswijziging in conventie, met producties 40 tot en met 50;
  • de akte overlegging (nadere) producties van Houwenplant, met producties 29 tot en met 33;
  • de akte eiswijziging van DO;
  • de akte overlegging producties van DO, met producties 51 tot en met 55;
  • de mondelinge behandeling van 1 april 2025 en de door partijen overgelegde spreekaantekeningen.
2.2.
Aan het einde van de mondelinge behandeling is Houwenplant in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken te laten weten of zij nog een akte uitlaten producties wilde nemen. Houwenplant heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt, waarna de zaak naar de rol is verwezen voor vonnis.
2.3.
Op 23 mei 2025 is de zaak op verzoek van partijen naar de parkeerrol verwezen. Partijen hebben de zaak op 25 juni 2025 weer opgebracht, waarna de zaak opnieuw naar de rol is verwezen voor vonnis.

3.De feiten

3.1.
DO houdt zich bezig met de veredeling en ontwikkeling van bloemenrassen en de ontwikkeling van materialen die in dat verband nodig zijn, zoals stekken en jonge planten. DO behoort tot de Dümmen Orange Group. Het moederbedrijf van de Dümmen Orange Group is Casper Debtco B.V.
3.2.
Tot 1 maart 2024 was DO houder van alle aandelen in Rijnplant B.V. en haar dochtervennootschap Rijnplant Breeding B.V. (hierna afzonderlijk aangeduid als Rijnplant en Rijnplant Breeding en gezamenlijk als de Rijnplant Entiteiten). De Rijnplant Entiteiten hielden zich bezig met de productie van stekken en halffabricaten voor het kweken van anthuriums (tropische kamerplanten).
3.3.
Houwenplant is een familiebedrijf dat zich met name richt op de teelt van anthuriums.
3.4.
Op 1 maart 2024 hebben partijen een koopovereenkomst gesloten, waarin is afgesproken dat Houwenplant alle aandelen in het kapitaal van de Rijnplant Entiteiten van DO overneemt. In de koopovereenkomst staat, voor zover relevant, het volgende.

3.1 Koopprijs
De koopprijs voor de Aandelen (de “Koopprijs”) bedraagt:
EUR 1,00 (zegge: één euro), door Koper aan Verkoper te voldoen op de Overdrachtsdatum; en
EUR 150.000 (zegge: honderdvijftigduizend euro), door Koper aan Verkoper te voldoen zonder inhouding, opschorting of verrekening op uiterlijk februari 2025, in verband met het door Verkoper afwikkelen van het geschil tussen de Groepsmaatschappijen en van Schie .
(…)
5.2
Vrijgave zekerheden
(…)
5.2.2
Verkoper enerzijds en Koper en de Vennootschap anderzijds komen hierbij overeen dat Koper er voor zal zorgen dat eventueel door de Verkoper of haar groepsmaatschappijen (ander dan de Groepsmaatschappijen) aan enige derde(n) verstrekte zekerheidsrechten, garanties, borgstellingen en/of hoofdelijke verbondenheden ten gunste van de Vennootschap per de Overdrachtsdatum zullen worden beëindigd dan wel ingetrokken zonder resterende aansprakelijkheid van de Verkoper en haar groepsmaatschappijen (ander dan de Groepsmaatschappijen). Koper en de Vennootschap zullen Verkoper onherroepelijk en onvoorwaardelijk vrijwaren voor iedere vordering, aanspraak en/of claim uit hoofde van eventueel door de Verkoper aan derden verstrekte zekerheidsrechten, garanties, borgstellingen en/of hoofdelijke verbondenheden ten gunste van de Vennootschap. De groepsmaatschappijen van de Verkoper zullen bij wijze van derdenbeding om niet gerechtigd zijn om zich op dit beding jegens de Koper en de Vennootschap te beroepen.
5.3 403-
verklaring
Partijen stellen vast dat Casper Debtco B.V. zich hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor schulden die voortvloeien uit rechtshandelingen van de Groepsmaatschappijen, in overeenstemming met hetgeen bepaald in artikel 2:403 eerste Pro lid BW (de “403-verklaring”). Casper Debtco B.V. zal uiterlijk op de Overdrachtsdatum deze 403-verklaring intrekken in overeenstemming met het bepaalde in artikel 2:404 eerste Pro lid BW, en zal tevens de overblijvende aansprakelijkheid voor schulden die voortvloeien uit rechtshandelingen van de Groepsmaatschappijen beëindigen, in overeenstemming met hetgeen is bepaald in artikel 2:404 derde Pro lid BW.
(…)

7.Verklaringen en garanties

7.1
Verkoper geeft geen verklaringen en garanties ten aanzien van de Aandelen, de Groepsmaatschappijen en de Activiteiten, behoudens de volgende garanties (“Garanties”):
de titelgaranties ten aanzien van de Aandelen zoals neergelegd in de Akte van Levering;
anders dan opgenomen in de Overdrachtsbalans hebben de Groepsmaatschappijen geen materiële schulden of passiva die niet samenhangen met de reguliere bedrijfsvoering van de Activiteiten.
7.2
Partijen erkennen dat behalve de in Artikel 7.1 uiteengezette Garanties geen andere garanties worden gegeven door Verkoper met betrekking tot de Groepsmaatschappijen en de Activiteiten. Partijen erkennen voorts dat de Groepsmaatschappijen en hun activa worden overgedragen in de huidige staat (
‘as is’).
7.3
In geval van een inbreuk op de Garanties zal Verkoper de Koper schadeloos stellen voor alle daaruit voor de Koper voortvloeiende schade in de zin van artikel 6:96 e.v. BW (…).
7.4
De maximale aansprakelijkheid van Verkoper ter zake van enige schadevergoedingsverplichting uit hoofde van een Garantie (…) en anderszins onder deze Overeenkomst is beperkt tot een bedrag van EUR 500.000 (zegge: vijf honderdduizend euro) (…).
9.2
Beëindiging intra-groep relaties
Behoudens expliciet opgenomen in deze Overeenkomst of in de door Verkoper en de Vennootschap of de Koper te sluiten overeenkomst voor (tijdelijke) diensten na effectuering van de Transactie, zullen per het moment van levering van de Aandelen alle tussen de Groepsmaatschappijen enerzijds en de Verkoper en haar groepsmaatschappijen (anders dan de Groepsmaatschappijen) bestaande relaties beëindigd zijn of worden, zonder aansprakelijkheid over en weer voor die beëindiging. De Groepsmaatschappijen zullen onder andere geen gebruik meer kunnen maken van de door Verkoper en haar groepsmaatschappijen aangehouden verzekeringen. De Koper zal zelf verantwoordelijk zijn voor het aan de Groepsmaatschappijen verstrekken van de diensten en activa benodigd voor het uitvoeren van de Activiteiten. De Koper zal ook zelf verantwoordelijk zijn voor het innen van debiteuren en betalen van crediteuren en het op peil houden van cash en werkkapitaal binnen de Groepsmaatschappijen om dergelijke betalingen te kunnen voldoen.
9.3
Handelsvorderingen op Koper
Voor de bestaande handelsvorderingen die de Groepsmaatschappijen op de Koper en haar groepsmaatschappijen hebben (op de datum van deze Overeenkomst zoals hieronder weergegeven), komen Partijen overeen dat de Groepsmaatschappijen deze vorderingen overdragen (cederen) aan de Verkoper, waarvan hierbij mededeling wordt gedaan aan de Koper, tegen verrekening met (een deel van) de bestaande intra-groep schuld van de Groepsmaatschappijen aan de Verkoper. De Koper zal er zorg voor dragen dat € 500.000,- van de voornoemde handelsvorderingen uiterlijk 28 februari 2025 wordt voldaan zonder verdere opschorting of verrekening, en het restant van de volledige handelsvorderingen in drie delen worden voldaan op de laatste werkdag van de maanden maart 2024, april 2024 en mei 2024 zonder verdere opschorting of verrekening. (…)
9.4
Werknemers
Het is de intentie van Partijen dat alle werknemers die zich feitelijk bezighouden met de Activiteiten, werknemer zullen zijn of worden van de Groepsmaatschappijen onder dezelfde arbeidsvoorwaarden. Indien en voor zover enige werknemer daartegen bezwaar maakt zal Koper alles in het werk stellen om de overgang alsnog te bewerkstelligen, en Verkoper en haar groepsmaatschappijen vrijwaren van alle met die werknemer samenhangende kosten en lasten (inclusief eventuele beëindiging van diens dienstverband), (...)”
3.5.
DO heeft meteen na het ondertekenen van de koopovereenkomst de aandelen in het kapitaal van de Rijnplant Entiteiten overgedragen aan Houwenplant. In artikel 9 van Pro de leveringsakte van 1 maart 2024 staat het volgende:
“De Verkoper en de Koper doen hierbij afstand van het recht om de Overeenkomst en/of deze levering te (doen) ontbinden en/of, zo mogelijk geheel of gedeeltelijk, te vernietigen.”
3.6.
Op 28 maart 2024 hebben DO, Houwenplant en Rijnplant Breeding een tijdelijke dienstenovereenkomst (hierna: TSA) gesloten. Daarin is afgesproken dat DO een aantal werkzaamheden voor de Rijnplant Entiteiten tijdelijk zou voortzetten. In artikel 4.1 van de TSA staat het volgende:
“De Vennootschap zal aan Verkoper de vergoedingen en andere kosten betalen zoals opgenomen in Bijlage 2 (…)”
3.7.
In een niet-ondertekende licentieovereenkomst tussen DO en Rijnplant Breeding staat onder meer het volgende:
“6.3 Partijen zijn overeengekomen dat de eerste €500.000,00 van de Vergoeding die Licentienemer aan Licentiegever verschuldigd is uiterlijk 31 augustus 2025 voldaan dient te worden. (…)”
3.8.
Op 29 mei 2024 zijn de Rijnplant Entiteiten in staat van faillissement verklaard.
3.9.
De anthuriumactiviteiten van de Rijnplant Entiteiten zijn na het faillissement voortgezet door FloVo B.V. (hierna: FloVo). Tussen DO en FloVo is op 12 juni 2024 een licentieovereenkomst gesloten.
3.10.
Met verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam heeft DO op 25 juni 2024 diverse conservatoire beslagen ten laste van Houwenplant laten leggen.

