ECLI:NL:RBROT:2026:8114

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
C/10/709497 HA ZA 25-976
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • K. Baetsen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:52 BWArt. 6:59 BWArt. 6:61 lid 1 BWArt. 6:83 sub c BWArt. 6:248 BW
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding overeenkomsten app-ontwikkeling wegens tekortkoming ontwikkelaar en weigering broncodecontrole

DTT Multimedia en [persoon A] sloten twee overeenkomsten voor de ontwikkeling van de App!pointmentapp en de Gotcha-app. DTT factureerde ruim €460.000, waarvan App!pointment en [persoon A] circa €408.000 betaalden. DTT vorderde betaling van het resterende bedrag, maar App!pointment en [persoon A] stelden dat DTT tekort was geschoten in de nakoming, met name door het niet opleveren van een goedgekeurde releaseversie en het weigeren mee te werken aan controle van de broncode.

De rechtbank oordeelde dat DTT de App!pointmentapp niet had opgeleverd omdat de release candidate niet was goedgekeurd en dat DTT tekort was geschoten door niet mee te werken aan een onafhankelijke controle van de broncode. Dit tekort leidde tot verzuim zonder ingebrekestelling. Het beroep van DTT op opschorting van haar verplichtingen werd verworpen omdat de verhouding tussen betaalde en onbetaalde facturen dit onaanvaardbaar maakte.

Daarom mochten App!pointment en [persoon A] hun betalingsverplichtingen opschorten en werd de vordering van DTT afgewezen. Tevens werden de overeenkomsten ontbonden wegens wanprestatie van DTT. DTT werd veroordeeld tot betaling van proceskosten. De rechtbank verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van DTT af en ontbindt de overeenkomsten wegens wanprestatie van DTT.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/709497 / HA ZA 25-976
Vonnis van 1 juli 2026
in de zaak van
DTT MULTIMEDIA B.V.,
te Amsterdam,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie
hierna te noemen: DTT ,
advocaat: mr. K. Megens-van Mierlo,
tegen

1.APP!POINTMENT B.V.,

te Dordrecht,
2.
[persoon A],
te Dordrecht,
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
advocaat: mr. D. de Jong.
Partijen worden hierna DTT, App!pointment en [persoon A] genoemd.

1.De zaak in het kort

De (rechtsvoorganger van) DTT en [persoon A] sloten twee overeenkomsten voor de ontwikkeling van twee apps, te weten de App!pointmentapp en de Gotcha-app. In de overeenkomst voor de App!pointmentapp is in een prijs van € 225.750,- (exclusief btw) opgenomen. In de overeenkomst voor de Gotcha-app is een prijs van € 19.3751,- (exclusief btw) opgenomen. DTT factureerde € 460.978,40 (inclusief btw) voor de ontwikkeling van beide apps. App!pointment en [persoon A] betaalden tenminste € 408.537,36. Partijen zijn het niet eens over de vraag of DTT apps heeft ontwikkeld, die voldeden aan de overeenkomsten en bruikbaar waren. DTT vordert in deze procedure betaling van een bedrag van € 52.441,04, zijnde dat deel van de facturen voor de ontwikkeling van de App!pointmentapp dat volgens DTT onbetaald is gebleven. App!pointment betwist partij te zijn bij de overeenkomsten. [persoon A] voert aan dat de facturen waarvan DTT betaling vordert niet opeisbaar zijn, omdat DTT tekort geschoten is in de nakoming van beide overeenkomsten. In reconventie vorderen App!pointment en [persoon A] een verklaring voor recht dat beide overeenkomsten zijn ontbonden wegens wanprestatie van DTT. De rechtbank wijst de eis in conventie af en de eis in reconventie toe, omdat DTT tekort schoot in de nakoming van de overeenkomst voor beide apps. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 24 oktober 2025 met producties E1-E12;
- de conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie van 14 januari 2026 met producties G1-G18;
