ECLI:NL:RBROT:2026:8124

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
11756054 CV EXPL 25-2493
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • D. Greve
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 237 RvArt. 6:119 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot terugbetaling afgewezen wegens ontbreken geldleningsovereenkomst

Eiser vordert terugbetaling van €8.000 die hij op 14 mei 2024 aan gedaagde heeft gegeven, stellende dat dit een geldlening betrof met terugbetaling uiterlijk 1 augustus 2024. Gedaagde betwist dit en stelt dat het een (winst)uitkering was.

Partijen waren oud-collega's en hadden een samenwerking met een onderneming waarbij winstverdeling was afgesproken. Omdat het geld op de G-rekening geblokkeerd was, leende eiser €8.000 bij zijn schoonvader en gaf dit aan gedaagde, met de afspraak dat dit verrekend zou worden met de €10.000 die later beschikbaar kwam.

Eiser kon echter niet aantonen dat er een geldleningsovereenkomst was gesloten; gedaagde had deze niet ondertekend en ontkende het bestaan ervan. De kantonrechter oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs leverde en wees de vordering af. Eiser werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot terugbetaling van €8.000 wordt afgewezen wegens ontbreken van een geldleningsovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Dordrecht
zaaknummer: 11756054 CV EXPL 25-2493
datum uitspraak: 2 juli 2026 (bij vervroeging)
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde: Juristu Incasso Juristen B.V.,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. G. Sarier.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 26 juni 2025, met bijlagen;
  • het antwoord, met bijlagen;
  • de brief van 29 mei 2026 van [eiser] , met bijlage.
1.2.
Op 11 juni 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: [eiser] , [gedaagde] en de gemachtigden.

2.De beoordeling

Wat is de kern?
2.1.
[gedaagde] heeft op 14 mei 2024 een bedrag van € 8.000,00 van [eiser] gekregen. [eiser] stelt dat hij dit bedrag aan [gedaagde] heeft geleend en dat [gedaagde] dit bedrag voor 1 augustus 2024 moest terugbetalen. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan, dus vordert [eiser] in deze procedure terugbetaling. [gedaagde] zegt dat dit bedrag een (winst)uitkering was.
2.2.
De kantonrechter wijst de eis van [eiser] af. Deze beslissing wordt hierna uitgelegd.
Geen overeenkomst van geldlening
2.3.
[eiser] heeft op 14 mei 2024 een bedrag van € 8.000,00 contant aan [gedaagde] gegeven. [eiser] heeft toegelicht dat er een schriftelijke ‘overeenkomst van geldlening’ is getekend door [gedaagde] en dat hij dit geld dus aan [gedaagde] heeft geleend.
[gedaagde] kent de schriftelijke overeenkomst niet en heeft deze ook niet getekend. [gedaagde] heeft toegelicht dat er voor hem ook geen reden was om een geldleningsovereenkomst te sluiten, omdat hij recht had op een (winst)uitkering.
2.4.
Partijen zijn oud-collega’s van elkaar die een samenwerking zijn aangegaan, waarbij ook de heer [persoon A] (hierna ‘ [persoon A] ’) betrokken was. Er is een onderneming ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Afgesproken is dat [gedaagde] 60% van de winst zou krijgen, [eiser] 20% en [persoon A] ook 20%. Er stond op enig moment € 10.000,00 op de G-rekening van de onderneming en dit bedrag zou in de verhouding van 60-20-20 (€ 6.000,00-€ 2.000,00-€ 2.000,00) worden verdeeld. Omdat eerst een deblokkering van de G-rekening moest worden aangevraagd en [gedaagde] het geld meteen nodig had, heeft [eiser] € 8.000,00 geleend bij zijn schoonvader. Dit geld heeft hij aan [gedaagde] gegeven: € 6.000,00 voor [gedaagde] en € 2.000,00 voor [persoon A] . [eiser] , [gedaagde] en [persoon A] hebben daarbij afgesproken dat de € 8.000,00 door [eiser] kon worden verrekend met de € 10.000,00 die beschikbaar zou komen vanaf de G-rekening. Op 8 juni 2024 kwam het bedrag van € 10.000,00 beschikbaar. [eiser] heeft niet verrekend. Over deze gang van zaken bestaat tussen partijen geen discussie.
2.5.
Gelet op de betwisting door [gedaagde] dat hij een overeenkomst van geldlening heeft getekend en de daarop door hem gegeven toelichting, lag het op de weg van [eiser] om zijn stelling nader te onderbouwen. Dat heeft hij niet gedaan. Aan bewijslevering door [eiser] wordt daarom niet toegekomen. Ook heeft [eiser] niet gesteld dat [gedaagde] – achteraf bezien – geen recht had op het eerder aan hem gegeven bedrag of dat daarover nog nadere afspraken zijn gemaakt.
2.6.
Er komt daarom niet vast te staan dat tussen partijen een overeenkomst van geldlening is gesloten. Dat betekent dat de vordering van [eiser] in het geheel wordt afgewezen.
[eiser] moet de proceskosten betalen
2.7.
De proceskosten komen voor rekening van [eiser] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [eiser] aan [gedaagde] moet betalen op:
  • € 678,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 339,00); en
  • € 135,00 aan nakosten.
Dat is in totaal € 813,00. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de vordering van [eiser] af;
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 813,00 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. D. Greve en in het openbaar uitgesproken.
67379