4.Het geschil

in conventie

4.1.
DO vordert, na wijziging van eis, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Houwenplant te veroordelen tot betaling van:
€ 1.206.802,88 in verband met de vrijwaring (artikel 9.4 van de koopovereenkomst), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 juli 2024 tot aan de dag van betaling;
€ 1.023.127,80 in verband met het niet financieren en/of voortzetten van de Rijnplant Entiteiten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum faillissement tot aan de dag van betaling;
€ 150.000,00 op grond van artikel 3.1, onder b, van de koopovereenkomst, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 1 februari 2025 tot aan de dag van betaling;
€ 500.000,00 op grond van artikel 9.3 van de koopovereenkomst, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 28 februari 2025 tot aan de dag van betaling;
€ 309.464,34 in verband met de licentieovereenkomst tussen DO en FloVo, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 juli 2024 tot aan de dag van betaling;
€ 286.581,11 in verband met de TSA, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 juli 2024 tot aan de dag van betaling;
de juridische kosten van DO in verband met het faillissement van de Rijnplant Entiteiten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 juli 2024 tot aan de dag van betaling; en
de kosten van dit geding, waaronder de kosten van het door DO ten laste van Houwenplant op 25 juni 2024 gelegde conservatoire beslag, te vermeerderen met de nakosten en met de wettelijke rente.
4.2.
Houwenplant concludeert tot afwijzing van de vorderingen van DO, met veroordeling van DO, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente.
in reconventie
4.3.
Houwenplant vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
de door DO ten laste van Houwenplant gelegde conservatoire beslagen op te heffen;
voor recht te verklaren dat DO onrechtmatig heeft gehandeld jegens Houwenplant, met veroordeling van DO tot betaling van schadevergoeding voor de door Houwenplant geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en te vermeerderen met de wettelijke rente;
voorwaardelijk(voor zover de rechtbank het beroep van Houwenplant op vernietiging van de koopovereenkomst niet honoreert): voor recht te verklaren dat DO toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen onder artikel 7.1, aanhef en onder b, van de koopovereenkomst, met veroordeling van DO tot betaling van schadevergoeding aan Houwenplant, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en te vermeerderen met de wettelijke rente;
DO te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente.
4.4.
DO concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Houwenplant, met veroordeling van DO, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het geding, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente. Subsidiair vraagt DO het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, althans aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde te verbinden dat Houwenplant zekerheid stelt.
in conventie en in reconventie
4.5.
De relevante stellingen van partijen worden hierna besproken.