- de brief van 28 januari 2026 van de rechtbank, waarbij partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling;
- de conclusie van antwoord in reconventie tevens antwoordakte op overgelegde producties van 25 februari 2026 met producties E13-E19;
- de e-mail van 20 april 2026 van de rechtbank met daarin opgenomen de zittingsagenda;
- de akte overlegging producties van DTT van 20 mei 2026 met producties E20-E24;
- de e-mail namens [persoon A] en App!pointment van 5 mei 2026;
- de brief namens [persoon A] en App!pointment van 12 mei 2026 met productie G19;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 mei 2026 en de tijdens deze mondelinge behandeling voorgedragen spreekaantekeningen van mr. K. Megens-Van Mierlo en mr. D. de Jong.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
DTT Multimedia en [bedrijf] ( [bedrijf] ) hebben op 4 november 2015 een overeenkomst gesloten voor de ontwikkeling van de zogeheten Appointment-app door DTT Multimedia voor [bedrijf] . DTT Multimedia was een eenmanszaak van [persoon B] . [persoon B] heeft DTT Multimedia op 1 april 2016 ingebracht in DTT. [bedrijf] was een eenmanszaak van [persoon A] . In het handelsregister van de Kamer van Koophandel is geregistreerd dat [bedrijf] op 15 oktober 2021 is overgedragen aan App!pointment.
3.2.
In de overeenkomst (productie E4) is het volgende opgenomen over de prijs voor de ontwikkeling van de app en de betalingstermijnen:
“2.2.6. Opdrachtgever zal de Totaalprijs van EUR 225.750,- ex BTW voldoen in 66 termijnen van een maand. Iedere maand, gerekend vanaf 1 januari 2016, zal uiterlijk op de laatste dag van die maand een bedrag van EUR 3.420,45 ex BTW op de bankrekening van Opdrachtgever zijn overgemaakt. Indien een betaaltermijn niet uiterlijk op de laatste dag van de betreffende maand op de bankrekening van Opdrachtgever staat, is Opdrachtgever direct in verzuim, zonder dat een nadere ingebrekestelling vereist is.”
3.3.
Het artikel in de overeenkomst met als kop ‘planning’ (artikel 8) bevat geen concrete data. Wel maakt het artikel onderscheid tussen de oplevering van een “Alpha version”, een “Beta version” en een “Release candidate”. Goedkeuring van de “Release candidate” betekent oplevering van de “Release version” van de app, zo staat in artikel 8.
3.4.
Na het sluiten van de overeenkomst heeft [persoon A] dan wel App!pointment meewerkopdrachten gegeven aan DTT voor de ontwikkeling van de App!pointmentapp.
3.5.
Eind september/begin oktober 2018 hebben [bedrijf] en DTT een (tweede) overeenkomst gesloten (productie G13). Deze overeenkomst zag op de ontwikkeling van een tweede app, Gotcha. De prijs voor de ontwikkeling van deze app bedroeg € 19.751,00 exclusief btw. In de overeenkomst is een planning opgenomen, welke inhoudt dat DTT op 15 augustus 2018 een “Beta version” oplevert en op 6 september 2018 een “release candidate version”. Ook voor de ontwikkeling van de Gotcha-app heeft [persoon A] dan wel App!pointment meerwerkopdrachten gegeven aan DTT.
3.6.
Op 24 december 2021 schrijft [persoon C] van DTT aan [persoon A] (productie E13):
“Vandaag wil ik graag een nieuwe ‘work-in-progress’ versie van de App!pointment app voor iOS en Android met je delen.
(…)
Nu alle nieuwe functionaliteiten geïmplementeerd zijn, willen we je vragen om de app te testen aan de hand van de goedgekeurde begrotingen (zie onderstaande WeTransfer) en de laatste workflow versie ( [website] )
. (…)”
3.7.
Op 28 december 2021 schrijft [persoon A] aan [persoon C] (productie G19):
“(…)
5. Tot nu toe is synchronisatie van minimaal android en Google niet mogelijk, waardoor de app niet getest kan worden met derden. Microsoft synchroniseert het wel, maar alsnog kan je geen gebruiker selecteren om een vergadering mee te starten, persoonlijke berichten naar te zenden, afspraken mee te maken of een post-it naar te verzenden.
