ECLI:NL:RBROT:2026:8133

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
C/10/713332 / HA RK 26-34
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 196 RvArt. 196 lid 2 sub c RvArt. 197 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopig getuigenverhoor in hoger beroepsprocedure huurovereenkomst

Verzoekster huurt sinds 1996 een woning van Woonstad Rotterdam. Woonstad startte een bodemprocedure om de huurovereenkomst te ontbinden omdat verzoekster volgens hen geen hoofdverblijf heeft in de woning en deze zonder toestemming aan derden zou hebben gegeven. De kantonrechter ontbond de huurovereenkomst en veroordeelde verzoekster tot ontruiming. Verzoekster ging in hoger beroep en vroeg de rechtbank om een voorlopig getuigenverhoor te gelasten om aanvullend bewijs te verkrijgen.

De rechtbank overweegt dat een voorlopig getuigenverhoor alleen kan worden gelast voorafgaand aan een procedure en niet tijdens een lopende procedure, om te voorkomen dat procedures elkaar doorkruisen. Verzoekster had in eerste aanleg afgezien van een contra-enquête en had ook in hoger beroep de mogelijkheid om getuigen te horen, maar had dit niet tijdig gedaan.

De rechtbank oordeelt dat het verzoek in strijd is met de goede procesorde en dat het hoger beroep al te ver gevorderd is om nog een voorlopig getuigenverhoor toe te staan. Het verzoek wordt daarom afgewezen en verzoekster wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor wordt afgewezen wegens strijd met de goede procesorde.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/713332 / HA RK 26-34
Beschikking van 18 juni 2026
in de zaak van
[verzoekster],
wonend in [woonplaats] ,
verzoekster,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
advocaat: mr. M.P. Harten,
tegen
de stichting
STICHTING WOONSTAD ROTTERDAM,
gevestigd in Rotterdam,
verweerster,
hierna te noemen: Woonstad,
advocaat: mr. R. van der Hoeff.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, met producties 1 tot en met 3, ingekomen ter griffie op 13 januari 2026,
- het verweerschrift, ingekomen ter griffie op 16 januari 2026,
- de oproepingsbrieven van 16 april 2026,
- de mail van mr. Van der Hoeff van 30 april 2026,
- de mail van mr. Van der Hoeff van 4 mei 2026,
- de mail van mr. Harten van 13 mei 2026,
- de mail van de rechtbank aan partijen van 18 mei 2026,
- de mondelinge behandeling van 1 juni 2026 en de daarbij overgelegde spreekaantekeningen van mr. Harten.