5.De beoordeling

in conventie en in reconventie

5.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie worden deze hierna gezamenlijk behandeld.
5.2.
DO heeft bij akte haar eis gewijzigd. Houwenplant heeft daartegen geen bezwaar gemaakt en de rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de eiswijziging in strijd zou zijn met de eisen van een goede procesorde. Uitgegaan wordt daarom van de gewijzigde eis in conventie, zoals hiervoor weergegeven onder 4.1.
5.3.
Voor zover DO op de zitting de grondslagen van (een deel van) haar vorderingen heeft gewijzigd, is wel sprake van strijd met de eisen van een goede procesorde. Hierop wordt later in dit vonnis teruggekomen.
5.4.
De rechtbank zal hierna de volgende onderwerpen/vorderingen (deels gezamenlijk) bespreken:
de vrijwaring in artikel 9.4 van de koopovereenkomst (vordering 1 in conventie, € 1.206.802,88),
het niet financieren/voortzetten van de Rijnplant Entiteiten (vorderingen 2, 5, 6 en 7 in conventie, met een totaalbedrag van € 1.619.173,25 te vermeerderen met juridische kosten),
de uitgestelde vorderingen (vorderingen 3 en 4 in conventie, met een totaalbedrag van € 650.000,00),
het beroep van Houwenplant op vernietiging van de koopovereenkomst,
de gestelde onrechtmatige daad van DO (vordering 2 in reconventie),
de voorwaardelijke vordering in reconventie (vordering 3 in reconventie),
opheffing van beslagen (vordering 1 in reconventie).
Ad a) de vrijwaring in artikel 9.4 van de koopovereenkomst (vordering 1 in conventie); deze vordering wordt afgewezen
Inleiding
5.5.
Partijen zijn het erover eens dat het hun bedoeling was dat 24 werknemers van DO, die zich bezighielden met de activiteiten van de Rijnplant Entiteiten, per 1 maart 2024 van rechtswege in dienst zouden treden van (één van) de Rijnplant Entiteiten. Partijen zijn er allebei van uitgegaan dat er daadwerkelijk een overgang van onderneming had plaatsgevonden per 1 maart 2024. Zij hebben daar ook naar gehandeld. Op 4 maart 2024 heeft DO de betreffende werknemers in een brief geïnformeerd dat zij per 1 maart 2024 in dienst zijn getreden van de Rijnplant Entiteiten. Op 20 maart 2024 heeft Rijnplant Breeding een bijeenkomst voor het personeel georganiseerd en het loon over de maanden maart en april 2024 is betaald door Rijnplant Breeding. Na het faillissement van de Rijnplant Entiteiten stelden de werknemers, de curator en het UWV zich echter op het standpunt dat de werknemers nog in dienst waren van DO en niet waren overgegaan naar de Rijnplant Entiteiten. Tot zover verschillen partijen niet van opvatting.
5.6.
Volgens DO heeft Houwenplant haar in artikel 9.4 van de koopovereenkomst gevrijwaard voor alle kosten in verband met het niet overgaan van één of meer van de 24 werknemers die actief zijn voor de Rijnplant Entiteiten. Geen van de 24 werknemers is overgegaan en DO stelt in dat kader kosten te hebben gemaakt tot een bedrag van € 1.206.802,88.
5.7.
Houwenplant betwist deze vordering van DO. Zij voert onder meer aan dat DO artikel 9.4 van de koopovereenkomst op de verkeerde manier uitlegt en dat, als de uitleg van DO wel klopt, het beroep van DO op artikel 9.4 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
5.8.
Deze vordering van DO is niet toewijsbaar. De rechtbank licht dat hierna toe.
Uitleg
5.9.
Partijen twisten over de uitleg van artikel 9.4 van de koopovereenkomst. De rechtbank stelt voorop dat sprake is van een commerciële overeenkomst, gesloten tussen professioneel opererende partijen die over de inhoud van de overeenkomst hebben onderhandeld, waarbij zij werden bijgestaan door deskundige adviseurs. De overeenkomst strekt ertoe de wederzijdse rechten en verplichtingen nauwkeurig vast te leggen. Dit betekent dat aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen in beginsel grote betekenis toekomt.
5.10.
Dit neemt niet weg dat de overige omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat een andere dan de taalkundige betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Bij de uitleg van de bepalingen zijn onder meer van belang de aard van de overeenkomst, de omvang en gedetailleerdheid ervan, de wijze van totstandkoming (waarbij van belang is of partijen werden bijgestaan door deskundigen) en de overige bepalingen van de overeenkomst. [1] Daarnaast komt betekenis toe aan de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de ene of andere uitleg en aan de gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst.
5.11.
Doorslaggevend blijft uiteindelijk de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en wat zij in dat verband redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. [2]
5.12.
In artikel 9.4 van de koopovereenkomst staat, kort gezegd, dat het de intentie van partijen is dat alle werknemers overgaan naar de Rijnplant Entiteiten. Indien en voor zover enige werknemer daartegen bezwaar maakt, zal Houwenplant alles in het werk stellen om de overgang alsnog te bewerkstelligen en DO vrijwaren van alle met die werknemer samenhangende kosten en lasten. De woorden ‘enige werknemer’ en ‘die werknemer’ wijzen erop dat artikel 9.4 ziet op de situatie dat één of enkele werknemers bezwaar maken tegen de overgang naar de Rijnplant Entiteiten, terwijl de andere werknemers wél (zijn) over(ge)gaan. Die situatie is hier niet aan de orde. Uit de letterlijke tekst van de bepaling volgt in elk geval niet dat Houwenplant DO vrijwaart voor alle personeelskosten in de situatie dat geen enkele werknemer is overgegaan naar de Rijnplant Entiteiten.
5.13.
Volgens Houwenplant is het ook nooit de bedoeling geweest om een vrijwaring af te geven voor alle werknemers. Dat is tussen partijen nooit zo besproken, aldus Houwenplant. Volgens Houwenplant is alleen gesproken over twee à drie werknemers, die ondermaats presteerden en na de overname een andere functie zouden krijgen. Deze werknemers zouden daarom mogelijk bezwaar maken tegen de overgang naar de Rijnplant Entiteiten. Dit was volgens Houwenplant de aanleiding om artikel 9.4 in de koopovereenkomst op te nemen. Houwenplant stelt alleen voor deze twee à drie werknemers het financiële risico op zich te hebben willen nemen.
5.14.
DO heeft hier onvoldoende tegen ingebracht. Op de zitting heeft zij erkend dat partijen voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst hebben gesproken over minder goed presterende werknemers. Volgens DO had dat niets te maken met de vrijwaring, maar dat betoog overtuigt niet. Niet in te zien valt waarom Houwenplant had moeten begrijpen dat de vrijwaring in artikel 9.4 los stond van de werknemers die specifiek onderwerp van gesprek zijn geweest tussen partijen en daarentegen betrekking had op alle 24 werknemers. Dat in een gespreksverslag van 23 februari 2024 en in de TSA is afgesproken dat DO Houwenplant zou ondersteunen bij het sluiten van eventuele vaststellingsovereenkomsten met werknemers waar Houwenplant zelf afscheid van wilde nemen, maakt dat niet anders.
5.15.
Dat partijen met artikel 9.4 gezamenlijk zouden hebben beoogd dat Houwenplant DO zou vrijwaren voor alle personeelskosten als geen enkele werknemer zou overgaan naar de Rijnplant Entiteiten, vindt geen steun in enig gesteld feit of enige overgelegde productie. Dat ligt ook niet voor de hand, juist omdat beide partijen vertrouwden op een (rechtsgeldige) overgang van onderneming en daarmee van alle werknemers. Anders dan DO betoogt, kan uit artikel 9.4 niet worden afgeleid dat partijen ervoor hebben gekozen om het risico op werknemersconflicten na de verkoop volledig bij Houwenplant neer te leggen. In ieder geval heeft Houwenplant dat kennelijk niet zo begrepen en ook niet hoeven te begrijpen.
Redelijkheid en billijkheid
5.16.
Als het voorgaande al anders zou zijn, is het beroep van DO op de vrijwaring in artikel 9.4 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De rechtbank licht dat hierna toe.
5.17.
DO stelde zich ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst op het standpunt dat sprake was van een overgang van onderneming en dat de 24 werknemers zonder wijziging van hun arbeidsvoorwaarden mee overgingen. Houwenplant voert in dat kader aan dat een HR-medewerker van DO op 4 en 6 maart 2024 heeft medegedeeld dat voor de overgang van de medewerkers geen verdere actie meer vereist was. Dat zou vanzelf gaan, omdat in de brief van DO aan de medewerkers van 4 maart 2024 al schriftelijk was bevestigd dat de medewerkers per 1 maart 2024 in dienst zouden zijn van de Rijnplant Entiteiten. Houwenplant stelt dat zij op deze mededeling heeft vertrouwd en geen verdere actie heeft ondernomen om een overgang van het personeel te bewerkstelligen. Bij gebreke van een voldoende gemotiveerde betwisting van deze stellingen door DO, gaat de rechtbank uit van de juistheid daarvan. DO voert op dit punt alleen aan dat de stellingen over de gesprekken met haar HR-medewerker geen goede weergave van de werkelijkheid zijn en ook niet te verifiëren zijn, maar dat is niet voldoende om de juistheid van die stellingen te betwijfelen.
5.18.
Kort na het faillissement van de Rijnplant Entiteiten stelde de curator zich op het standpunt dat de arbeidsovereenkomsten van de werknemers juridisch niet zijn overgedragen aan de Rijnplant Entiteiten. DO heeft het personeel in de brief van 4 maart 2024 niet verzocht om uitdrukkelijke toestemming voor de overdracht en het personeel heeft ook niet uitdrukkelijk, noch impliciet ingestemd met die overdracht. Volgens de curator was van een overgang van onderneming geen sprake, omdat DO op 1 maart 2024 geen economische activiteit aan de Rijnplant Entiteiten heeft overgedragen. De economische activiteit waarmee de betreffende werknemers van DO zich bezighielden bevond zich zowel voor als na 1 maart 2024 bij de Rijnplant Entiteiten. DO heeft slechts haar aandelen overgedragen aan een buiten het concern staande onderneming. De formele werkgever blijft dan dezelfde, omdat er geen onderneming overgaat. Slechts de aandeelhouder en bestuurder worden dan een andere, aldus de curator.
5.19.
DO heeft er uiteindelijk kennelijk van afgezien om de juridische strijd hierover aan te gaan. Zij heeft de kosten van afvloeiing van de betreffende werknemers voor haar rekening genomen. Zij kan die kosten echter niet via artikel 9.4 van de koopovereenkomst verhalen op Houwenplant. Het was DO die beoogde de werknemers over te laten gaan naar de Rijnplant Entiteiten. Het is kennelijk ook DO geweest die aan Houwenplant heeft medegedeeld dat daartoe niet nodig was dat de werknemers nog iets zouden ondertekenen. Bij die stand van zaken ligt niet in de rede dat DO de voor haar schadelijke gevolgen hiervan op Houwenplant kan afwentelen via een contractuele vrijwaringsbepaling, waarvan destijds voor Houwenplant in ieder geval niet duidelijk was dat die daarvoor was bedoeld.
Tussenconclusie
5.20.
Vordering 1 in conventie (veroordeling van Houwenplant tot betaling van € 1.206.802,88 te vermeerderen met rente) is gelet op het voorgaande niet toewijsbaar.
Ad b) niet financieren/voortzetten van de Rijnplant Entiteiten (vorderingen 2, 5, 6 en 7 in conventie); deze vorderingen worden afgewezen
Inleiding
5.21.
DO stelt zich op het standpunt dat Houwenplant heeft toegezegd om de Rijnplant Entiteiten voort te zetten en daarvoor ook de noodzakelijke financiering aan te wenden. Daar stond tegenover dat Houwenplant de Rijnplant Entiteiten kon overnemen voor een symbolische koopprijs en dat DO voor meerdere vorderingen uitstel van betaling verleende. DO stelt dat het voor haar belangrijk was dat Houwenplant de Rijnplant Entiteiten zou voortzetten. Voor die voortzetting was op korte termijn een aanzienlijke werkkapitaalfinanciering vereist. Volgens DO was de toezegging van Houwenplant om die financiering te verzorgen een harde voorwaarde voor de deal.
5.22.
Volgens DO was Houwenplant bij het aangaan van de koopovereenkomst goed op de hoogte van de financiële situatie van de Rijnplant Entiteiten en heeft zij op verschillende momenten de concrete toezegging gedaan de voortzetting van de Rijnplant Entiteiten te financieren. Die toezegging van Houwenplant is opgenomen in artikel 9.2 van de koopovereenkomst, aldus DO.
5.23.
Omdat Houwenplant de Rijnplant Entiteiten niet heeft gefinancierd en voortgezet, maar nog geen drie maanden na de overname heeft laten failleren, is sprake van (primair) wanprestatie of (subsidiair) onrechtmatig handelen, aldus DO. Zij stelt daardoor schade te hebben geleden, die zij op Houwenplant wil verhalen. Die schade bestaat uit:
  • een vordering van € 588.277,00 van een schuldeiser van de Rijnplant Entiteiten (Uitzendbureau Prokonak B.V., hierna: Prokonak), die vanwege een 403-verklaring voor rekening van DO is gekomen (dit bedrag is onderdeel van vordering 2);
  • een bedrag van € 185.339,00 dat verschuldigd was op grond van de TSA, maar als gevolg van het faillissement onbetaald is gebleven (dit bedrag is onderdeel van vordering 2);
  • een bedrag van € 249.511,80 aan gemiste inkomsten uit de licentieovereenkomst tussen DO en Rijnplant Breeding (dit bedrag is onderdeel van vordering 2);
  • een bedrag van € 309.464,34 dat op grond van een licentieovereenkomst tussen DO en FloVo en een vaststellingsovereenkomst tussen DO, FloVo en Microflor N.V. voor rekening van DO is gekomen (vordering 5);
  • de juridische kosten van DO die direct voortvloeien uit het faillissement van de Rijnplant Entiteiten (vordering 7).
5.24.
Houwenplant betwist dat zij heeft toegezegd de Rijnplant Entiteiten te financieren en voort te zetten. Volgens haar bleek kort na de overname dat sprake was van een financiële noodsituatie, waardoor een faillissement onvermijdelijk was.