Graag zou ik de bovenstaande eerst willen zien werken voordat ik van een volmaakte app wil spreken.
(…)”
3.8.
DTT heeft [persoon A] dan wel App!pointment meerdere malen gewezen op betaalachterstanden voor de facturen voor de ontwikkeling van de App!pointmentapp en om die reden de werkzaamheden voor deze app opgeschort.
3.9.
[persoon A] dan wel App!pointment hebben in totaal tenminste € 408.537,36 betaald aan DTT, waarvan € 375.039,70 voor de ontwikkeling van de App!pointmentapp. Daarmee zijn niet alle facturen van DTT voor de ontwikkeling van de App!pointment betaald. De facturen voor de ontwikkeling van de Gotcha-app zijn volledig betaald.
3.10.
[persoon A] heeft DTT (onder meer) op 11 juni 2022 gevraagd om afgifte van de broncode voor de Gotcha-app. DTT heeft geweigerd de broncode af te geven, zolang niet al haar facturen voor de ontwikkeling van de App!pointmentapp zijn betaald.

4.Het geschil

in conventie
4.1.
DTT vordert [persoon A] en App!pointment, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen:
1. tot betaling van € 74.735,76, te vermeerderen met wettelijke handelsrente over € 52.441,04 vanaf 1 oktober 2025 tot de dag der algehele voldoening waarbij door betaling van één de ander wordt gekweten;
2. in de kosten van deze procedure, te betalen binnen 14 dagen na het in deze zaak te wijzen vonnis, en gedaagden te veroordelen in de na de uitspraak ontstane (na)kosten overeenkomstig de door de rechtbank op te stellen begroting, waarvoor zo nodig een bevelschrift zal worden afgegeven.
4.2.
App!pointment en [persoon A] voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van DTT, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van DTT in de kosten van deze procedure.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
4.4.
[persoon A] en App!pointment vorderen in reconventie, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat de overeenkomsten gesloten tussen [persoon A] en DTT d.d. 11 november 2015 (App!pointment) en 10 september 2018 (Gotcha) zijn ontbonden, met veroordeling van DTT in de kosten van de procedure in reconventie onder begroting van de nakosten.
4.5.
DTT voert verweer en concludeert tot afwijzing van de reconventionele vordering van [persoon A] en App!pointment met veroordeling van [persoon A] en App!pointment in de kosten van de procedure in reconventie, te vermeerderen met nakosten.
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

in conventie
DTT heeft de juiste partijen gedagvaard
5.1.
DTT stelt dat nu [persoon A] de onderneming van [bedrijf] heeft overgedragen aan App!pointment, App!pointment de rechten en plichten uit de overeenkomst(en) met DTT heeft overgenomen en dus tot betaling van de nog openstaande facturen kan worden aangesproken. Dit blijkt ook uit het feit dat DTT vanaf 2021 heeft gefactureerd aan App!pointment. [persoon A] is in persoon partij gebleven omdat hij zich op grond van de overeenkomst voor de App!pointmentapp heeft verbonden tot nakoming van de betalingsverplichtingen, aldus DTT.
5.2.
[persoon A] en App!pointment voeren aan dat DTT ten onrechte App!pointment heeft gedagvaard, omdat [bedrijf] partij is bij de overeenkomst voor de App!pointmentapp. Van een contractsovername door App!pointment is geen sprake, aldus [persoon A] en App!pointment.
5.3.
