ECLI:NL:RBROT:2026:8152

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
C/10/696824 / HA ZA 25-275
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • C. Sikkel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:1002 BWArt. 8:1003 BWArt. 8:1004 BWArt. 6:101 BWArt. 6:119 BW
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid schipper voor schade aan sluisdeuren door schadevaring met deels eigen schuld sluiswachter

De schipper van het binnenvaartschip Seceda is op 6 februari 2023 tegen de sluisdeuren van de gemeente Waalwijk gevaren, waardoor aanzienlijke schade ontstond. De gemeente vordert schadevergoeding omdat de schipper door rood sein zou zijn gevaren, wat de schipper betwist en stelt dat hij toestemming had van de sluiswachter.

De rechtbank stelt vast dat het sein op rood stond en dat de schipper door rood sein is gevaren, wat een fout oplevert volgens het Binnenvaartpolitiereglement. De schipper mocht niet afgaan op de vermeende toestemming van de sluiswachter, die per abuis de sluisdeuren sloot terwijl hij de afspraak met de schipper was vergeten.

De rechtbank oordeelt dat zowel de schipper als de sluiswachter schuld hebben aan de schade, waarbij 70% van de schuld bij de sluiswachter ligt. De schipper wordt veroordeeld tot betaling van 30% van de schade, verminderd met een voordeel dat de gemeente geniet door uitgestelde vervanging van hydrauliekcilinders. Daarnaast worden wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten toegewezen, terwijl proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: De schipper wordt veroordeeld tot betaling van 30% van de schade aan de gemeente, met 70% eigen schuld van de sluiswachter.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/10/696824 / HA ZA 25-275
Vonnis van 29 april 2026
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE WAALWIJK,
gevestigd te Waalwijk,
eiseres,
advocaat: mr. H.X. Botter,
tegen
[gedaagde], handelend onder de naam [handelsnaam] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat: mr. P.E. van Dam.
Partijen worden hierna ‘de Gemeente’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 21 maart 2025 met producties 1 tot en met 12
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 5
- de brief van 25 mei 2025 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de akte overleggen nadere producties van de Gemeente met producties 13 en 14
- de mondelinge behandeling gehouden op 6 oktober 2025
- de spreekaantekeningen van mr. N.C.H. Vrijsen (advocaat van de Gemeente)
- de spreekaantekeningen van mr. P.E. van Dam.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De zaak in het kort

[gedaagde] is met zijn schip de Seceda tegen de deuren van de schutsluis van de gemeente Waalwijk gevaren, waardoor schade is ontstaan. De Gemeente houdt [gedaagde] aansprakelijk omdat hij door rood sein is gevaren en vordert vergoeding van de schade. [gedaagde] betwist dat hij door rood sein is gevaren en voert aan dat de sluiswachter tegen hem had gezegd dat hij de sluisdeuren open zou laten staan. De rechtbank beslist dat [gedaagde] /de Seceda schuld heeft aan de schadevaring en dat er sprake in van 70 procent eigen schuld van de sluiswachter (die in dienst is van de Gemeente).

3.De feiten

3.1.
De Gemeente is eigenaar van de schutsluis tussen de Waalwijkse (binnen)haven en de rivier de Bergsche Maas (hierna: de sluis). De Gemeente heeft sluiswachters in dienst die de sluisdeuren van de sluis bedienen. De sluiskolk biedt ruimte aan één binnenvaartschip.
3.2.
[gedaagde] is schipper, eigenaar en exploitant van het binnenvaartschip de Seceda.
3.3.
Op 6 februari 2023 omstreeks 06.45 uur is de Seceda tegen de dichtgaande sluisdeuren van de sluis aangevaren, waardoor deze zijn beschadigd.