Artikel 9.2 van de koopovereenkomst
5.25.
Volgens DO is de toezegging van Houwenplant om de voortzetting van de Rijnplant Entiteiten te financieren vastgelegd in artikel 9.2 van de koopovereenkomst. DO stelt dat in ruil daarvoor is vastgelegd (in artikel 9.3 van de koopovereenkomst en in artikel 6.3 van de (niet-ondertekende) licentieovereenkomst tussen DO en Rijnplant Breeding) dat DO uitstel van betaling verleent. Houwenplant stelt daartegenover dat in (artikel 9.2 van) de koopovereenkomst geen verplichting is opgenomen om de Rijnplant Entiteiten te financieren of voort te zetten. Een dergelijke verplichting was ook niet de bedoeling van partijen, aldus Houwenplant.
5.26.
Ook artikel 9.2 van de koopovereenkomst moet worden uitgelegd volgens de hiervoor onder 5.9 tot en met 5.11 weergegeven (Haviltex-)maatstaf. De rechtbank leest in artikel 9.2 geen financierings- of voortzettingsverplichting van Houwenplant zoals door DO bedoeld. Zoals ook blijkt uit de aanhef van het artikel, gaat het over de beëindiging van intra-groep relaties tussen de Rijnplant Entiteiten en DO. In dat kader is onder meer bepaald dat Houwenplant zelf verantwoordelijk zal zijn voor het aan de Rijnplant Entiteiten verstrekken van de diensten en activa benodigd voor het uitvoeren van de activiteiten. Ook is bepaald dat Houwenplant zelf verantwoordelijk zal zijn voor het innen van debiteuren en betalen van crediteuren en het op peil houden van cash en werkkapitaal binnen de Rijnplant Entiteiten om dergelijke betalingen te kunnen voldoen. Een verplichting om de Rijnplant Entiteiten, ongeacht de economische omstandigheden, te blijven financieren en voortzetten staat daar niet. Dat partijen dat wel hebben bedoeld, blijkt ook niet uit de omstandigheden van het geval, die hierna worden besproken.
Geen schriftelijke of mondelinge toezegging
5.27.
In het licht van de gemotiveerde betwisting door Houwenplant heeft DO haar stelling dat Houwenplant heeft toegezegd de Rijnplant Entiteiten na de overname voort te (blijven) zetten en de daartoe noodzakelijke financiering aan te wenden onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd. Aan bewijslevering op dit punt wordt daarom niet toegekomen.
5.28.
Volgens DO blijkt uit de volgende stukken dat Houwenplant op verschillende momenten de concrete toezegging heeft gedaan de voortzetting van de Rijnplant Entiteiten te financieren:
- Een verslag van een op 22 februari 2024 gehouden gesprek, waarin onder meer staat:
“7. HP moet nog ca € 1 mln voldoen aan DO als debiteur en zij vraagt of deze post niet per 1 maart maar in 2-3 maanden mag worden voldaan om de voortzetting van Rijnplant en Rijnplant Breeding BV te financieren.
Akkoord, minus genoemde punten onder 6.”
- Een e-mail van Houwenplant aan DO van 29 februari 2024, waarin onder meer staat:
“Jullie hebben de inschatting gemaakt dat de tot op heden verlieslatende exploitatie van Rijnplant BV c.s. winstgevend te maken is en dat daarvoor een periode van 9 tot 15 maanden benodigd is, welke een werkkapitaalbehoefte van ongeveer 1mio met zich mee zal brengen, (...) HouwenPlant c.s. kan die middelen niet vrijmaken uit de exploitatie van haar bestaande onderneming, noch bancair financieren. Om de turn-around mogelijk te maken zou Dümmen c.s. een werkkapitaal financiering minimaal ad 1mio beschikbaar dienen te stellen en aflossing in gelijke bedragen in 2027-2028. (...) Dit aangevuld met het bevriezen van door HouwenPlant aan Rijnplant BV c.s. nog te betalen facturen (€ 500.000 in feb 2025).”
- Een e-mail van Houwenplant aan DO van 1 maart 2024, waarin onder meer staat:
“Wij gaan er namelijk alles aan doen om vanáf 1 maart 2024 het verlieslatende bedrijf ten positieve te keren en hebben daarvoor al onze beschikbare financiële middelen (inclusief uitgestelde betalingen van Dummen Orange) nodig.”
5.29.
Aan deze stukken kan niet worden ontleend dat Houwenplant relevante toezeggingen heeft gedaan. Uit het verslag van het gesprek op 22 februari 2024 blijkt niet meer dan dat Houwenplant kenbaar maakt behoefte te hebben aan middelen om de voortzetting van de Rijnplant Entiteiten te financieren. Een toezegging aan DO om de voortzetting te financieren staat daar niet in. Dat geldt ook voor de e-mail van 29 februari 2024. Deze e-mail is eerder een aanwijzing dat Houwenplant de benodigde middelen niet kan vrijmaken uit de exploitatie van haar bestaande onderneming, noch bancair kan financieren. Dat is volgens Houwenplant immers de reden om DO te vragen om te financieren.
5.30.
DO stelt dat zij niet bereid was om de gevraagde financiering te verstrekken, maar dat zij wel een aanzienlijke bijdrage heeft geleverd aan de versterking van het werkkapitaal van de Rijnplant Entiteiten, onder meer door het verlenen van uitstel van betaling. Dat daartegenover de toezegging van Houwenplant stond om de Rijnplant Entiteiten voort te zetten en deze voortzetting ook te financieren, blijkt echter niet uit de e-mail van 1 maart 2024. Daarin valt weliswaar een toezegging van Houwenplant om zich in te spannen te lezen, maar geen concrete financieringstoezegging, laat staan een toezegging om de Rijnplant Entiteiten zodanig te financieren dat ongeacht de omstandigheden zal worden voorkomen dat zij in staat van faillissement zullen komen te verkeren. Dat is temeer niet het geval omdat Houwenplant al eerder aan DO duidelijk had gemaakt zelf niet over middelen van betekenis te beschikken en ook niet bancair te kunnen financieren. DO was er dus mee bekend dat de financiële mogelijkheden van Houwenplant volgens Houwenplant zeer beperkt waren.
5.31.
DO heeft ook niet gesteld door wie namens Houwenplant op welk moment mondeling relevante toezeggingen zijn gedaan. Ook in zoverre ontbreekt dus een grondslag voor de vordering van DO op dit punt.
5.32.
Dat Houwenplant wist dat een substantiële aanvullende werkkapitaalfinanciering nodig was en dat zij, ondanks de weigering van DO om de gevraagde financiering te verstrekken, de deal wilde voortzetten, impliceert ook niet dat Houwenplant de door DO bedoelde toezeggingen heeft gedaan. Houwenplant betoogt dat de financiering van het benodigde werkkapitaal langs andere wegen zou worden gerealiseerd (zoals kostenbesparingen en betalingsuitstel). De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van DO dat Houwenplant daarmee een onverantwoord risico heeft genomen. Die stelling is niet relevant in het kader van de beoordeling van de vordering van DO op dit punt.
5.33.
Houwenplant stelt dat zij op 22 mei 2024 geen andere keuze had dan het faillissement van de Rijnplant Entiteiten aan te vragen. DO betwist op zichzelf niet dat de financiële situatie waarin de Rijnplant Entiteiten verkeerden zodanig was dat vanuit het perspectief van Houwenplant op die datum het aanvragen van het faillissement bedrijfseconomisch in de rede lag. Integendeel, zij lijkt te erkennen dat de situatie waarin de Rijnplant Entiteiten verkeerden heel slecht was en dat Houwenplant daar in haar visie ten tijde van de overname van de aandelen te optimistisch over dacht. Als DO meende dat Houwenplant zich geen goed beeld had gevormd van de werkelijke financiële toestand waarin de Rijnplant Entiteiten verkeerden, dan had zij steeds rekening te houden met de mogelijkheid dat Houwenplant zich al snel na de overname van de aandelen gedwongen zou voelen om het faillissement van de Rijnplant Entiteiten aan te vragen. Als DO niet wilde dat de Rijnplant Entiteiten in staat van faillissement zouden komen te verkeren en meende dat Houwenplant had toegezegd of nog diende toe te zeggen dat zij niet tot het aanvragen van de faillissementen zou overgaan, dan had DO dat moeten bedingen. Dat heeft zij niet gedaan.
Tussenconclusie
5.34.
Omdat uit de stellingen van DO en de producties waarop zij zich beroept niet kan worden afgeleid dat Houwenplant financierings- of voortzettingsverplichtingen heeft geschonden, is van wanprestatie geen sprake. Het subsidiaire beroep van DO op artikel 6:162 BW Pro kan bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing ook niet slagen. De stelling van DO dat Houwenplant het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat de Rijnplant Entiteiten daadwerkelijk zouden worden gefinancierd en voortgezet gaat niet op. Van gerechtvaardigd vertrouwen bij DO was in de gegeven omstandigheden geen sprake. DO heeft er steeds rekening mee kunnen en behoren te houden dat Houwenplant mogelijk gedwongen zou zijn om het faillissement van de Rijnplant Entiteiten aan te vragen.
5.35.
Vorderingen 2, 5 en 7 in conventie zijn dus bij gebreke van een grondslag niet toewijsbaar.
5.36.
Op de zitting heeft DO nog aangevoerd dat zij zich, wat betreft het aan Prokonak betaalde bedrag van € 588.277,00, beroept op schadeloosstelling onder de vrijwaring in artikel 5.2.2 van de koopovereenkomst. Dit betreft een wijziging van de (feitelijke) grondslag van de vordering, die op grond van artikel 130 lid 1 Rv Pro schriftelijk, in een conclusie of akte op de rol, had moeten plaatsvinden. Niet in te zien valt waarom DO dit standpunt niet al in haar akte eiswijziging had kunnen innemen, zodat het meegenomen had kunnen worden in het partijdebat. De rechtbank laat deze wijziging wegens strijd met de eisen van een goede procesorde buiten beschouwing.
5.37.
Verder heeft DO op de zitting aangevoerd dat zij, voor zover nodig, de vordering tot betaling van een bedrag van € 249.511,80 aan gemiste inkomsten uit de licentieovereenkomst tussen DO en Rijnplant Breeding baseert op artikel 94 van Pro de Gemeenschapskwekersrechtverordening [3] . Ook hieraan gaat de rechtbank voorbij. Het is op grond van artikel 25 Rv Pro weliswaar aan de rechter om de juridische grondslag van de vordering waar nodig ambtshalve aan te vullen, maar noodzakelijk is dat wat partijen in de procedure naar voren hebben gebracht daarvoor het feitelijke kader geeft [4] . Voor de wederpartij moet immers voldoende kenbaar zijn waartegen zij verweer dient te voeren. Aan dat vereiste is in dit geval niet voldaan. Ook hier geldt dat niet valt in te zien waarom DO dit standpunt niet al in haar akte eiswijziging had kunnen innemen, zodat het meegenomen had kunnen worden in het partijdebat. Ook in zoverre is dus sprake van strijd met de eisen van een goede procesorde.
Vordering 6 is evenmin toewijsbaar
5.38.
DO vordert veroordeling van Houwenplant tot betaling van een bedrag van € 286.581,11 ‘in verband met de TSA’. Aan deze vordering legt DO ten grondslag dat in de TSA is afgesproken dat DO na de overname de energiekosten van de Rijnplant Entiteiten zou doorbelasten aan Houwenplant, totdat Houwenplant haar eigen gas- en elektriciteitscontract zou hebben afgesloten ten behoeve van de Rijnplant Entiteiten. DO stelt dat Houwenplant in gebreke is gebleven met nakoming van deze betalingsverplichting.
5.39.
Houwenplant stelt zich op het standpunt dat zij in de TSA geen betalingsverplichtingen op zich heeft genomen. De rechtbank acht dat standpunt juist. In artikel 4.1 van de TSA staat immers dat ‘de vennootschap’ de in bijlage 2 opgenomen vergoedingen en andere kosten aan DO zal betalen. In de overeenkomst is vermeld dat Rijnplant Breeding wordt aangeduid als ‘de vennootschap’. De enkele omstandigheid dat Houwenplant ook partij is bij de TSA (in hoedanigheid van ‘koper’), betekent niet dat zij zelf een betalingsverplichting is aangegaan. Dat uit bijlage 1 bij de TSA (onder P03 en P04) zou blijken dat ten aanzien van de energiekosten een afwijkende afspraak is gemaakt, kan niet worden aangenomen. Houwenplant betwist dat en de rechtbank kan dat ook niet afleiden uit de (zeer slecht leesbare) tekst van de bijlage bij de TSA. Een deugdelijk gestelde grondslag voor deze vordering ontbreekt dan ook.
5.40.
Voor zover DO nog aanvoert dat Houwenplant het er door het faillissement van de Rijnplant Entiteiten aan te vragen toe heeft geleid dat de betreffende facturen niet zijn betaald, verwijst de rechtbank naar wat hiervoor onder 5.33 is overwogen. Dat Houwenplant het faillissement heeft aangevraagd, brengt in de gegeven omstandigheden niet mee dat zij ten opzichte van DO aansprakelijk is geworden voor deze kostenpost.
Ad c) de uitgestelde vorderingen (vorderingen 3 en 4 in conventie); ter zake van het verweer tegen deze vorderingen wordt bewijs opgedragen
5.41.
In conventie resteren dan nog de vorderingen 3 en 4, die strekken tot betaling van:
  • € 150.000,00 op grond van artikel 3.1 onder b van de koopovereenkomst (in verband met de afwikkeling door DO van het geschil tussen de Rijnplant Entiteiten en Van Schie Potplanten B.V. (hierna: Van Schie )) en
  • € 500.000,00 op grond van artikel 9.3 van de koopovereenkomst (in verband met aan DO gecedeerde handelsvorderingen van de Rijnplant Entiteiten op Houwenplant).
Deze vorderingen zijn blijkens de koopovereenkomst opeisbaar sinds februari 2025.
5.42.
Houwenplant betwist op zichzelf niet dat zij op grond van de koopovereenkomst gehouden is de genoemde bedragen aan DO te betalen. De rechtbank stelt die betalingsverplichting in beginsel dan ook vast. Houwenplant beroept zich in het kader van haar verweer echter op vernietiging van de koopovereenkomst. Als dat beroep slaagt, ontbreekt de juridische basis van het vorderingsrecht van DO. Het beroep op vernietiging zal hierna onder d) worden beoordeeld.
5.43.