De rechtbank oordeelt dat DTT zowel [persoon A] als App!pointment kan aanspreken tot nakoming van de verplichtingen uit hoofde van de tussen [persoon A] en DTT Multimedia gesloten overeenkomst voor de App!pointmentapp. Na het sluiten van de overeenkomst tussen DTT en [bedrijf] heeft [persoon A] op 27 november 2018 aan DTT laten weten dat hij al zijn ‘app gerelateerde zaken’ via zijn BV wil laten lopen (productie E20). Vanaf 7 oktober 2021 heeft App!pointment de facturen van DTT betaald (productie G15). [persoon A] heeft op 4 april 2022 (productie E8) een e-mail gestuurd aan DTT, waarin hij een meerwerkopdracht geeft voor de App!pointmentapp. Deze e-mail heeft hij ondertekend met ‘ [persoon A] , directeur’ met daaronder het logo van App!pointment. [bedrijf] is op 21 juni 2022 uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel, met daarbij de registratie dat de onderneming van [bedrijf] op 25 oktober 2021 is overgedragen aan App!pointment (productie E3). Dit alles tezamen leidt tot het oordeel dat sprake is van een (stilzwijgende) overname door App!pointment van de verplichtingen van [bedrijf] uit hoofde van de overeenkomst met DTT voor de App!pointmentapp, waarmee DTT (stilzwijgend) heeft ingestemd.
5.4.
[persoon A] kan ondanks deze contractsovername ook in privé worden aangesproken tot betaling, nu hij zich in artikel 2.2.10 van de overeenkomst in privé heeft verbonden tot nakoming van de verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst. [persoon A] heeft hier ook geen verweer tegen gevoerd.
Openstaand bedrag
5.5.
Bij dagvaarding vordert DTT betaling van het nog openstaande bedrag van vier facturen die zien op de ontwikkeling van de App!pointmentapp (gedeeltelijk). In totaal gaat het om een bedrag van € 52.441,04. DTT heeft daarbij de factuurnummers en factuurdata genoemd en de facturen waarvan zij betaling vordert als productie in het geding gebracht. [persoon A] en App!pointment hebben aangevoerd dat van de facturen waarvan DTT bij dagvaarding betaling vordert, nog een bedrag van € 47.902,72 open staat. Ter onderbouwing hiervan hebben [persoon A] en App!pointment kopieën overgelegd van bankafschriften waaruit de betalingen blijken. DTT heeft vervolgens een Excelbestand (productie E24) in het geding gebracht met daarin opgenomen een overzicht van alle aan [persoon A] en App!pointment verzonden facturen en van alle ontvangen betalingen. De facturen opgenomen in dit overzicht heeft DTT niet overgelegd en kopieën van bankafschriften waaruit de betalingen blijken evenmin. DTT heeft onder verwijzing naar het Excelbestand de stelling ingenomen dat [persoon A] en App!pointment een totaalbedrag van € 52.441,53 onbetaald lieten. In de bij de mondelinge behandeling voorgedragen spreekaantekeningen heeft DTT het standpunt herhaald dat de vier facturen waarvan in de dagvaarding vergoeding wordt gevorderd. [persoon A] en App!pointment hebben de juistheid van het overzicht in het Excelbestand betwist.
5.6.
Het is voor de rechtbank niet duidelijk of DTT nu betaling vordert van het nog openstaande bedrag van de vier facturen die zij bij dagvaarding in het geding heeft gebracht of betaling van het nog openstaande bedrag dat volgt uit het Exelbestand waarin DTT een overzicht geeft van alle verzonden facturen en ontvangen betalingen. DTT lijkt beide standpunten in te nemen. Wat hier ook van zij, gelet op het onderbouwde verweer van [persoon A] en App!pointment dat zij meer betaalden van de facturen waarvan DTT bij dagvaarding betaling vordert dan in de dagvaarding aangegeven, had van DTT verwacht mogen worden dat zij nadere stukken in het geding zou brengen waaruit de omvang van haar vordering blijkt. Het Excelbestand kan niet als een zodanige onderbouwing worden aangemerkt, nu dit bestand niet controleerbaar is. De stukken op basis waarvan het bestand is samengesteld, heeft DTT niet in het geding gebracht. DTT heeft hiermee haar stellingen over het nog openstaande bedrag onvoldoende onderbouwd, voor zover haar vordering het door App!pointment en [persoon A] erkende bedrag te boven gaat.
5.7.
De rechtbank gaat gelet op het voorgaande uit van het bedrag van de vier bij dagvaarding genoemde facturen dat volgens App!pointment en [persoon A] nog openstaat. Dat is € 47.902,72.