4.Het geschil

4.1.
De Gemeente vordert - samengevat - om [gedaagde] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen tot betaling van € 159.781,45 [1] aan schadevergoeding, € 904,00 aan buitengerechtelijke kosten en tot betaling van proces- en nakosten, alles te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van de Gemeente - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - in de proceskosten. [gedaagde] betwist dat hij aansprakelijk is en betwist dat sprake is van causaal verband.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
De Gemeente grondt haar vordering op schadevaring (artikel 8:1002) en stelt dat de schade aan de sluisdeuren is veroorzaakt door schuld van de Seceda (artikel 8:1004 BW Pro). [gedaagde] is door rood sein gevaren en heeft niet alle voorzorgsmaatregelen genomen die volgens goed zeemanschap zijn geboden om te voorkomen dat er schade werd veroorzaakt aan de sluis.
5.2.
[gedaagde] wijst aansprakelijkheid van de hand. Hij betwist dat hij door rood sein is gevaren. Bovendien had de sluiswachter hem toestemming gegeven om de sluis in te varen, nadat een tegemoetkomend schip, de Sabbia, de sluis had verlaten. Hij had gezegd dat hij de sluisdeuren open zou laten staan. In die zin is ook sprake van eigen schuld van de Gemeente.
5.3.
De Gemeente maakt aanspraak op een bedrag van € 159.781,45 aan schadevergoeding. Tussen partijen is in geschil of [gedaagde] voor deze schade van de Gemeente aansprakelijk is.
wettelijk kader
5.4.
De Gemeente grondt de aansprakelijkheid van [gedaagde] op de artikelen 8:1002 en 8:1004 BW.
5.5.
Partijen zijn het er over eens dat ter plaatse het Binnenvaartpolitiereglement (hierna: BPR) geldt. De relevante artikelen uit het BPR luiden als volgt:
Artikel 1.04:
De schipper moet, ook bij ontbreken van uitdrukkelijke voorschriften in dit reglement, alle voorzorgsmaatregelen nemen die volgens goede zeemanschap of door de omstandigheden waarin het schip of het samenstel zich bevindt zijn geboden, teneinde met name te voorkomen dat:
a. het leven van personen in gevaar wordt gebracht;
b. schade wordt veroorzaakt aan andere schepen of aan drijvende voorwerpen, dan wel aan oevers of aan werken en inrichtingen van welke aard ook die zich in de vaarweg of op de oevers daarvan bevinden;
c. de veiligheid of het vlotte verloop van de scheepvaart in gevaar wordt gebracht.
Artikel 6.28 a lid 1:
Voor het invaren van een sluis kunnen tekens worden getoond aan weerszijden van de invaartopening op gelijke hoogte dan wel aan de stuurboordszijde daarvan. Deze tekens betekenen:
a. twee rode vaste lichten boven elkaar: het invaren is verboden, de sluis wordt niet bediend;
b. één rood vast licht: het invaren is verboden, de sluis wordt bediend;
c. een rood vast licht en daaronder een groen vast licht: het invaren is verboden, maar dit zal aanstonds worden toegestaan;
toedracht
5.6.
Partijen hebben geen AIS-gegevens, beeldmateriaal, radar- of marifoongegevens overgelegd. Partijen hebben desgevraagd laten weten daar niet (meer) over te beschikken. Daarom stelt de rechtbank de toedracht vast aan de hand van de op de dag van de schadevaring (6 februari 2023) opgestelde verklaringen van de sluiswachter (productie 2) en van [gedaagde] (in de schademelding van 6 februari 2023).
5.7.
Op 6 februari 2023 is de sluiswachter bezig met een schutting van buiten (Bergsche Maas) naar binnen (haven in Waalwijk). In de sluiskolk ligt het schip de Sabbia. Tijdens de schutting belt [gedaagde] om 06.37 uur naar de sluiswachter met de melding dat hij van binnen naar buiten wil (vanuit de haven in Waalwijk richting Bergsche Maas). De sluiswachter zegt in dit telefoongesprek tegen [gedaagde] dat hij met de schutting van de Sabbia naar binnen bezig is en dat hij de sluisdeuren voor hem open zal laten staan. Het voor [gedaagde] zichtbare sein aan de invaartopening van de sluis staat op rood. Als de Sabbia voorbij het binnenhoofd is, klikt de sluiswachter per ongeluk routinematig op de knop waarmee de sluisdeuren gesloten worden. Hij is de afspraak met de Seceda vergeten. Op het moment dat de Seceda de openstaande buitendeuren van de sluis is gepasseerd, beginnen de binnendeuren te sluiten. Om ongeveer 06.45 uur vaart de Seceda tegen de dichtgaande binnendeuren van de sluis aan, waardoor deze zijn beschadigd en niet meer volledig operationeel zijn.