Voor zover partijen twisten over de datum waarop het bedrag van € 150.000,00 opeisbaar is, merkt de rechtbank alvast op dat die datum in de koopovereenkomst handmatig is aangepast naar 28 februari 2025. Die aanpassing is voorzien van de parafen van partijen. Van opeisbaarheid per 1 februari 2025, zoals DO stelt, is dan ook geen sprake. Ook merkt de rechtbank alvast op dat de gevorderde wettelijke handelsrente over het bedrag van € 150.000,00 niet toewijsbaar is. Van een handelsvordering in de zin van artikel 6:119a BW is geen sprake. Wel zou kunnen worden toegewezen de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro.
5.44.
Wat betreft de vordering van € 500.000,00 merkt de rechtbank alvast op dat het beroep van Houwenplant op opschorting (artikel 6:37 BW Pro) niet slaagt. Houwenplant voert aan dat de cessie onverplicht was en dat zolang het onderzoek van de curator niet is afgerond en het faillissement niet is afgewikkeld de kans reëel is dat de curator de cessie zal vernietigen wegens paulianeus handelen en/of schending van artikel 54 Fw Pro. Onzeker is daarom aan wie betaald moet worden, aldus Houwenplant. Dat de curator de cessie daadwerkelijk heeft aangetast of voornemens is dat te doen, is echter niet gesteld en ook niet gebleken. Wat Houwenplant heeft aangevoerd, kan het beroep op opschorting niet rechtvaardigen.
Ad d) het beroep op vernietiging van de koopovereenkomst; bewijslevering
Inleiding
5.45.
Houwenplant beroept zich op vernietiging van de koopovereenkomst, primair op grond van bedrog en subsidiair op grond van dwaling. Op de zitting heeft Houwenplant daaraan toegevoegd dat, voor zover de rechtbank haar beroep op bedrog of dwaling niet zou volgen, zij zich beroept op misbruik van omstandigheden. Aan het beroep op misbruik van omstandigheden legt Houwenplant dezelfde stellingen ten grondslag als aan het beroep op bedrog en dwaling. Van strijd met de eisen van een goede procesorde als bedoeld in artikel 130 Rv Pro is in zoverre dus geen sprake.
5.46.
Volgens Houwenplant heeft DO (bewust) onjuiste informatie verstrekt en relevante informatie achtergehouden. De financiële situatie van de Rijnplant Entiteiten bleek in werkelijkheid veel slechter te zijn dan DO ten tijde van de verkoop deed voorkomen. Houwenplant stelt dat zij de koopovereenkomst niet zou zijn aangegaan als DO open kaart zou hebben gespeeld. Na de overname kwamen volgens Houwenplant de volgende zaken aan het licht, die een enorme impact hadden op de financiële positie van de Rijnplant Entiteiten:
  • de crediteurenstand van de Rijnplant Entiteiten bleek aanzienlijk hoger te zijn dan door DO was aangegeven (vorderingen van Prokonak en van Vattenfall ontbraken);
  • er bleek een enorme claim te zijn van Fuerte Planta;
  • er bleek sprake van een langdurig geschil met Kwekerij Tasveren en daarnaast waren er ook problemen met andere afnemers;
  • de debiteurenstand van de Rijnplant Entiteiten bleek aanzienlijk lager te zijn dan door DO was aangegeven (omdat er veel oninbare debiteuren bleken te zijn);
  • er bleken zogenaamde Deense karren onvindbaar (811 stuks), die aan de verhuurder moesten worden vergoed;
  • met Prokonak bleek een dag voor het sluiten van de koopovereenkomst een tariefsverhoging te zijn afgesproken (met terugwerkende kracht), die heeft geleid tot de onder a) bedoelde vordering van Prokonak;
  • er bleek onjuiste informatie te zijn verstrekt over de winstmarge die werd gerealiseerd bij een belangrijke klant (Rimland).
5.47.
Partijen hebben volgens Houwenplant op 1 maart 2024 afgesproken dat de crediteurenstand maximaal € 140.000,00 hoger zou zijn dan de debiteurenstand (de crediteurenstand zou € 1.575.849,15 zijn en de debiteurenstand € 1.435.849,15). Het werkelijke verschil bleek echter € 1.768.615,27 te zijn (een crediteurenstand van € 2.332.823,42 tegenover een debiteurenstand van € 564.208,15), aldus Houwenplant. Daarnaast bleken er enorme claims van derden op de Rijnplant Entiteiten te bestaan. Dit alles bracht mee dat sprake was van een financiële noodtoestand, die tot het faillissement van de Rijnplant Entiteiten heeft geleid.
5.48.
Als het voorgaande niet tot een geslaagd beroep op bedrog of dwaling leidt, heeft volgens Houwenplant te gelden dat DO misbruik heeft gemaakt van de omstandigheden. DO heeft Houwenplant onder tijdsdruk gezet om een zeer nadelige transactie aan te gaan, waarbij misbruik is gemaakt van het vertrouwen dat Houwenplant in DO had.
5.49.
DO stelt dat Houwenplant de koopovereenkomst niet kan vernietigen. Vernietiging is bij de aandelenoverdracht expliciet uitgesloten (in artikel 9 van Pro de leveringsakte). Volgens DO kan het beroep van Houwenplant op vernietiging ook inhoudelijk niet slagen.
5.50.
De rechtbank zal Houwenplant in dit kader opdragen bewijs te leveren. Dit wordt hierna toegelicht.
Artikel 9 van Pro de leveringsakte
5.51.
Partijen hebben in artikel 9 van Pro de leveringsakte afstand gedaan van het recht om de koopovereenkomst te ontbinden en te vernietigen. Houwenplant stelt zich op het standpunt dat DO geen beroep kan doen op dit beding, omdat vernietiging in de koopovereenkomst zelf niet is uitgesloten en de wil van Houwenplant ook niet gericht is geweest op het opnemen van deze uitsluitingsbepaling in de leveringsakte. Zij stelt dat haar pas achteraf is gebleken dat in de leveringsakte is opgenomen dat vernietiging is uitgesloten. Dit betoog van Houwenplant slaagt niet. Houwenplant is op dit punt gebonden aan de inhoud van de leveringsakte. Bij aandelentransacties als de onderhavige is het uitsluiten van de mogelijkheid van ontbinding en vernietiging gebruikelijk. Als Houwenplant dat niet wist en zich daarover ook niet heeft laten voorlichten door de door haar ingeschakelde deskundige, komt dat voor haar rekening en risico. Zij kan zich in deze context niet beroepen op haar eigen onwetendheid. DO heeft bovendien onbetwist gesteld dat de leveringsakte door de notaris is voorgelezen aan partijen en hun adviseurs. Dat de uitsluitingsbepaling alleen is opgenomen in de leveringsakte, en niet (ook) in de koopovereenkomst, laat onverlet dat partijen daaraan gebonden zijn.
5.52.
Houwenplant stelt verder dat op het beding in artikel 9 van Pro de leveringsakte geen beroep kan worden gedaan, omdat dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Daartoe voert Houwenplant aan dat sprake is van een ernstige schending van de mededelingsplicht van DO, omdat zij bewust onjuiste mededelingen heeft gedaan en relevante informatie heeft achtergehouden. Contractuele uitsluiting van vernietiging op grond van bedrog is volgens Houwenplant in strijd met de goede zeden (artikel 3:40 lid 1 BW Pro).
5.53.
De rechtbank stelt in dit kader het volgende voorop. Professionele partijen, zoals hier aan de orde, kunnen een beroep op vernietiging van een overeenkomst in beginsel contractueel uitsluiten. Dat geldt echter niet voor de situatie dat een contractspartij willens en wetens een verkeerde voorstelling van zaken geeft en de overeenkomst onder invloed daarvan is gesloten (bedrog/misleiding/dwaling door bewust onjuiste voorlichting of bewuste verzwijging). In zoverre kan een beroep op vernietiging ofwel niet rechtsgeldig contractueel worden uitgesloten, ofwel is een beroep op die contractuele uitsluiting naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
5.54.
Beoordeeld moet dus worden of DO ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, door opzettelijk onjuiste informatie te delen of relevante informatie te verzwijgen. Het is aan Houwenplant om te stellen – en bij betwisting te bewijzen – dat daarvan sprake is.
Geschillen met afnemers/debiteuren
5.55.
Houwenplant stelt dat zij voorafgaand aan het tekenen van de koopovereenkomst herhaaldelijk, waaronder op 22 en 23 februari 2024, heeft gevraagd of er naast het haar bekende geschil met Van Schie nog problemen waren met andere afnemers c.q. debiteuren. Volgens Houwenplant heeft DO die vraag steeds ontkennend beantwoord. Houwenplant stelt dat DO in zoverre bewust onjuiste informatie heeft verstrekt en relevante informatie heeft achtergehouden. Dat blijkt volgens Houwenplant uit het volgende.
5.55.1.
Fuerte Planta heeft al op 2 september 2023 een e-mail naar DO gestuurd, met daarin een aansprakelijkstelling wegens tekortkomingen in de levering van anthuriumstekken. Op 22 februari 2024 heeft Rijnplant Breeding Fuerte Planta gesommeerd om € 169.135,20 aan openstaande facturen te voldoen. De advocaat van Fuerte Planta liet op 26 februari 2024 weten dat niet tot betaling zou worden overgegaan. Op 27 februari 2024 stuurde Fuerte Planta een e-mail aan DO, met het verzoek om verdere correspondentie aan haar advocaat te richten. Vervolgens hield Fuerte Planta vast aan haar claim van € 1.000.000,00.
5.55.2.
Naast de claim van Fuerte Planta bleken er ook grote problemen te zijn met Kwekerij Tasveren, vanwege slechte (stek)kwaliteit en tekortkomingen in de nakoming door de Rijnplant Entiteiten. In de week van 15 tot en met 21 april 2024 heeft Rijnplant Breeding kosteloos 220.000 stekken ter waarde van € 0,40 per stuk moeten leveren aan Kwekerij Tasveren, ter compensatie van gebrekkige stekken die eerder waren geleverd. Dit komt neer op een totaalbedrag van € 88.000,00. Verder bleken er in de periode voorafgaand aan het aangaan van de koopovereenkomst problemen te zijn geweest met andere debiteuren van Rijnplant Breeding, die facturen onbetaald lieten of creditfacturen eisten, omdat zij ontevreden waren over eerdere leveringen.
5.55.3.
Op 1 maart 2024 (de dag van ondertekening van de koopovereenkomst) stuurde DO een debiteuren- en crediteurenlijst naar Houwenplant. Deze lijsten waren bijgewerkt tot en met 29 februari 2024. Uit de debiteurenlijst bleek dat de debiteurenstand op dat moment € 1.435.849,15 bedroeg. Uit de lijst bleek niet dat sprake was van oninbare debiteuren. Na de overname heeft Houwenplant nog een aantal keer nieuwe debiteurenlijsten van DO ontvangen, waaruit een heel ander beeld naar voren kwam. Uit het overzicht van debiteuren per 18 maart 2024 blijkt een totaalbedrag van € 790.232,00 aan facturen die al 121 dagen of langer openstonden (waarvan € 286.330,00 zelfs al meer dan 360 dagen onbetaald werd gelaten). Uit het overzicht van de debiteurenstand per 16 april 2024 volgt dat een bedrag van € 405.234,11 als oninbaar (
‘non-collectible’) werd beschouwd, er mogelijke claims lagen van € 120.767,39 en een bedrag van € 427.047,56 als waarschijnlijk oninbaar (
‘low chances to collect’) werd beschouwd. Dit komt neer op een totaalbedrag van € 953.050,00, aldus Houwenplant.
5.56.
DO betwist dat zij zou hebben gezegd dat alleen met Van Schie problemen bestonden. Zij stelt slechts te hebben aangegeven dat alleen met Van Schie een procedure liep. In reactie op de concrete verwijten van Houwenplant voert DO het volgende aan.
5.56.1.
Volgens DO heeft Houwenplant de claim van Fuerte Planta volstrekt uit haar verband getrokken. Kennelijk was de – weinig steekhoudende – claim van Fuerte Planta een reactie op de sommatie van Rijnplant Breeding van 22 februari 2024. Volgens DO wordt in de plantenbranche regelmatig geclaimd, maar leidt dat slechts zelden tot een volledige betalingsverplichting voor de leverancier. In dit geval had de claim volgens DO met gesloten beurzen kunnen worden afgehandeld.
5.56.2.
De claim van Kwekerij Tasveren was voor 1 maart 2024 niet bekend bij DO. Dat geldt volgens DO ook voor eventuele claims van andere afnemers. Houwenplant heeft een en ander ook niet onderbouwd, aldus DO.
5.56.3.
Volgens DO blijkt uit de overnamebalans dat het netto uitstaande bedrag € 1.037.073,50 bedroeg, terwijl (dus) voor € 398.772,00 een voorziening was opgenomen. De voorziening ‘oninbaar’ betreft een intern boekhoudvoorschrift en betekent volgens DO niet dat een vordering onmogelijk te innen is.
5.57.
De rechtbank oordeelt als volgt. Op de zitting heeft Houwenplant herhaald dat zij wist van de problemen met Van Schie en dat zij, voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst, aan DO heeft gevraagd met wie er verder nog problemen waren. Volgens Houwenplant heeft DO die vraag als volgt beantwoord: “met niemand, we hebben geen enkele last met klanten”. DO betwist niet dat Houwenplant heeft gevraagd naar problemen met andere klanten. Als vast komt te staan dat DO deze vraag opzettelijk onjuist heeft beantwoord, omdat zij wist dat Houwenplant anders de koopovereenkomst niet zou aangaan, is voldaan aan de vereisten van bedrog (artikel 3:44 lid 3 BW Pro). In dat geval heeft DO Houwenplant ertoe bewogen om de koopovereenkomst aan te gaan door opzettelijk een onjuiste mededeling te doen en/of relevante informatie te verzwijgen.
5.58.
Uit de hiervoor besproken stellingen van partijen en de overgelegde stukken blijkt dat er, naast het geschil met Van Schie , ook problemen waren met andere klanten dan de Rijnplant Entiteiten. Gelet op de correspondentie tussen DO en Fuerte Planta in de week voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst was DO in elk geval op de hoogte van het geschil met Fuerte Planta. DO heeft ook niet voldoende gemotiveerd betwist dat zij wist van de betalingsachterstanden bij de debiteuren van de Rijnplant Entiteiten.
5.59.