Vordering DTT in beginsel opeisbaar
5.8.
App!pointment en [persoon A] voeren aan dat de vordering van DTT niet opeisbaar is, omdat de vordering ziet op nog niet opgeleverd meerwerk. Zij onderbouwen dit als volgt. Van het totaalbedrag dat DTT factureerde, ziet € 273.157,50 op de voor beide apps overeengekomen opdrachtsom en € 187.820,54 op meerwerk, waarvan ruim € 162.000,- ziet op meerwerk voor de App!pointmentapp. Van dit meerwerk is 50% opeisbaar na oplevering. Nu van oplevering geen sprake is, is een bedrag van € 93.910,27 niet opeisbaar. Dit betekent dat van de facturen van DTT € 367.067,77 (€ 460.978,04 minus € 93.910,27) opeisbaar is. Dat bedrag hebben App!pointment en [persoon A] betaald.
5.9.
DTT betwist dat haar vordering niet opeisbaar is omdat de vordering ziet op niet opgeleverd meerwerk. Zij voert tevens aan dat zij zowel de Gotcha-app als de App!pointmentapp heeft opgeleverd.
5.10.
Het verweer van App!pointment en [persoon A] dat de vordering van DTT niet opeisbaar is omdat geen de vordering betrekking heeft op niet opgeleverd meerwerk, slaagt niet. De facturen waarvan App!pointment en [persoon A] hebben erkend dat zij deze (deels) onbetaald lieten, zien op betaling van de termijnen van de voor de App!pointmentapp overeengekomen opdrachtsom (facturen 2020-4-29 en 2020-4-90) en op de aanbetaling bij het geven van een opdracht tot meerwerk (2020-4-28). Partijen spraken af dat de hoofdsom voor de ontwikkeling van de App!pointmentapp in maandelijkse termijn zou worden voldaan, onafhankelijk van het moment van oplevering van de app. Over de eerste helft van het bedrag dat gemoeid is met een meerwerkopdracht kwamen partijen overeen dat dit bedrag bij het verstrekken van de opdracht moet worden betaald. Dit betekent dat de facturen waarvan DTT betaling vordert, in beginsel opeisbaar zijn. Dat geldt ook als App!pointment en [persoon A] (andere) facturen betaalden die nog niet opeisbaar waren.
Verzuim DTT staat aan opeisbaarheid in de weg
5.11.
App!pointment en [persoon A] voeren (subsidiair) aan dat sprake is van verzuim van DTT, omdat DTT de App!pointmentapp niet heeft opgeleverd, weigert mee te werken aan de livegang van de App!pointmentapp en weigert de broncode van de app te laten controleren door een derde. Om deze reden mochten App!pointment en [persoon A] hun betalingsverplichtingen opschorten, althans staat de aanvullende dan wel beperkende werking van redelijkheid en billijkheid in de weg aan de vordering van DTT.
5.12.
DTT betwist dat zij tekort schoot in de nakoming van haar verplichtingen. Zij voert onder verwijzing naar haar e-mail van 24 december 2021 (productie G13) en de reactie daarop van [persoon A] aan dat zij de App!pointmentapp eind 2021 heeft opgeleverd. Ook voert DTT aan dat de betalingsverplichting van App!pointment en [persoon A] niet afhankelijk is van oplevering van de app en dat zij gelet op de betalingsachterstand mocht weigeren mee te werken aan de livegang van de app en afgifte van de broncodes en dat van haar niet verlangd kan worden dat zij meewerkt aan de controle van de broncode voordat alle facturen zijn betaald. Subsidiair voert DTT aan dat van verzuim geen sprake is, omdat zij niet in gebreke is gesteld. Het beroep op de beperkende dan wel aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid slaagt niet, aldus DTT, omdat de overeengekomen betalingsregeling niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is
5.13.
De rechtbank oordeelt dat DTT tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst voor de App!pointmentapp en dat dit aan toewijzing van haar vordering in de weg staat. Zij licht dit hierna toe.
