Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.De procedure
2.De feiten
- [persoon C] (hierna: [persoon C] ) op 24 april 2025, laatstelijk werkzaam geweest als [functie 1] ;
- [persoon D] (hierna: [persoon D] ) op 26 april 2025, laatstelijk werkzaam geweest als [functie 2] ;
- [persoon E] (hierna: [persoon E] ) op 28 april 2025, laatstelijk werkzaam geweest als [functie 3] ;
- [persoon F] (hierna: [persoon F] ) op 29 april 2025, laatstelijk werkzaam als [functie 4] ;
- [persoon G] (hierna: [persoon G] ) op 29 april 2025, laatstelijk werkzaam geweest als [functie 2] ;
- [persoon H] (hierna: [persoon H] ) op 29 april 2025, laatstelijk werkzaam geweest als [functie 2] ;
- [persoon I] (hierna: [persoon I] ) op 29 april 2025, laatstelijk werkzaam geweest als [functie 2] .
- [persoon H] , [persoon G] en [persoon I] hun concurrentiebeding moeten nakomen en tot 1 januari 2026 geen andere arbeidsverhouding mogen aangaan met of werkzaamheden mogen verrichten voor Burger Ferry die in strijd zijn met het concurrentiebeding;
- [persoon H] , [persoon G] en [persoon I] hun concurrentiebeding hebben geschonden en daardoor een boete moeten betalen aan BFA;
- Burger Ferry binnen 24 uur na betekening van het vonnis geen (direct of indirect) gebruik mag maken van de diensten en/of werkzaamheden van de voornoemde werknemers;
- het concurrentiebeding tussen BFA en de voornoemde werknemers wordt geschorst vanaf 1 januari 2026.
3.Het verzoek en het verweer
- i) een voorlopig getuigenverhoor te bevelen, waarvoor zij de tien door haar aangedragen getuigen wil horen,
- ii) te bevelen dat Burger Ferry inzage in bepaalde gegevens moet verstrekken aan BFA, op straffe van een dwangsom,
- iii) Burger Ferry te veroordelen in de proceskosten.
Wij zijn terug... Ferry is coming home!”, is verzonden, alsmede een toelichting op de wijze waarop Burger Ferry over deze adresgegevens is komen te beschikken;
Maak kennis met onze nieuwe collega’s!” is verzonden, alsmede een toelichting op de wijze waarop Burger Ferry over deze adresgegevens is komen te beschikken;
fishing expeditionheeft. Ten derde moet het verzoek worden afgewezen, omdat BFA stelt dat zij haar vermoedens wil verifiëren en haar procespositie wil bepalen door middel van het verzoek. Daarvoor is een voorlopige bewijsverrichting niet bedoeld. Ten vierde heeft BFA nagelaten om te specificeren aan welke getuige zij welke vragen wil stellen, wat erop wijst dat er geen concreet bewijs is voor de vermoedens van BFA. Burger Ferry merkt daarnaast op dat [persoon B] niet in dienst is bij haar.
4.De beoordeling
fishing expeditionis dan ook geen sprake. Burger Ferry stelt dat haar niets te verwijten valt, maar die vraag ligt niet in deze procedure voor. Voor afwijzing van het verzoek zou op dit punt alleen reden kunnen zijn als volstrekt evident is dat BFA geen vordering op Burger Ferry heeft, maar die situatie doet zich hier niet voor. Of BFA een vordering toekomt, is namelijk mede afhankelijk van de uitkomsten van het voorlopig getuigenverhoor. Van strijd met de goede procesorde, zoals Burger Ferry dat stelt, is geen sprake. Burger Ferry heeft dit ook niet voldoende onderbouwd.
Wat betreft de onderdelen h) en k) is de rechtbank van oordeel dat toewijzing van die onderdelen ertoe zou leiden dat in vergaande mate inzicht wordt verkregen in de commerciële keuzes en strategie die Burger Ferry kiest. Omdat sprake is van directe concurrentie in een beperkte markt moeten er zeer concrete vermoedens zijn om te rechtvaardigen dat inzage moet worden gegeven in dergelijke commercieel zeer gevoelige informatie. De vermoedens die BFA heeft zijn daarvoor niet concreet genoeg, zodat er ook in zoverre onvoldoende belang is. Wat betreft onderdeel j) bestaat er onvoldoende belang omdat BFA al forensisch onderzoek heeft gedaan en niet duidelijk heeft gemaakt dat daarbij is vastgesteld dat er daadwerkelijk bedrijfsinformatie van het netwerk van BFA is ‘meegenomen’ door haar voormalige werknemers. De overige onderdelen van het verzoek zijn wel toewijsbaar. Die onderdelen zijn voldoende concreet en afgebakend en houden voldoende verband met het vermoeden van BFA dat zij door middel van inzage wil onderzoeken.