De rechtbank gaat voorbij aan het betoog van DO dat Houwenplant van de claim van Fuerte Planta op de hoogte was, of had kunnen zijn. DO stelt dat zij voorafgaand aan de transactie uitgebreid met [persoon A] heeft gesproken over de financiële situatie van de Rijnplant Entiteiten. [persoon A] was de commercieel manager van de anthuriumtak van DO en de door Houwenplant beoogd directeur van de Rijnplant Entiteiten. De brief van Fuerte Planta was ook al maanden bekend bij [persoon A] . DO stelt dat zij [persoon A] expliciet toestemming heeft gegeven om alles wat hij wist over de Rijnplant Entiteiten te delen met Houwenplant. DO mocht er dan ook op vertrouwen dat [persoon A] de brief van Fuerte Planta zou bespreken met zijn nieuwe werkgever Houwenplant, aldus DO. Houwenplant betwist gemotiveerd dat [persoon A] relevante informatie met haar heeft gedeeld. Zij onderbouwt die betwisting met een verklaring van [persoon A] . In rechte staat dus niet vast dat Houwenplant, via [persoon A] , op de hoogte was van de problemen met derden. Als het de bedoeling van DO was om tijdig relevante informatie te delen met Houwenplant, lag het in de rede dat DO die informatie rechtstreeks met Houwenplant zou delen. Bovendien lag het in de rede dat DO een vraag van Houwenplant over problemen met derden naar waarheid zou beantwoorden.
5.60.
Er is sprake van informatie die relevant was voor Houwenplant in het kader van haar beslissing om de koopovereenkomst al dan niet aan te gaan. Gelet op de omstandigheden van het geval – de Rijnplant Entiteiten waren verlieslatend, er was financiering nodig en de financiële mogelijkheden van Houwenplant waren beperkt – was het voor Houwenplant van belang om te weten of er naast het geschil met Van Schie nog andere problemen waren. Als DO een kenbaar belangrijke vraag van Houwenplant daarover opzettelijk onjuist heeft beantwoord, heeft zij Houwenplant willens en wetens misleid bij haar beslissing om de aandelen van de Rijnplant Entiteiten over te nemen. Houwenplant heeft gesteld dat zij de koopovereenkomst niet zou zijn aangegaan als zij ervan op de hoogte was geweest dat er problemen waren met meerdere afnemers/debiteuren van de Rijnplant Entiteiten. Die stelling is onvoldoende betwist. Dat partijen een symbolische prijs zijn overeengekomen is daarbij niet relevant.
5.61.
Gelet op de betwisting van DO staat in rechte echter niet vast dat zij, in antwoord op de vraag van Houwenplant, opzettelijk in strijd met de waarheid heeft gezegd dat er geen problemen met andere klanten (dan Van Schie ) waren. Houwenplant zal worden opgedragen bewijs te leveren op dit punt.
Overige verwijten
5.62.
Wat de overige verwijten betreft, heeft Houwenplant onvoldoende onderbouwd gesteld dat DO
opzettelijkonjuiste informatie heeft gedeeld of relevante informatie heeft verzwegen. In zoverre staat de uitsluitingsclausule in artikel 9 van Pro de leveringsakte dus aan haar beroep op vernietiging in de weg. De rechtbank licht dat hierna toe.
5.63.
Aan de overige verwijten van Houwenplant ligt in essentie de stelling ten grondslag dat de door DO aangeleverde cijfers in de overnamebalans niet juist zijn en dat er dus sprake is van schending van de balansgarantie in artikel 7.1 onder b van de koopovereenkomst. De vraag of de balansgarantie is geschonden is onderwerp van voorwaardelijke vordering 3 in reconventie. Voor een geslaagd beroep op vernietiging van de koopovereenkomst is nodig dat DO in dit kader opzettelijk heeft gehandeld. Dat daarvan sprake is, is onvoldoende door Houwenplant gesteld en ook niet gebleken.
5.64.
De rechtbank stelt daarbij het volgende voorop. Uit de stellingen van partijen en de overgelegde stukken blijkt dat Houwenplant wist dat het financieel niet goed ging met de Rijnplant Entiteiten en dat sprake was van rechtspersonen met verlieslatende ondernemingsactiviteiten. DO verwijst in dit kader naar de hiervoor onder 5.28 geciteerde e-mails van Houwenplant van 29 februari 2024 en 1 maart 2024 en naar een op 28 februari 2024 aan Houwenplant getoonde cashflow forecast, waaruit een tekort van € 1,9 miljoen volgde over de periode maart tot en met september 2024. Dat DO de financiële toestand van de Rijnplant Entiteiten desondanks
opzettelijkrooskleuriger heeft doen voorkomen dan deze in werkelijkheid was, kan – gelet op de betwisting door DO – niet uit de stellingen van Houwenplant worden afgeleid.
5.65.
DO betwist dat een dag voor het sluiten van de koopovereenkomst een tariefsverhoging is overeengekomen met Prokonak. Er heeft die dag wel e-mailcorrespondentie plaatsgevonden tussen DO en Prokonak, maar die had volgens DO betrekking op een gewijzigde berekeningsmethode. Het klopt dat de tarieven per 1 januari 2024 zijn verhoogd, maar dat was het gevolg van de stijging van het wettelijk minimumloon, die op grond van de raamovereenkomst met Prokonak volledig werd doorbelast, aldus DO.
5.66.
Wat betreft de vordering van Vattenfall verwijt Houwenplant DO dat zij de verschuldigde bedragen over januari en februari 2024 niet heeft vermeld op de crediteurenlijst en daar ook geen voorziening voor heeft opgenomen. DO stelt daar tegenover dat de facturen niet hadden kunnen worden vermeld op de lijst, omdat deze pas door haar zijn ontvangen op 1 maart 2024 respectievelijk 27 maart 2024. Volgens DO wist Houwenplant dat deze facturen nog zouden volgen.
5.67.
Ten aanzien van de Deense karren stelt DO dat zij niet wist dat 811 stuks zoek waren en dat zij dat dus ook niet aan Houwenplant heeft kunnen melden.
5.68.
Tegenover deze betwisting van DO heeft Houwenplant onvoldoende onderbouwd dat wél sprake was van opzet bij DO. DO heeft op zichzelf niet betwist dat de verstrekte informatie over de winstmarge die werd gerealiseerd bij een belangrijke klant (Rimland) niet juist bleek, maar ook in zoverre heeft Houwenplant niet onderbouwd dat daarbij sprake is geweest van opzet.
5.69.
Houwenplant stelt dat partijen op 1 maart 2024 hebben afgesproken dat het verschil tussen de crediteuren- en debiteurenstand maximaal € 140.000,00 zou zijn. Die – door DO betwiste – stelling kan echter niet de conclusie rechtvaardigen dat de voor vernietiging van de koopovereenkomst vereiste opzet bestaat. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de koopovereenkomst in korte tijd tot stand is gekomen. Volgens DO kon er, als gevolg van de tijdsdruk, sprake zijn van onnauwkeurigheden in de op 1 maart 2024 aangeleverde cijfers. Zij stelt dat zij wilde instaan voor eventuele materiële boekhoudkundige afwijkingen in de overnamebalans. Tussen partijen is niet in geschil dat DO op 22 april 2024 heeft voorgesteld om € 279.115,74 aan de Rijnplant Entiteiten te betalen in verband met de ontbrekende Deense karren en de vorderingen van Prokonak en Vattenfall. DO verbond daaraan echter de voorwaarde dat Houwenplant de Rijnplant Entiteiten zou blijven voortzetten en financieren. Die voorwaarde was voor Houwenplant onacceptabel. Wat daarvan ook zij, het voorgaande is niet goed te rijmen met de stelling van Houwenplant dat DO haar opzettelijk heeft misleid door onjuiste cijfers aan te leveren.
Tussenconclusie
5.70.
De vraag of het beroep van Houwenplant op vernietiging van de koopovereenkomst kan slagen, is afhankelijk van bewijslevering. Houwenplant zal worden opgedragen te bewijzen dat DO voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst desgevraagd opzettelijk in strijd met de waarheid, met het doel om Houwenplant ertoe te bewegen de koopovereenkomst aan te gaan, heeft bevestigd dat er, naast de problemen met Van Schie , geen problemen met andere afnemers c.q. debiteuren van de Rijnplant Entiteiten waren. In afwachting daarvan wordt iedere verdere beslissing op dit punt aangehouden.
Ad e) onrechtmatig handelen van DO (vordering 2 in reconventie); de beslissing over deze vordering wordt aangehouden
Inleiding
5.71.
Aan vordering 2 in reconventie legt Houwenplant ten grondslag dat DO onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door voorafgaand aan de overname onjuiste informatie te verstrekken en relevante informatie achter te houden over de financiële situatie bij de Rijnplant Entiteiten, de met terugwerkende kracht doorgevoerde tariefsverhoging en de diverse claims van derden. Daarmee heeft DO gehandeld in strijd met hetgeen naar ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betamelijk is. Volgens Houwenplant is de onrechtmatige gedraging aan DO toe te rekenen. DO wist van de slechte financiële situatie bij de Rijnplant Entiteiten, van de oninbare debiteuren en van de aanzienlijke claims van derden. Niettemin heeft zij de problemen verzwegen en onjuiste mededelingen gedaan, waardoor Houwenplant is misleid.
5.72.
DO betwist dat zij onrechtmatig heeft gehandeld jegens Houwenplant.
5.73.
De rechtbank stelt voorop dat bedrog in het algemeen ook een onrechtmatige daad oplevert, bestaande uit het opzettelijk verzwijgen van informatie of het opzettelijk verschaffen van verkeerde informatie. Of daarvan sprake is, is onderwerp van de bewijsopdracht die in conventie aan Houwenplant wordt gegeven. Ook wat betreft deze vordering moet de verdere beslissing in dat kader worden aangehouden.
5.74.
Als niet komt vast te staan dat sprake is van bedrog, is er geen plaats voor toewijzing van de vordering van Houwenplant gebaseerd op onrechtmatige daad. In dat geval dienen de negatieve gevolgen van het sluiten van de overeenkomst voor rekening en risico van Houwenplant te komen. De rechtbank licht dat hierna toe.
Due diligence
5.75.
Houwenplant werd bij het aangaan van de koopovereenkomst bijgestaan door een deskundige ( [persoon B] ). Op 23 februari 2024 heeft [persoon B] onder meer het volgende geschreven aan Houwenplant:
“(…) Dümmen heeft aangegeven bij voorkeur op een zo kort mogelijke termijn de transactie te willen realiseren.
Laat vooropgesteld zijn dat ik jullie interesse in het onderzoeken van deze overname begrijp en dat ik ook snap waarom Dümmen - waarschijnlijk - een voorkeur heeft voor een aandelen transactie. Om te voorkomen dat er later spreekwoordelijke lijken uit de kast komen die grote schade aan de rest van de HouwenPlant onderneming aanrichten, is mijn dringend advies om een gedegen financieel, fiscaal en juridisch due diligence te laten uitvoeren. De uitkomst zal bepalend zijn voor (1) de beslissing om wél of niet de aandelen over te willen nemen en (2) zo ja, welke artikelen, bepalingen en vrijwaringen in de koopovereenkomst dienen te worden opgenomen. Mocht het tot een aandelentransactie komen, dan is vanzelfsprekend van belang dat de financiële administratie van de twee vennootschappen volledig actueel en juist is.
Het uitvoeren van een gedegen due diligence neemt - afhankelijk van snelheid waarmee op bevindingen wordt gereageerd - minimaal enkele weken in beslag. Een transactiedatum voor 1 mei 2024 lijkt mij daarom niet realistisch. (…)”
5.76.
Houwenplant heeft het nadrukkelijke advies van haar adviseur om een deugdelijke due diligence te verrichten niet opgevolgd. Er heeft slechts een beperkt due diligence onderzoek plaatsgevonden. Volgens Houwenplant is dat gebeurd omdat er tijdsdruk was. DO zou na 1 maart 2024 de stekker uit de Rijnplant Entiteiten trekken. De door DO geopperde overdrachtsdatum van 1 april 2024 was volgens Houwenplant ook geen optie, omdat zij vreesde dat de Rijnplant Entiteiten dan gekwalificeerd personeel zouden kwijtraken. Op 6 februari 2024 had DO immers in een brief aan het personeel medegedeeld dat het volledige personeel dat verantwoordelijk was voor het sorteren van stekken uiterlijk op 26 februari 2024 zou moeten verhuizen naar een andere, minder aantrekkelijke locatie op grote afstand. Daarmee kwam er, door toedoen van DO, tijdsdruk op de transactie te staan, aldus Houwenplant. Zij stelt dat het verzoek van [persoon B] om tot 1 mei 2024 de tijd te krijgen voor een uit te voeren due diligence onderzoek door DO van de hand is gewezen.
5.77.
DO verwijst in dit kader naar een e-mail van Houwenplant van 25 februari 2024, waarin onder meer staat:
“We kiezen met elkaar voor de transactiedatum van 1 maart 2024 waardoor van beide kanten gedegenheid en snelheid noodzakelijk is”.
De rechtbank leidt uit dit bericht af dat beide partijen er belang bij hadden dat de koopovereenkomst op korte termijn werd gesloten. Dat Houwenplant daarbij handelde uit tijdsdruk, doet er niet aan af dat zij bewust heeft afgezien van het doen verrichten van een deugdelijke due diligence, in weerwil van het nadrukkelijke advies van haar adviseur ( [persoon B] ). Houwenplant wil dat nu achteraf repareren. De stellingen van Houwenplant komen er in feite op neer dat alle echt relevante negatieve punten die hadden kunnen blijken uit een deugdelijke due diligence op voorhand door DO aan Houwenplant hadden moeten worden medegedeeld. Omdat Houwenplant het advies van [persoon B] heeft genegeerd om een gedegen due dilligence onderzoek te doen, kan zij zich echter niet nadien op goede gronden op het standpunt stellen dat DO onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door niet alles mede te delen wat voor Houwenplant mogelijk van belang had kunnen zijn voor de door haar te nemen aankoopbeslissing. De lat ligt hoger om in de omstandigheden van dit geval te kunnen concluderen dat sprake is geweest van onrechtmatig handelen of nalaten van DO dat haar schadeplichtig maakt ten opzichte van Houwenplant.
‘As is’- clausule
5.78.
De rechtbank neemt hierbij ook in aanmerking dat DO, los van de balansgarantie (in artikel 7.1 onder b van de koopovereenkomst), geen verdere (relevante) garanties heeft gegeven aan Houwenplant. In artikel 7.2 van de koopovereenkomst is verder nadrukkelijk vermeld dat partijen erkennen dat de Rijnplant Entiteiten en hun activa worden overgedragen in de huidige staat (
‘as is’).
5.79.
Volgens Houwenplant kan DO geen rechten aan artikel 7.2 ontlenen, omdat het geschil tussen partijen niet gaat over de aandelen of de activa van de Rijnplant Entiteiten, maar over de vraag of DO Houwenplant onjuist en onvolledig heeft geïnformeerd. De rechtbank acht dat standpunt niet juist. Bij de beantwoording van de vraag of DO onrechtmatig heeft gehandeld jegens Houwenplant door onjuiste informatie te verstrekken en relevante informatie achter te houden, is relevant wat Houwenplant op grond van de koopovereenkomst mocht verwachten van de staat van de Rijnplant Entiteiten en hun activa. Op grond van de