DTT schoot tekort
5.14.
Om vast te stellen of sprake is van een tekortkoming van DTT is allereerst van belang of DTT de App!pointmentapp heeft opgeleverd. Dit is niet het geval. Uit artikel 8 van Pro de overeenkomst voor de App!pointmentapp (productie E3) volgt dat sprake is van een eindoplevering als er een ‘Release candidate’ van de app is opgeleverd, welke schriftelijk is goedgekeurd. Uit niets blijkt dat App!pointment of [persoon A] de ‘work in progress-versie’ die DTT op 24 december 2021 aan [persoon A] stuurde, welke versie DTT blijkens haar stellingen aanmerkt als een ‘release candidate’, heeft goedgekeurd. Integendeel, op 28 december 2021 schrijft [persoon A] dat synchronisatie met Android en Google niet mogelijk is (productie G19). Daarnaast benoemt hij nog vier punten die niet kloppen en sluit af met: ‘Graag zou ik het bovenstaande eerst willen zien werken voordat ik van een volmaakte app wil spreken’.
5.15.
Dat [persoon A] de laatste versie van de app niet heeft goedgekeurd, blijkt ook uit de e-mail van 11 december 2023 (productie G18), waarin de advocaat van [persoon A] en App!pointment schrijft dat [persoon A] er niet van overtuigd is dat ‘het werk af is’. Om deze twijfel weg te nemen, heeft [persoon A] aan DTT voorgesteld dat een deskundige de broncode voor de App!pointment beoordeelt. Bij een positieve oordeel van deze deskundige zullen App!pointment en [persoon A] een vooraf tussen partijen overeengekomen slotbetaling doen. DTT heeft geweigerd hieraan mee te werken. Zij wil de broncode voor de app niet aan een deskundige ter beschikking stellen voordat haar facturen volledig zijn betaald.
5.16.
Dit standpunt van DTT komt er feitelijk op neer dat het onmogelijk is haar werk te controleren dan wel dat het niet van haar verlangd kan worden dat zij hieraan meewerkt voordat zij volledig is betaald. [persoon A] was in december 2021 immers zelf niet in staat de aan hem toegestuurde versie van de app te testen, zo blijkt uit zijn e-mail van 28 december 2021. DTT heeft hierover ter zitting naar voren heeft gebracht dat het niet kunnen testen van de app niet aan de versie van de app lag, maar aan een gebrek aan kennis bij [persoon A] . Gesteld noch gebleken is dat DTT naar aanleiding van de e-mail van 28 december 2021 contact heeft opgenomen met [persoon A] om te bespreken waar hij bij het testen op problemen stuitte en hoe DTT hem daarbij kon helpen. Dit had wel op de weg van DTT als professionele softwareontwerper gelegen. Daar komt bij dat DTT ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat het op dit moment niet meer mogelijk is de laatste versie van de App!pointmentapp te testen, omdat de besturingssystemen van de smartphones waarop de app moet draaien verder zijn ontwikkeld. Dat betekent dat het werk van DTT nu alleen op deugdelijkheid kan worden beoordeeld door het controleren van de broncode.
5.17.
Van eenieder die een prestatie levert, mag worden verwacht dat hij binnen de grenzen van het redelijke meewerkt aan een beoordeling van de deugdelijkheid van die prestatie. Wat redelijk is, wordt in deze zaak bepaald door het feit dat het hier gaat om een complex op maat gemaakt product dat tegen een fors hogere prijs dan overeengekomen over een periode van zes jaren is ontwikkeld. Voor een leek als [persoon A] was het gaande de ontwikkeling van de app niet eenvoudig het werk van DTT op deugdelijkheid te beoordelen en DTT als professional heeft gaande de ontwikkeling weinig gedaan om [persoon A] in staat te stellen haar werk op deugdelijkheid te beoordelen. Verder weegt mee dat [persoon A] en App!pointment ruim € 400.000,00 betaalden aan DTT en dat het onbetaalde deel van de facturen – € 47.902,72 – in verhouding tot het totaal van de facturen beperkt is.
5.18.