schuldvraag
5.8.
Vast staat dat de Seceda op 6 februari 2023 tegen de sluisdeuren is aangevaren en dat als gevolg daarvan schade aan de sluisdeuren is ontstaan. Tussen partijen is niet in geschil dat in zoverre sprake is van een schadevaring in de zin van artikel 8:1002 BW Pro. De aansprakelijkheid voor deze schade wordt op grond van artikel 8:1003 BW Pro geregeld door titel 11, afdeling 1 van boek 8 van het BW.
5.9.
Uit artikel 8:1004 lid 1 BW Pro volgt dat een verplichting tot schadevergoeding slechts bestaat als de schade is veroorzaakt door schuld.
Op de Gemeente rust de plicht om te stellen en - bij voldoende betwisting door [gedaagde] - te bewijzen dat sprake is van schuld van het schip.
Er is sprake van schuld van het schip als de schade het gevolg is van (a) een fout van een persoon voor wie de eigenaar van het schip aansprakelijk is volgens de artikelen 6:169 - 6:171 BW, (b) een fout van een persoon of personen die ten behoeve van het schip of van de lading arbeid verricht/ verrichten of heeft/hebben verricht, (c) de verwezenlijking van een bijzonder gevaar voor personen of zaken dat in het leven is geroepen doordat het schip niet voldeed aan de eisen die men in de gegeven omstandigheden eraan mocht stellen [2] .
5.10.
De Gemeente stelt dat sprake is van schuld van het schip, omdat [gedaagde] , als schipper van de Seceda, een fout heeft gemaakt door door rood sein te varen (de hiervoor onder 5.9 bedoelde situatie onder (a) of (b)), wat in strijd is met artikel 6.28a BPR.
Verder stelt de Gemeente dat [gedaagde] in strijd heeft gehandeld met artikel 1.04 BPR, omdat hij niet alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen die volgens goed zeemanschap zijn geboden om te voorkomen dat er schade wordt veroorzaakt aan de sluis. Het had volgens de Gemeente op de weg van [gedaagde] gelegen, om bij de sluiswachter te verifiëren waarom het sein nog altijd op rood stond.
5.11.
[gedaagde] betwist dat hem een rood sein werd getoond. In zijn herinnering stond het sein op groen, ten teken dat het invaren van de sluis was toegestaan. Als het sein wel op rood stond, dan gaat volgens [gedaagde] de afspraak die hij met de sluiswachter had gemaakt vóór een algemeen verkeersteken zoals een rood sein. De sluiswachter had [gedaagde] toestemming gegeven om met de Seceda de sluis in te varen, nadat de Sabbia de sluis had verlaten. Hij had tegen [gedaagde] gezegd dat hij de sluisdeuren open zou laten staan. Conform die afspraak is de Seceda de sluis ingevaren.
De sluiswachter was op de hoogte van de aanwezigheid van de Seceda en van diens
intentie om de sluis in te varen. Hij was de Seceda en de met [gedaagde] gemaakte afspraken echter vergeten en sloot de sluisdeuren zonder er verder bij na te denken en zonder nog een blik op de sluis(kolk), de sluisdeuren en de haven te werpen, terwijl hij dat wel had kunnen - en moeten - doen.
Toen [gedaagde] bemerkte dat de sluisdeuren gingen sluiten, heeft hij vol vermogen achteruit
gegeven met zowel de hoofdmotor als de kopschroef in een - helaas vergeefse - poging de raking te voorkomen. Meer dan dat kon hij niet doen. Tijdens het verstrijken van slechts acht minuten tussen het telefoongesprek van 6:37 uur en de schadevaring op 6:45 hoefde [gedaagde] er geen rekening mee te houden dat de sluiswachter de gemaakte afspraken, waaronder die over het open laten staan van de sluisdeuren, was vergeten. Integendeel, hij mocht erop vertrouwen dat de sluiswachter deze afspraak zich herinnerde en nakwam.
5.12.
De rechtbank overweegt als volgt.
het sein stond op rood
5.13.
Vast is komen te staan dat het sein op rood stond. Dit volgt uit het bij dagvaarding overgelegde logboek invaarseinen en de verklaring van de sluiswachter dat alleen als de verkeerslichten aan beide zijden van de sluis op rood staan, de sluisdeuren gesloten kunnen worden (zoals tijdens het incident gebeurde). Uit het logboek en de toelichting van de Gemeente op de mondelinge behandeling volgt dat de twee aan weerszijde van de sluis aanwezige invaarseinen met nummer 3 en 4 tijdens de schadevaring om 06.45 uur op rood stonden. Dit blijkt uit de waarde op de Y-as met de codes 0 en 1, gecombineerd met het tijdsverloop op de X-as. Ten tijde van het ongeval gold code 1, wat staat voor rood sein. Het groene sein heeft niet gebrand tijdens de aanvaring, maar ook niet kort daarvoor. Op de Y-as is dit af te lezen aan de waarde 0,0. Het groene invaarsein is rond 5.00 uur ’s ochtends kortstondig aan geweest voor een ander schip (zie X-as). Tegen deze achtergrond legt de verklaring van [gedaagde] dat het sein in zijn beleving op groen stond, onvoldoende gewicht in de schaal. De beelden die [gedaagde] heeft overgelegd zien op een andere dag en geven geen informatie over de toedracht op 6 februari 2023.
