ECLI:NL:RBROT:2026:8102

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
11685697 CV EXPL 25-1901
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • D. Greve
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119a BWArt. 237 RvArt. 233 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling facturen chauffeur en afwijzing schadevergoeding wegens eigen schuld opdrachtgever

In deze civiele zaak vordert de chauffeur betaling van facturen voor uitgevoerde werkzaamheden, terwijl het bedrijf een schadevergoeding eist wegens het verlies van een belangrijke klant door een fout van de chauffeur.

De kantonrechter stelt vast dat de chauffeur inderdaad tekort is geschoten door een klant op een verkeerd adres af te zetten, maar dat de schade niet door deze tekortkoming is ontstaan. De directeur van het bedrijf heeft nagelaten de situatie op te lossen door geen alternatieve chauffeur aan te bieden en heeft bovendien ruzie gemaakt met de klant, waardoor deze opzegde.

De rechter oordeelt dat het bedrijf de schade zelf heeft veroorzaakt en wijst de schadeclaim af. Het bedrijf wordt veroordeeld tot betaling van de facturen, incassokosten en wettelijke rente aan de chauffeur, alsmede de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het bedrijf wordt veroordeeld tot betaling van facturen, incassokosten en rente aan de chauffeur, terwijl de schadeclaim wordt afgewezen wegens eigen schuld van het bedrijf.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Dordrecht
zaaknummer: 11685697 CV EXPL 25-1901
datum uitspraak: 11 juni 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[persoon A] ,die handelt onder de naam
[handelsnaam A],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
gemachtigde: [naam gemachtigde] (Van Houwelingen & Partners),
tegen
[bedrijf B],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
gemachtigde: mr. I.C.M.C. Henriquez-van de Wetering.
De partijen worden hierna ‘ [persoon A] ’ en ‘ [bedrijf B] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 25 april 2025, met bijlagen;
  • het antwoord met eis in reconventie (tegeneis), met bijlagen;
  • het antwoord in reconventie.
1.2.
Op 17 april 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: [persoon A] en zijn gemachtigde en de heer [persoon B] namens [bedrijf B] en haar gemachtigde.

2.De beoordeling

Wat is de kern?
2.1.
[persoon A] heeft in opdracht van [bedrijf B] als chauffeur gewerkt. [persoon A] heeft daarvoor aan [bedrijf B] facturen gestuurd voor een totaalbedrag van € 4.215,88. [bedrijf B] betaalt de facturen niet. Zij stelt dat zij € 27.632,25 aan schade heeft geleden, omdat zij door [persoon A] een grote klant is kwijtgeraakt.
2.2.
De kantonrechter wijst de eis van [persoon A] toe. De eis van [bedrijf B] wordt afgewezen. Deze beslissingen worden hierna uitgelegd.
[bedrijf B] moet € 4.215,88 betalen
2.3.
[persoon A] stelt dat hij in de weken 44 tot en met 50 van 2024 in opdracht van [bedrijf B] als chauffeur heeft gewerkt voor een uurloon van € 26,50 exclusief btw. Het aantal gewerkte uren en het uurloon heeft [bedrijf B] niet betwist. [bedrijf B] moet daarom de facturen van in totaal € 4.215,88 inclusief btw aan [persoon A] betalen, tenzij haar verweer slaagt.
[persoon A] hoeft geen € 27.632,25 te betalen
2.4.
[persoon A] heeft een belangrijke en veeleisende klant van [bedrijf B] op 12 december 2024 niet op tijd afgezet en naar een verkeerd adres gebracht. Dat waren tekortkomingen die de klant hoog opnam. De secretaresse van de klant heeft [persoon B] gebeld en gevraagd om per direct een andere chauffeur ter beschikking te stellen. [persoon B] is de directeur van [bedrijf B] . Dat gesprek ‘liep het uit de hand’ tussen [persoon B] en de secretaresse. Daarna heeft de klant telefonisch opgezegd.
2.5.
[persoon A] is weliswaar tekortgeschoten jegens [bedrijf B] omdat hij de rit van 12 december 2024 niet goed heeft uitgevoerd, maar de schade is niet door deze tekortkoming ontstaan.
2.6.
[bedrijf B] heeft de schade zelf veroorzaakt, omdat haar directeur [persoon B] de zaak niet heeft opgelost door een andere chauffeur aan te bieden. Hij had bijvoorbeeld zijn dienst met [persoon A] kunnen ruilen, of reserve (zzp)personeel achter de hand kunnen houden. Van een directeur van een dergelijk bedrijf mag verwacht worden, dat zij oplossingen nastreeft en géén ruzie maakt met toch al boze klanten. Omdat het probleem door hem niet is opgelost heeft de klant opgezegd en is schade ontstaan. Dat betekent dat de vordering van [bedrijf B] wordt afgewezen.
[bedrijf B] moet incassokosten van € 546,59 betalen
2.7.
Als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt € 546,59 toegewezen. Dit is het bedrag waarop [persoon A] recht heeft volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.
[bedrijf B] moet rente van € 145,24 betalen
2.8.
Het gaat in deze zaak om een handelsovereenkomst, zodat artikel 6:119a BW van toepassing is. [persoon A] heeft op de zitting gezegd dat de betalingstermijn van zijn facturen 30 dagen is. Dat is door [bedrijf B] niet betwist. Niet in geschil is dat de vervaltermijnen van de facturen van [persoon A] zijn verstreken. [persoon A] heeft daarom voldoende gesteld en de rente van € 145,24 wordt toegewezen.
2.9.
Dat betekent dat [bedrijf B] € 4.907,71 (€ 4.215,88 + € 546,59 + € 145,24) aan [persoon A] moet betalen.
[bedrijf B] moet de proceskosten betalen
2.9.
De proceskosten komen voor rekening van [bedrijf B] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [bedrijf B] aan [persoon A] moet betalen op:
In conventie:
  • € 122,35 aan dagvaardingskosten;
  • € 257,00 aan griffierecht;
  • € 542,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 271,00); en
  • € 135,00 aan nakosten.
In reconventie:
- € 203,00 € 203,00 aan salaris voor de gemachtigde (1/2e punt x € 406,00).
Dat is in totaal € 1.056,35 in conventie en in totaal € 203,00 in reconventie. Hier kan nog een bedrag bij komen als het vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.10.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [persoon A] dat eist en [bedrijf B] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
In conventie
3.1.
veroordeelt [bedrijf B] om aan [persoon A] te betalen € 4.907,71 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 4.215,88 vanaf 25 april 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [bedrijf B] in de proceskosten, die aan de kant van [persoon A] worden vastgesteld op € 1.056,35;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af;
In reconventie
3.5.
wijst de vorderingen van [bedrijf B] af;
3.6.
veroordeelt [bedrijf B] in de proceskosten, die aan de kant van [persoon A] worden vastgesteld op € 203,00.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. D. Greve en in het openbaar uitgesproken.
67379