Het voorgaande maakt dat de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat DTT gehouden is mee te werken aan de controle van de broncode door een derde, ook al zijn haar facturen nog niet volledig betaald en is deze verplichting niet met zoveel woorden in de overeenkomst opgenomen. Door dit niet te doen, schiet DTT tekort in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst voor de App!pointmentapp.
5.19.
Dat DTT tijd moet besteden aan de controle van de broncode door een deskundige maakt dit niet anders.
Verzuim treedt in zonder ingebrekestelling
5.20.
Nu DTT in duidelijke bewoordingen heeft laten weten niet mee te werken aan onderzoek van de broncode door een deskundige doet zich de situatie voor als bedoeld in artikel 6:83 sub c BW Pro. En daarmee is sprake van verzuim zonder dat daaraan een ingebrekestelling vooraf moet gaan.
DTT kan zich niet beroepen op opschortingsrecht
5.21.
Voor zover DTT stelt dat zij niet hoeft mee te werken aan de beoordeling van de broncode door een deskundige omdat op het moment dat dit verzoek kwam sprake was van betalingsverzuim van App!pointment en [persoon A] , volgt de rechtbank DTT hierin niet. In de eis in artikel 6:52 BW Pro dat voldoende samenhang moet bestaan tussen de opeisbare vordering en de op te schorten verbintenis, ligt besloten dat de schuldeiser geen beroep op het opschortingsrecht toekomt wanneer dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Op het moment dat partijen spraken over de inschakeling van een deskundige om de broncode te beoordelen, hadden App!pointment en [persoon A] € 408.537,51 (productie E24) betaald aan DTT. Het nog openstaande bedrag bedraagt volgens DTT € 52.441,04 (volgens App!pointment en [persoon A] gaat het om een bedrag van € 47.902,72). Deze verhouding tussen de betaalde en onbetaalde facturen brengt met zich mee dat het beroep op het opschortingsrecht door DTT naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Tussen de tekortkoming van de zijde van App!pointment en [persoon A] en de verplichting van DTT om mee te werken aan de toetsing van de broncode bestaat daarom onvoldoende samenhang om de opschorting te rechtvaardigen.
App!pointment en [persoon A] mogen betalingsverplichtingen opschorten
5.22.
Het verzuim van DTT brengt met zich mee dat App!pointment en [persoon A] hun betalingsverplichtingen mogen opschorten (artikel 6:59 BW Pro). De vordering van DTT is daarom niet opeisbaar en haar vordering moet worden afgewezen.
5.23.
De overige stellingen van partijen in conventie hoeven gelet op het voorgaande geen bespreking.
Conclusie en proceskostenveroordeling
5.24.
DTT is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van APP!POINTMENT en [persoon A] worden begroot op:
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
5.764,00
in reconventie
5.25.
[persoon A] en App!pointment vorderen in reconventie een verklaring voor recht dat de overeenkomsten die [persoon A] sloot met DTT voor de ontwikkeling van de App!pointmentapp en Gotcha!app rechtsgeldig zijn ontbonden. [persoon A] stelt daartoe dat nu DTT weigert de broncode voor beide apps af te geven, de App!pointmentapp niet heeft opgeleverd, niet meewerkt aan het live gaan van beide apps en weigert mee te werken aan het laten controleren van de broncode voor de App!pointmentapp, DTT wanprestatie pleegt.
5.26.
DTT voert aan dat nu [persoon A] en App!pointment een betalingsachterstand hebben voor de facturen voor de App!pointmentapp, zij op grond van de twee overeenkomsten niet gehouden is tot afgifte van de broncodes. De App!pointmentapp is wel degelijk opgeleverd, aldus DTT en het niet live gaan van de apps is het gevolg van de keuze hiervoor door [persoon A] . Hij wilde de App!pointmentapp pas life laten gaan als ook alle nieuwe door hem gewenste functionaliteiten waren verwerkt De Gotcha-app heeft [persoon A] zelf uit de lucht gehaald. Ook heeft DTT erop gewezen dat zij niet in verzuim verkeert, nu zij niet in gebreke is gesteld, hetgeen aan toewijzing van de reconventionele vordering in de weg staat.