2.De feiten

2.1.
[verzoekster] huurt sinds 1996 een woning van Woonstad aan [adres] in [plaats] (hierna: de woning).
2.2.
Naar aanleiding van meldingen uit de familiesfeer heeft Woonstad een onderzoek ingesteld naar het hoofdverblijf van [verzoekster] .
2.3.
Woonstad is bij de kantonrechter van deze rechtbank een bodemprocedure gestart tegen [verzoekster] om de huurovereenkomst te ontbinden en de woning te laten ontruimen, omdat [verzoekster] volgens Woonstad geen hoofdverblijf heeft in de woning en zij de woning zonder toestemming in gebruik heeft gegeven aan derden.
2.4.
De kantonrechter heeft in zijn tussenvonnis van 16 mei 2025 bewijsopdrachten gegeven aan Woonstad. Naar aanleiding daarvan zijn er getuigen gehoord die door Woonstad zijn opgegeven.
2.5.
Na afloop van het getuigenverhoor heeft [verzoekster] afgezien van een contra-enquête.
2.6.
De kantonrechter heeft in zijn eindvonnis van 5 december 2025 – voor zover relevant – de huurovereenkomst ontbonden en [verzoekster] veroordeeld om de woning te ontruimen.
2.7.
[verzoekster] is in hoger beroep gegaan tegen de vonnissen van de kantonrechter. In hoger beroep is inmiddels een memorie van grieven en een memorie van antwoord genomen.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoekster] heeft de rechtbank – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – verzocht om een getuigenverhoor te bevelen, met een proceskostenveroordeling.
3.2.
Het verzoek strekt tot het verkrijgen van aanvullend en verduidelijkend bewijs ten behoeve van het door [verzoekster] ingestelde hoger beroep tegen de vonnissen van de kantonrechter.
3.3.
[verzoekster] wil met het horen van getuigen het volgende bewijzen:
  • dat zij sinds 1996 haar hoofdverblijf heeft in de woning;
  • dat tijdelijk verblijf elders (onder meer tijdens verbouwingen of bij haar echtgenoot) het hoofdverblijf niet doorbreekt;
  • dat verklaringen afkomstig uit de familiesfeer van [verzoekster] zijn ingegeven door een ernstig familieconflict en persoonlijke animositeit;
  • dat verklaringen van medewerkers van Woonstad moeten worden aangemerkt als partijgetuigenverklaringen met beperkte bewijskracht;
  • dat het door Woonstad uitgevoerde onderzoek onvolledig, moment-gebonden en suggestief is geweest;
  • dat meerdere directe buren [verzoekster] structureel en duurzaam in de woning waarnemen.
3.4.
[verzoekster] verzoekt om minimaal elf getuigen te horen, van wie de namen in haar verzoekschrift staan vermeld, en wil daarnaast ook overige directe buren van [straat] horen. Een deel van de opgegeven getuigen is al door de kantonrechter gehoord.
3.5.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] subsidiair verzocht om alleen de elf bij naam genoemde getuigen te horen over de volgende onderwerpen:
  • de feitelijke waarnemingen omtrent het hoofdverblijf van [verzoekster] ;
  • de context en invloed van het familieconflict op eerder afgelegde verklaringen;
  • de wijze waarop Woonstad haar onderzoek heeft verricht;
  • de volledigheid, betrouwbaarheid en evenwichtigheid van de eerder afgelegde verklaringen.
3.6.
Woonstad verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe het volgende aan. Volgens Woonstad is het onduidelijk waarom [verzoekster] getuigen via een voorlopig getuigenverhoor wil horen. In de bodemprocedure in eerste aanleg is [verzoekster] in de gelegenheid gesteld om getuigen op te roepen, waarvan zij heeft afgezien. Het gerechtshof kan [verzoekster] in de hoger beroepspocedure in de gelegenheid stellen om alsnog getuigen op te roepen. Toewijzing van het verzoek zou de behandeling van het beroepschrift op onaanvaardbare wijze doorkruisen en het gerechtshof zou moeten oordelen over de bewijslevering. Hoewel het verzoek tijdig is ingediend, is het vanwege de korte periode tussen de indiening daarvan en de betekening van de dagvaarding in hoger beroep in strijd met de goede procesorde. Het is ook in strijd met de goede procesorde om getuigen opnieuw aan de tand te voelen in het kader van dezelfde bewijsopdracht, nadat de kantonrechter daarover heeft geoordeeld. [verzoekster] maakt misbruik van procesrecht, omdat zij in hoger beroep ook heeft verzocht om de getuigen te horen die zij in deze procedure wil horen. Bovendien is het verzoek onvoldoende bepaald voor zover wordt verzocht om de overige directe buren aan [straat] te horen.

