ECLI:NL:RBROT:2026:8115

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
11700698 CV EXPL 25-2055
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • D. Greve
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BWArt. 6:82 lid 1 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 237 Rv
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aannemer aansprakelijk voor lekkage en schadevergoeding na gebrekkige kapschuur

De zaak betreft een geschil tussen een opdrachtgever en een aannemer over een geplaatste kapschuur die lekkage vertoonde. De aannemer heeft geprobeerd de lekkage te herstellen, maar zonder succes. Nadat de aannemer niet binnen een redelijke termijn de lekkage verholpen had, schakelde de opdrachtgever een derde partij in die het probleem oploste.

De kantonrechter stelt vast dat de lekkage een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst is, waarvoor de aannemer schriftelijk in gebreke is gesteld en in verzuim is geraakt. De aannemer kan de tekortkoming niet ontlopen door te wijzen op de fundering die door een derde partij is aangebracht, aangezien de lekkage ook aan de dakconstructie lag, waarvoor de aannemer verantwoordelijk is.

De rechter wijst de vordering van de opdrachtgever tot schadevergoeding van € 4.101,90 toe en wijst de tegenvordering van de aannemer af, omdat de herstelwerkzaamheden niet succesvol waren. Daarnaast worden incassokosten en wettelijke rente toegewezen, en wordt het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De aannemer wordt tevens veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: De aannemer wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding, rente, incassokosten en proceskosten wegens toerekenbare tekortkoming door lekkage in de kapschuur.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Dordrecht
zaaknummer: 11700698 CV EXPL 25-2055
datum uitspraak: 21 mei 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[persoon A],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser in conventie,
gedaagde in reconventie,
gemachtigde: mr. S.S.R. Greven,
tegen
[bedrijf B],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
gemachtigde: mr. P.H. Huth.
De partijen worden hierna ‘ [persoon A] ’ en ‘ [bedrijf B] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 1 mei 2025, met bijlagen;
  • het antwoord met eis in reconventie (tegeneis), met bijlagen;
  • de brief van [persoon A] van 8 oktober 2025, met bijlage;
  • de brief van [bedrijf B] van 4 maart 2026, met bijlage.
1.2.
Op 26 maart 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: [persoon A] , met zijn echtgenote [persoon C] en zijn gemachtigde, [persoon D] en [persoon E] namens [bedrijf B] en haar gemachtigde.