‘as is’-clausule heeft Houwenplant de Rijnplant Entiteiten en hun activa aanvaard in de staat waarin deze zich, ook financieel, bevonden op het moment van de overname. Financiële tegenvallers zijn dan in beginsel voor Houwenplant als koper. Dat is uiteraard anders als opzettelijk onjuiste mededelingen zijn gedaan of relevante informatie is achtergehouden. In dat kader moet de bewijslevering worden afgewacht.
5.80.
Volgens Houwenplant moet rekening worden gehouden met de hoedanigheid van partijen: zij is een klein familiebedrijf dat onervaren is op het gebied van bedrijfsovernames, terwijl DO onderdeel is van een wereldwijd concern, dat regelmatig bedrijven aan- en verkoopt en een eigen juridische afdeling heeft. Dit standpunt kan niet tot een ander oordeel leiden. Houwenplant is een professionele partij en, zoals DO onbetwist stelt, een grote speler in de markt. Dat zij onervaren is op het gebied van overnames is niet relevant, omdat zij werd bijgestaan door een deskundig adviseur. Houwenplant kan zich daarom ook niet gerechtvaardigd op het standpunt stellen dat zij zich niet bewust was van de hiervoor toegelichte strekking van de
‘as is’-bepaling.
Tussenconclusie
5.81.
In afwachting van de bewijslevering in conventie wordt ook ten aanzien van vordering 2 in reconventie iedere verdere beslissing aangehouden.
Ad f) de voorwaardelijke vordering (vordering 3 in reconventie); de beslissing over deze vordering wordt aangehouden; indien en voor zover aan deze beslissing wordt toegekomen is de vordering deels toewijsbaar
Inleiding
5.82.
Houwenplant vordert een verklaring voor recht dat DO tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen onder artikel 7.1 aanhef en onder b van de koopovereenkomst (de balansgarantie), met een veroordeling van DO tot betaling van schadevergoeding aan Houwenplant, op te maken bij staat. Deze vordering is ingesteld onder de voorwaarde dat de rechtbank het beroep op vernietiging van de koopovereenkomst niet honoreert. Hoewel deze voorwaarde op dit moment niet vervuld is, zal de rechtbank uit proceseconomische overwegingen al wel ingaan op deze vordering.
5.83.
Indien en voor zover aan de beslissing over deze vordering zal worden toegekomen, zal worden geoordeeld dat de balansgarantie (alleen) is geschonden voor zover de crediteurenpositie op de overdrachtsbalans € 279.115,74 te laag was (met betrekking tot de ontbrekende Deense karren en de vorderingen van Prokonak en Vattenfall). Het ligt in de rede om voor vergoeding in aanmerking komende schade in deze procedure te begroten. Een en ander wordt hierna toegelicht.
Schending van de balansgarantie
5.84.
DO heeft in de balansgarantie gegarandeerd dat de Rijnplant Entiteiten geen materiële schulden of passiva hebben die niet samenhangen met de reguliere bedrijfsvoering van de activiteiten, anders dan opgenomen in de overdrachtsbalans. Volgens Houwenplant is na het sluiten van de koopovereenkomst gebleken dat de overdrachtsbalans op verschillende punten onjuist was. Het betreft de punten die hiervoor onder 5.46 zijn opgesomd. Kort gezegd komt het er volgens Houwenplant op neer dat de crediteurenstand aanzienlijk hoger was dan aangegeven, terwijl de debiteurenstand aanzienlijk lager was.
5.85.
DO betwist dat de balansgarantie is geschonden. Zij voert daartoe aan dat de door Houwenplant genoemde posten niet op de overdrachtsbalans vermeld hoefden te worden. Die posten waren onjuist/onvoldoende concreet, of (nog) niet bekend op het moment van het sluiten van de koopovereenkomst, aldus DO.
5.86.
De rechtbank overweegt als volgt. Zoals hiervoor onder 5.69 al aan de orde kwam, staat tussen partijen vast dat DO op 22 april 2024 heeft voorgesteld om (onder de voorwaarde dat de Rijnplant Entiteiten werden voortgezet) een liquiditeitsbijdrage van € 279.115,74 te verschaffen. Volgens DO betreft dat bedrag het verschil tussen de crediteurenpositie op de overnamebalans en wat deze na herbeoordeling had moeten zijn. Het gaat daarbij om de ontbrekende Deense karren en de vorderingen van Prokonak en Vattenfall. In zoverre heeft DO dus erkend, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dat de overdrachtsbalans niet juist was. Dit betekent dat de balansgarantie is geschonden en dat DO in zoverre toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de koopovereenkomst. De gevorderde verklaring voor recht is – voor zover het de hiervoor genoemde posten betreft – dus toewijsbaar. Of DO op 1 maart 2024 wist of behoorde te weten dat de betreffende posten ten onrechte ontbraken op de balans, is in dit kader niet relevant.
5.87.
Wat betreft de andere posten (zoals de claims van Fuerte Planta en Kwekerij Tasveren) kan geen schending van de balansgarantie worden aangenomen. Gelet op het verweer van DO had het op de weg van Houwenplant gelegen om nader te stellen en te onderbouwen dat sprake is van concrete, materiële posten, die op 1 maart 2024 boekhoudkundig op de overdrachtsbalans hadden moeten worden vermeld. Houwenplant heeft dat niet gedaan. De rechtbank merkt nog op dat dit onverlet laat dat het voor Houwenplant wel van belang was om, in het kader van haar beslissing om de koopovereenkomst al dan niet aan te gaan, op de hoogte te zijn van de problemen met de afnemers/debiteuren van de Rijnplant Entiteiten. Dat aspect is echter aan de orde bij het beroep van Houwenplant op vernietiging van de koopovereenkomst. In het kader van de vraag of de balansgarantie is geschonden is dat niet relevant.
Schade en causaal verband
5.88.
Vervolgens moet worden beoordeeld of de gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure toewijsbaar is. De rechter kan een vordering tot schadevergoeding op de voet van artikel 612 Rv Pro naar de schadestaatprocedure verwijzen indien (i) de grondslag van aansprakelijkheid van de schuldenaar vaststaat, (ii) de mogelijkheid van schade aannemelijk is en (iii) de begroting van de schade in de hoofdprocedure hem niet mogelijk is.
5.89.
Houwenplant stelt dat zij schade heeft geleden omdat zij een te hoge koopprijs heeft betaald. Volgens haar moet niet alleen rekening worden gehouden met de in artikel 3.1 onder a van de koopovereenkomst genoemde koopprijs van € 1,00, maar ook met het in artikel 3.1 onder b genoemde bedrag van € 150.000,00 (in verband met de afwikkeling van het geschil met Van Schie ) en met het in artikel 9.3 genoemde bedrag van € 1.000.000,00 (de aan DO gecedeerde vordering van Rijnplant Breeding op Houwenplant).
5.90.
Daarnaast stelt Houwenplant schade te hebben geleden in verband met het faillissement van de Rijnplant Entiteiten. Het gaat daarbij om:
de hogere prijs die Houwenplant inmiddels betaalt voor het door haar benodigde stekmateriaal wegens het wegvallen van Rijnplant Breeding als leverancier,
imagoschade die Houwenplant heeft geleden door het faillissement van de Rijnplant Entiteiten,
het verlies van exclusiviteit van drie grote plantenrassen in Europa en Turkije,
kosten die de overname en het daaropvolgende geschil met DO met zich hebben gebracht, waaronder de kosten van [persoon B] en advocaatkosten,
schade doordat de aandelen in de Rijnplant Entiteiten geen waarde meer (kunnen gaan) vertegenwoordigen en
schade die Houwenplant lijdt doordat zij nog een aanzienlijke vordering op de Rijnplant Entiteiten had, ter hoogte van € 434.472,59, die zij nu in het faillissement heeft moeten indienen.
Bovendien hebben de diverse problemen die werden geconstateerd een enorme weerslag gehad op de tijdsbesteding en werkzaamheden van Houwenplant, aldus Houwenplant.
5.91.
Volgens Houwenplant bestaat er causaal verband tussen de wanprestatie van DO en de geleden schade. Zij voert daartoe aan dat, als de garantiebepaling niet zou zijn geschonden, de overnamebalans een waarheidsgetrouwe weergave zou zijn geweest van de financiële situatie van de Rijnplant Entiteiten. In die situatie was een faillissement van de Rijnplant Entiteiten niet nodig geweest, aldus Houwenplant. Op de zitting heeft Houwenplant daaraan toegevoegd dat zij in die situatie de Rijnplant Entiteiten niet zou hebben overgenomen.
5.92.
DO betwist dat Houwenplant schade heeft geleden. Ook betwist DO dat er causaal verband bestaat tussen de schending van de balansgarantie en de gestelde schade.
5.93.
De rechtbank is van oordeel dat Houwenplant niet kan worden gevolgd in haar redenering dat het faillissement van de Rijnplant Entiteiten zou zijn uitgebleven als de balansgarantie niet was geschonden. De vraag of de overdrachtsbalans een waarheidsgetrouwe weergave van de werkelijkheid was, staat los van de daadwerkelijke financiële situatie van de Rijnplant Entiteiten. Ook als de overdrachtsbalans juist was geweest, was een faillissement van de Rijnplant Entiteiten blijkens de eigen stellingen van Houwenplant onvermijdelijk geweest. Ook in die situatie zou Houwenplant te maken hebben gehad met bijvoorbeeld een hogere prijs voor stekmateriaal en met het verlies van exclusiviteit van drie grote plantenrassen. Datzelfde geldt voor de situatie dat Houwenplant de Rijnplant Entiteiten niet zou hebben overgenomen. De onder 5.90 genoemde schadeposten i), iii), v) en vi) zijn om deze reden niet toewijsbaar.
5.94.
De rechtbank acht het standpunt van Houwenplant dat zij de Rijnplant Entiteiten niet zou hebben overgenomen als de balansgarantie niet zou zijn geschonden evenmin juist. Bij een transactie als deze is het op zichzelf niet ongebruikelijk dat de overnamebalans onregelmatigheden bevat. Dat geldt temeer als, zoals in dit geval, de deal op korte termijn en onder tijdsdruk wordt gesloten. Partijen hebben hierin ook voorzien in artikel 7.3 van de koopovereenkomst door overeen te komen dat, als de balansgarantie wordt geschonden, DO Houwenplant schadeloos zal stellen voor alle daaruit voor Houwenplant voortvloeiende schade. Dat Houwenplant de koopovereenkomst niet zou hebben gesloten als (alleen) de posten met betrekking tot de Deense karren en de vorderingen van Prokonak en Vattenfall meteen juist op de overdrachtsbalans waren vermeld, is onvoldoende onderbouwd door Houwenplant gesteld en ligt in de gegeven omstandigheden ook niet voor de hand. Dit betekent dat ook de overige door Houwenplant gestelde schadeposten niet voor toewijzing in aanmerking kunnen komen voor zover zij zijn gegrond op de stelling dat Houwenplant de koopovereenkomst niet zou zijn aangegaan bij een juiste voorstelling van zaken in de overdrachtsbalans.
5.95.
Niet valt in te zien waarom de schade als gevolg van de schending van de balansgarantie, zoals bedoeld in artikel 7.3 van de koopovereenkomst, niet in deze procedure zou kunnen worden vastgesteld. Voor zover Houwenplant meent dat zij vanwege de op dit punt door haar gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure die schade nog niet voldoende concreet heeft gesteld en onderbouwd, ligt het op haar weg om dat bij conclusie na al dan niet gehouden getuigenverhoor alsnog te doen. Dan kan DO daar bij antwoordconclusie op reageren. Omdat het vooralsnog mogelijk lijkt om die schade in de hoofdprocedure te begroten, ligt een verwijzing naar de schadestaatprocedure op dit punt niet in de rede.
5.96.
De rechtbank merkt nog op dat DO op dit punt op goede gronden een beroep kan doen op de aansprakelijkheidsbeperking (tot een maximum van € 500.000,00) in artikel 7.4 van de koopovereenkomst. De stelling van Houwenplant dat dit beroep naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, gaat niet op. De rechtbank zal pas aan toewijzing van deze vordering toekomen, als na bewijslevering blijkt dat het beroep van Houwenplant op vernietiging van de koopovereenkomst niet slaagt. In dat geval is niet vast komen te staan dat DO ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door opzettelijk onjuiste informatie te delen of relevante informatie te verzwijgen. In die situatie valt niet in te zien waarom een beroep van DO op de contractueel overeengekomen aansprakelijkheidsbeperking naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
Tussenconclusie
5.97.
De beslissing over vordering 3 in reconventie wordt aangehouden in afwachting van de bewijslevering in conventie.
Ad g) opheffing van beslagen (vordering 1 in reconventie); de beslissing over deze vordering wordt aangehouden
5.98.
Zoals blijkt uit de eerdere overwegingen in dit vonnis, is de vraag of vorderingen 3 en 4 in conventie toewijsbaar zijn afhankelijk van bewijslevering. Zolang daarover niet is beslist, is er voor opheffing van de ten laste van Houwenplant gelegde beslagen geen aanleiding. Ook ten aanzien van vordering 1 in reconventie wordt de beslissing dus aangehouden.
Conclusie
5.99.
De zaak wordt eerst naar de rol verwezen voor bewijslevering als hierna in de beslissing vermeld. De datum of data en tijdstippen voor eventuele getuigenverhoren aan de zijde van Houwenplant (in enquête) en aan de zijde van DO (in contra-enquête) zullen na het wijzen van dit vonnis aan de hand van door partijen op te geven verhinderdata worden bepaald. Daarbij zal zowel een datum voor de enquête worden gepland als een datum worden gereserveerd voor de contra-enquête. Dit laat onverlet het recht van DO om zich na de enquête nader te beraden over de contra-enquête.
5.100. Iedere verdere beslissing in conventie en in reconventie, waaronder de beslissing over de gevorderde beslag- en proceskosten, wordt in afwachting van de bewijslevering aangehouden.