de Seceda heeft schuld aan de schadevaring
5.14.
Ter plaatse geldt het BPR. Door rood sein varen is verboden volgens artikel 6.28a BPR (In- en uitvaren van sluizen). De schipper van de Seceda, [gedaagde] , heeft een fout gemaakt door in weerwil van het rode sein de sluis in te varen. Dat hij het rode sein niet actief waarnam, en veronderstelede dat het groen was, disculpeert hem niet. Daarmee heeft [gedaagde] het BPR overtreden. Dit levert in beginsel ‘schuld van het schip’ in de zin van artikel 8:1004 lid 1 BW Pro op.
5.15.
Er kunnen bijzondere omstandigheden zijn die tot het oordeel leiden dat toch geen sprake is van enige relevante schuld van het schip, zoals concrete toezeggingen van het bevoegd gezag om ondanks rood sein toch de sluis in te varen. Daarvoor is nodig dat komt vast te staan dat [gedaagde] de mededeling van de sluiswachter “ik laat de deuren voor je open” mocht opvatten en heeft opgevat als een instructie of toestemming voor het invaren van de sluis zonder verdere afstemming met de sluiswachter, zelfs als het sein nog op rood stond. Dat is niet vast komen te staan. Dat de sluiswachter fouten heeft gemaakt en [gedaagde] de verwachting had dat hij na de Sabbia in de sluis zou worden toegelaten, is daarvoor niet genoeg. Van een impliciete toestemming van de sluiswachter om ook bij rood sein de sluis in te varen is niet gebleken en er is niets gesteld of gebleken waaruit volgt dat [gedaagde] dat toch mocht denken.
5.16.
[gedaagde] heeft dus een fout gemaakt door, in de verwachting dat het sein op groen zou staan, zonder opletten door rood sein de sluis in te varen terwijl hij niet daadwerkelijk veronderstelde dat hij (zelfs) daarvoor toestemming had. Zonder die fout zou de schadevaring niet zijn gebeurd en de schade voor de Gemeente niet zijn ontstaan. Het causaal verband is daarmee gegeven.
5.17.
[gedaagde] betwist dat de schade in zodanig verband met de schuld van het schip staat dat zij daaraan kan worden toegerekend. Volgens [gedaagde] was de schade, gezien de met de sluiswachter gemaakte afspraken, niet het redelijkerwijs te verwachten gevolg van het gestelde negeren van een rood invaarsein, maar uitsluitend van het door de sluiswachter
in strijd met zijn mededelingen sluiten van de sluisdeuren. Zoals hiervoor geoordeeld gaat deze stelling van [gedaagde] niet op.
eigen schuld Gemeente
5.18.
De vraag is vervolgens of, zoals [gedaagde] stelt en de Gemeente betwist, de Gemeente eigen schuld treft aan het ontstaan van de schadevaring. Op grond van artikel 6:101 BW Pro wordt, wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, de vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.
5.19.
Volgens [gedaagde] is de schade (mede) een gevolg van de aan de gemeente
toe te rekenen fout van de sluiswachter en heeft die fout in zodanige mate tot de schade bijgedragen, dat een eventuele vergoedingsplicht van [gedaagde] tot nihil althans (subsidiair) zeer fors behoort te worden verminderd. De gemeente betwist dit.
5.20.
De rechtbank overweegt als volgt. De sluismeester heeft ook een fout gemaakt. Vast staat dat hij tegen [gedaagde] heeft gezegd dat hij de sluisdeuren voor hem open zou laten staan. In strijd met die intentie heeft hij per abuis toch routinematig op de knop om de sluisdeuren te sluiten gedrukt. De sluiswachter was afgeleid door het trage schutten van nieuwkomer Sabbia en had de Seceda niet in de gaten. De sluiswachter heeft toen gezegd dat hij de Seceda was vergeten. Door zijn druk op de knop raakten de sluisdeuren de Seceda en andersom. Zonder die fout zou de schadevaring ook niet zijn gebeurd. De fout van de Seceda en de fout van de sluiswachter hebben dus samen de schade veroorzaakt.