2.De beoordeling

Wat is de kern?
2.1.
[bedrijf B] heeft een kapschuur geplaatst bij [persoon A] . Na het plaatsen kreeg [persoon A] te maken met lekkage in de kapschuur. [bedrijf B] heeft de lekkage geprobeerd te herstellen, maar dat is niet gelukt. Nadat [bedrijf B] nog een laatste keer in de gelegenheid was gesteld om te herstellen, heeft [persoon A] een andere partij ingeschakeld, [bedrijf F] . (hierna ‘ [bedrijf F] ’). [bedrijf F] heeft de lekkage verholpen. [persoon A] eist in deze procedure € 4.101,90 van [bedrijf B] aan schadevergoeding voor het werk dat door [bedrijf F] is uitgevoerd, met rente en kosten.
[bedrijf B] voert als verweer aan dat zij niet verplicht is de (volledige) schade van [persoon A] te vergoeden, omdat de fundering onder de kapschuur de oorzaak is van de lekkage en zij die fundering niet heeft gemaakt. [bedrijf B] eist daarom van [persoon A] € 999,00 voor door haar uitgevoerde (herstel)werkzaamheden, met rente.
2.2.
De kantonrechter wijst de eis van [persoon A] toe. De eis van [bedrijf B] wordt afgewezen. Deze beslissingen worden hierna uitgelegd.
[bedrijf B] moet € 4.101,90 schadevergoeding betalen
2.3.
De lekkage in de kapschuur is een tekortkoming, want in de kapschuur hoefde [persoon A] geen lekkage te verwachten. Om bij een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis schadevergoeding te kunnen vorderen moet de schuldenaar schriftelijk in gebreke worden gesteld waarbij een redelijke mogelijkheid wordt geboden voor nakoming en nakoming binnen deze termijn uitblijft (artikelen 6:74 jo. 6:82 lid 1 BW), tenzij nakoming blijvend onmogelijk is.
2.4.
[persoon A] heeft [bedrijf B] op 17 mei 2023 in gebreke gesteld, waarbij [bedrijf B] de redelijke mogelijkheid is geboden om binnen 15 dagen de lekkage te herstellen. [bedrijf B] heeft de lekkage niet verholpen. [bedrijf B] verkeerde daarom in verzuim. Omdat [bedrijf B] in verzuim was heeft [persoon A] recht op schadevergoeding in plaats van nakoming. In zijn brief van 21 november 2023 en in de dagvaarding heeft [persoon A] aan [bedrijf B] medegedeeld dat hij schadevergoeding in plaats van nakoming vordert. [persoon A] heeft de lekkage laten herstellen voor € 4.101,90. [bedrijf B] moet € 4.101,90 aan schadevergoeding aan [persoon A] betalen, tenzij haar verweer slaagt.
Tekortkoming wel toerekenbaar
2.5.
[bedrijf B] voert als verweer aan dat de tekortkoming niet aan haar kan worden toegerekend omdat de fundering door een derde partij is gestort en de lekkage daardoor werd veroorzaakt.
2.6.
[bedrijf F] heeft de lekkage opgelost. [bedrijf F] heeft schriftelijk verklaard dat tijdens het herstel bleek dat het water ook aan de binnenkant van het dak naar binnen liep en dat er onder andere aanpassingen aan de dakconstructie van de kapschuur zijn uitgevoerd. [bedrijf B] betwist niet dat de lekkage is opgelost door [bedrijf F] . Verder blijkt nergens uit dat de oorzaak van de lekkage was gelegen in de fundering. De tekortkoming moet daarom aan [bedrijf B] worden toegerekend.
2.7.
[bedrijf B] heeft nog aangevoerd dat zij niet in de gelegenheid is gesteld om het dak van de kapschuur te herstellen op het moment dat bleek dat daar de oorzaak van de lekkage zat. [bedrijf B] verkeerde al in verzuim voordat [bedrijf F] de herstelwerkzaamheden heeft uitgevoerd, zodat [persoon A] [bedrijf B] niet nog een keer de gelegenheid hoefde te geven om tot herstel over te gaan.
[persoon A] hoeft geen € 999,00 te betalen
2.8.
[bedrijf B] heeft niet betwist dat aan de afspraak van het uitvoeren van (herstel)werkzaamheden voor € 999,00 door [persoon A] de voorwaarde was verbonden dat de lekkage daarmee verholpen zou zijn. Vaststaat dat de lekkage niet is verholpen door [bedrijf B] . Er is daarmee geen betalingsverplichting voor [persoon A] ontstaan.
[persoon A] hoeft de factuur van [bedrijf B] van € 999,00 niet te betalen en de tegeneis van [bedrijf B] wordt daarom afgewezen. Bij een afzonderlijke verklaring voor recht heeft [persoon A] dus geen belang.
[bedrijf B] moet incassokosten van € 535,19 betalen
2.9.
De incassokosten van € 535,19 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW Pro).
[bedrijf B] moet rente betalen
2.10.
[persoon A] vordert wettelijke rente vanaf 14 dagen vanaf het vonnis. Dat is toewijsbaar. De vordering onder ‘iv.’ vermeld geen andere ingangsdatum zodat deze vordering verder onbesproken kan blijven.
[bedrijf B] moet de proceskosten betalen
2.11.
De proceskosten komen voor rekening van [bedrijf B] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [bedrijf B] aan [persoon A] moet betalen op:
In conventie:
  • € 149,02 aan dagvaardingskosten;
  • € 257,00 aan griffierecht;
  • € 542,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 271,00); en
  • € 135,00 aan nakosten.
In reconventie:
- € 135,00 € 135,00 aan salaris voor de gemachtigde (1 punt x € 135,00).
Dat is in totaal € 1.083,02 in conventie en in totaal € 135,00 in reconventie. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.20.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (zowel in conventie als in reconventie), omdat [persoon A] dat eist en [bedrijf B] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
In conventie
3.1.
veroordeelt [bedrijf B] om aan [persoon A] te betalen € 4.637,09 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 4.101,90 vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [bedrijf B] in de proceskosten, die aan de kant van [persoon A] worden vastgesteld op € 1.083,02;
In reconventie
3.3.
wijst de vorderingen van [bedrijf B] af;
3.4.
veroordeelt [bedrijf B] in de proceskosten, die aan de kant van [persoon A] worden vastgesteld op € 135,00;
In conventie en in reconventie
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. D. Greve en in het openbaar uitgesproken.
67379