6.De beslissing

De rechtbank
in conventie
6.1.
draagt Houwenplant op te bewijzen dat DO voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst desgevraagd opzettelijk in strijd met de waarheid, met het doel om Houwenplant ertoe te bewegen de koopovereenkomst aan te gaan, heeft bevestigd dat er, naast de problemen met Van Schie , geen problemen met andere afnemers c.q. debiteuren van de Rijnplant Entiteiten waren,
6.2.
6.2. bepaalt dat indien Houwenplant dit bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank in Rotterdam aan Wilhelminaplein 100/125 voor een nog aan te wijzen rechter,
6.3.
6.3. bepaalt dat Houwenplant, indien zij getuigen wil laten horen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank – ter attentie van de afdeling planning van team handel en haven – de namens haar te horen getuigen en de verhinderdagen van de getuigen, alle partijen en hun advocaten in de maanden maart tot en met juni 2026 moet opgeven, waarna dag/dagen en uur van het getuigenverhoor zal worden bepaald,
6.4.
6.4. bepaalt dat DO, indien zij getuigen in contra-enquête wil voorbrengen, bij de opgave van verhinderdata rekening moet houden met de in dat kader (vermoedelijk) te horen getuigen; voor contra-enquête zal een dag en uur worden gereserveerd na de voor het getuigenverhoor bepaalde dag en tijd,
6.5.
6.5. bepaalt dat Houwenplant, indien zij het bewijs niet door getuigen wil leveren maar door overlegging van bewijsstukken en/of door een ander bewijsmiddel, het voornemen hiertoe binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank – ter attentie van de roladministratie van team handel en haven – en aan de wederpartij moet opgeven, waarna de verdere procesvoering zal worden bepaald,
6.6.
6.6. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken, voor zover nog niet in het geding gebracht, aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,
6.7.
6.7. houdt iedere verdere beslissing aan,
in reconventie
6.8.
bepaalt dat partijen bij conclusie (Houwenplant) en antwoordconclusie (DO) na al dan niet gehouden getuigenverhoor de gelegenheid wordt geboden om zich (ook) uit te laten over de hiervoor onder 5.95 genoemde schade,
6.9.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman, mr. J.M.J. Arts en mr. J. Roest. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.
1977/1729/3455/2254

Voetnoten

1.HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4909; HR 19 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3178.
2.HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101; HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158.
3.Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht.
4.Hoge Raad 1 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2183.