4.De beoordeling

4.1.
Met ingang van 1 januari 2025 is het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) aangepast als gevolg van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht. Voordat een zaak aanhangig is, kan een belanghebbende partij op grond van artikel 196 Rv Pro de rechter verzoeken een of meer voorlopige bewijsverrichtingen te bevelen, waaronder een voorlopig getuigenverhoor. De formele vereisten waaraan een dergelijk verzoek moet voldoen staan in artikel 197 Rv Pro. Het voorlopig getuigenverhoor biedt een partij die een procedure overweegt de mogelijkheid om zekerheid te verkrijgen over de voor de beslissing van het geschil relevante feiten en omstandigheden, die met een getuigenverhoor bewezen kunnen worden. Op basis daarvan kan door deze partij dan beter worden beoordeeld of het raadzaam is de procedure te starten.
4.2.
Op grond van artikel 196 Rv Pro kan de rechter voordat een zaak aanhangig is op verzoek van een belanghebbende een voorlopig getuigenverhoor bevelen in de gevallen waarin bij de wet het bewijs door getuigen is toegelaten. De rechter wijst een dergelijk verzoek toe, tenzij hij van oordeel is dat:
- dat de informatie die wordt verlangd, niet voldoende is bepaald;
- er onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat;
- het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde;
- er sprake is van misbruik van bevoegdheid; of
- als er andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is het verzoek van [verzoekster] tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor in strijd met de goede procesorde, zodat het moet worden afgewezen. De rechtbank legt dit hierna uit.
4.4.
Met de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht heeft de wetgever uitgesloten dat tijdens de hoofdprocedure voorlopige bewijsverrichtingen kunnen worden verzocht. Dit heeft tot doel te bevorderen dat eventuele aanvullende verzoeken om informatie of bewijs, te verkrijgen in een lopende procedure, gezamenlijk met de inhoudelijke behandeling worden beoordeeld. Daarmee wordt voorkomen dat verschillende, elkaar doorkruisende procedures over nagenoeg hetzelfde feitencomplex ontstaan. Dat betekent dat een voorlopige bewijsverrichting alleen kan worden verzocht voorafgaande aan een procedure en dus niet meer tijdens een al lopende procedure. In die fase zijn partijen aangewezen op verzoeken aan de behandelend rechter om bewijs te mogen leveren. Deze beperking hangt samen met de gedachte dat partijen alle voor de procedure relevante informatie zo veel mogelijk voorafgaand aan de procedure verzamelen en meteen bij aanvang van de procedure aan de rechter voorleggen.
4.5.
De rechtbank stelt vast dat in deze procedure het verzoekschrift eerder is ingediend dan de dagvaarding in hoger beroep. Formeel is er daarmee geen grond om het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren. De rechtbank ziet echter een gebrek aan doelmatig procesgedrag aan de zijde van [verzoekster] . Daarbij speelt een rol dat [verzoekster] in eerste aanleg heeft afgezien van een contra-enquête, terwijl zij nu (deels) dezelfde getuigen wil horen die toen al gehoord zijn. Dat zij heeft afgezien van een contra-enquête op advies van haar vorige advocaat en dat dat een verkeerde inschatting is geweest, komt voor haar eigen risico. Daarnaast had [verzoekster] , zoals volgt uit de door haar aangehaalde appelrechtspraak, ook de mogelijkheid om in hoger beroep te verzoeken om een voorlopig getuigenverhoor. Dat heeft zij nagelaten, terwijl dat gezien de beginselen van een goede procesorde meer op zijn plaats was geweest. De verschillende uitspraken waarnaar [verzoekster] verwijst in haar spreekaantekeningen gaan niet over een situatie die vergelijkbaar is met deze zaak, waarin wordt verzocht om een voorlopig getuigenverhoor bij de rechtbank in het kader van een lopende hoger beroepsprocedure. Bovendien heeft [verzoekster] nog steeds de mogelijkheid om een getuigenverhoor te verzoeken bij dezelfde instantie die het bewijs zal moeten beoordelen, namelijk het gerechtshof.
4.6.
Nu bovendien de memorie van grieven en de memorie van antwoord in hoger beroep al zijn ingediend, acht de rechtbank de hoger beroepsprocedure in een te vergevorderd stadium om ten behoeve daarvan nog een voorlopig getuigenverhoor te gelasten. Bij toewijzing van dit verzoek ontstaat het risico op een doorkruising van de hoger beroepsprocedure. Bovendien verdient het in dit stadium de voorkeur dat bewijsverrichtingen worden uitgevoerd bij de rechter die uiteindelijk ook over het bewijs moet oordelen. De voorgaande omstandigheden leiden tot de conclusie dat het verzoek vanwege strijd met de goede procesorde moet worden afgewezen.
4.7.
Het verzoek wordt dus afgewezen. [verzoekster] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst het verzoek af;
5.2.
veroordeelt [verzoekster] in de kosten van deze procedure en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van Woonstad op € 735,00 aan griffierecht en op € 1.306,00 (2 punten x tarief II) aan salaris advocaat;
5.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Rop en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.