App!pointment en [persoon A] kunnen overeenkomsten ontbinden
5.27.
Uit hetgeen in conventie is overwogen, volgt dat DTT tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst voor de ontwikkeling van de App!pointmentapp, nu zij weigert mee te werken aan het laten controleren van de broncode voor de App!pointmentapp door een derde. Uit hetgeen in conventie is overwogen, volgt tevens dat DTT in verzuim is. DTT heeft niet aangevoerd dat de tekortkoming de ontbinding niet rechtvaardigt. De door App!pointment en [persoon A] gevraagde verklaring voor recht voor de App!pointmentapp kan daarom worden afgegeven (artikel 6:265 BW Pro).
5.28.
Dit betekent tevens dat DTT zonder rechtsgrond weigert de broncode voor de Gotcha-app af te geven. Voor zover DTT dit al mocht weigeren omdat App!pointment en [persoon A] een betalingsachterstand hadden ten aanzien van de App!pointmentapp, is deze bevoegdheid vervallen op het moment dat DTT in verzuim raakte ten aanzien van haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst voor de App!pointmentapp (artikel 6:61 lid 1 BW Pro). DTT schiet dus met haar weigering de broncode af te geven, tekort in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst voor de ontwikkeling van de Gotcha-app.
5.29.
[persoon A] heeft op 11 juni 2022, 25 november 2022 en 7 december 2022 (productie E7) aan DTT gevraagd om de broncode voor Gotcha af te geven. DTT heeft in reactie hierop laten weten dat zij de broncode af zal geven als is voldaan aan ‘de afspraken uit de ontwikkelovereenkomst’. Uit de door DTT in deze procedure gegeven toelichting blijkt dat DTT hiermee bedoelt dat zij de broncode voor Gotcha wil afgeven op het moment dat de betalingsachterstanden voor de App!pointmentapp zijn ingelopen. Daarmee doet zich de situatie voor als bedoeld in artikel 6:83 sub c BW Pro. Uit de mededelingen van DTT kan worden afgeleid dat zij in de nakoming van haar verplichting tot afgifte van de broncode tekort zou schieten zolang niet alle facturen voor de App!pointmentapp waren betaald. DTT verkeert dan ook in verzuim zonder dat daaraan een ingebrekestelling vooraf moest gaan. De e-mail van [persoon A] van 6 juni 2023 (productie E19) maakt dit niet anders. [persoon A] doet in deze e-mail geen afstand van zijn aanspraak op de broncode voor Gotcha. Hij schrijft alleen dat hij de broncode niet meer zo snel mogelijk wil verkrijgen.
5.30.
Dit betekent dat de eis in reconventie ook kan worden toegewezen voor zover deze ziet op de Gotcha-app (artikel 6:265 BW Pro).
5.31.
De overige stellingen van partijen in reconventie hoeven gelet op het voorgaande geen bespreking.
Conclusie en proceskostenveroordeling
5.32.
De eis in reconventie wordt toegewezen.
5.33.
DTT is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van App!pointment en [persoon A] worden begroot op:
- salaris advocaat
653,00
(1 punt × € 653,00)
- nakosten
107,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
760,00

6.De beslissing

De rechtbank
in conventie:
6.1.
wijst de vorderingen van DTT Multimedia B.V. af;
6.2.
veroordeelt DTT Multimedia B.V. in de proceskosten van € 5.764,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
in reconventie
6.3.
verklaart voor recht dat de overeenkomsten gesloten tussen [persoon A] en DTT Multimedia B.V. d.d. 11 november 2015 (App!pointment) en 10 september 2018 (Gotcha) zijn ontbonden;
6.4.
veroordeelt DTT Multimedia B.V. in de proceskosten van € 760,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
in conventie en in reconventie
6.5.
veroordeelt DTT Multimedia B.V. tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als DTT Multimedia B.V. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
6.6.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.2, 6.4 en 6.5 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. K. Baetsen. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.