Daar komt nog bij dat de sluiswachter zich volgens de Richtlijnen Vaarwegen 2020 (D2 sluiten invaardeuren [3] ) ervan had dienen te vergewissen dat er geen schepen kort voor of tussen de sluisdeuren lagen als de deuren aan het sluiten zijn. De sluiswachter had de Seceda kunnen en moeten zien op de beelden van de goed functionerende camera’s die op het sluiscomplex staan. Vast staat dat die beelden goed zicht gaven op het sluiscomplex, het binnenhoofd met de binnendeuren en de situatie in de haven waar de Seceda zich bevond. De sluiswachter heeft fout en in strijd met de van hem te verwachten zorgvuldigheid gehandeld, door niet op de Seceda te letten en de binnendeuren van de sluis dicht te doen. De buitendeuren van de sluis stonden helemaal open. Zoals de sluiswachter schriftelijk heeft verklaard en als getuige bij de kantonrechter, was hij de Seceda vergeten en heeft hij per ongeluk en routinematig de sluisdeuren dichtgedaan. Daardoor is de schade ontstaan.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de Gemeente voor een groot deel haar eigen schade heeft veroorzaakt. De rechtbank komt tot het oordeel dat 70% van de aan de Gemeente vergoedbare schade voor rekening van de Gemeente dient te blijven. [gedaagde] moet 30% van de schade aan de Gemeente vergoeden.
hoogte van de schade
5.21.
[gedaagde] voert aan dat de expert van EOC Expertise B.V. in het expertiserapport van 29 mei 2024 een bedrag aan aftrek ‘nieuw voor oud’ in mindering heeft gebracht op de schadeberekening dat ziet op de vervanging van twee hydrauliekcilinders. Deze cilinders waren deels afgeschreven en zonder de schadevaring aan vervanging toe in (ongeveer) 2036. Mét schadevaring en de daarop volgende reparatie zijn ze pas in (ongeveer) 2043 aan vervanging toe. Hierdoor geniet de Gemeente volgens [gedaagde] een voordeel (door de expert begroot op € 13.720,46) dat voor verrekening in aanmerking komt.
5.22.
Op de mondelinge behandeling deelt de Gemeente mee dat zij niet langer betwist dat een hydrauliekcilinder 20 jaar meegaat.
5.23.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 6:100 BW Pro moet, als een zelfde gebeurtenis voor de benadeelde naast schade tevens voordeel heeft opgeleverd, dit voordeel bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening worden gebracht, voor zover dit redelijk is. Gelet op het voordeel van € 13.720,46 dat de Gemeente geniet in verband met de reparatie na de schadevaring, is redelijk dat dit voordeel van de Gemeente wordt verrekend met de schade.
5.24.
Voor de vordering betekent dit dat na de aftrek ‘nieuw voor oud’ een gevorderd bedrag overblijft van € 146.060,99 (€ 159.781,45 - € 13.720,46). De rechtbank veroordeelt [gedaagde] tot betaling van 30% van dit bedrag, dus tot betaling van € 43.818,30.
rente
5.25.
De rechtbank wijst de gevorderde en op zichzelf niet betwiste wettelijke rente toe vanaf de schadedatum van 6 februari 2023 tot de dag van volledige betaling.
buitengerechtelijke incassokosten
5.26.
De Gemeente stelt dat zij buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt en vordert vergoeding daarvan. [gedaagde] betwist deze vordering op zichzelf niet. Voldaan dient te worden aan het vereiste dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. In dit geval is niet gebleken dat niet aan dit vereiste is voldaan, zodat de rechtbank de gevorderde vergoeding (die lager is dan de staffel van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten) van € 904,00 toewijst.
proceskosten
5.27.
Omdat partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld, worden de proceskosten gecompenseerd, in die zin dat beide partijen de eigen kosten dragen.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 43.818,30, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf 6 februari 2023 tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan de Gemeente te betalen een bedrag van € 904,00 aan buitengerechtelijke incassokosten,
6.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.4.
compenseert de proceskosten, in die zin dat beide partijen de eigen kosten dragen,
6.5.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.
615/1573

Voetnoten

1.Bij dagvaarding vorderde de gemeente dit bedrag exclusief btw. Op de mondelinge behandeling heeft zij verduidelijkt dat zij geen btw vordert.
2.Hoge Raad 30 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3922 (Casuele/De Toekomst)
3.“D2 sluiten invaardeuren