ECLI:NL:RBROT:2026:8162

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
C/10/713554 HA RK 26-52
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 196 RvArt. 197 lid 2 RvArt. 196 lid 2 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopig getuigenverhoor in geschil over retentierecht en onrechtmatige daad opslagproduct

Starol Refined Oil Products LLC heeft een voorlopig getuigenverhoor verzocht om bewijs te verkrijgen over de weigering van Chane Terminals Nieuwe Maas B.V. om Gas-To-Liquids diesel vrij te geven, welke bij Chane is opgeslagen. Chane beroept zich op een retentierecht en pandrecht vanwege een mogelijke belastingaanslag van ruim €54 miljoen.

De rechtbank oordeelt dat het verzoek van Starol voldoende bepaald is en dat zij een voldoende belang heeft bij het horen van getuigen om haar mogelijke onrechtmatige daad jegens Chane te onderbouwen. Het verzoek van Chane tot aanhouding en voeging wordt afgewezen vanwege uiteenlopende partijen en onderwerpen, en om onnodige vertraging te voorkomen.

De rechtbank bepaalt dat Chane ook vragen mag stellen aan een getuige die door Starol wordt gehoord. Het voorlopig getuigenverhoor zal plaatsvinden in het gerechtsgebouw te Rotterdam op een nader te bepalen datum. Starol moet uiterlijk 12 juni 2026 een afschrift van deze beschikking aan Chane doen toekomen.

De beschikking is gegeven door rechter P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor toe en wijst het verzoek tot aanhouding en voeging af.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/713554 / HA RK 26-52
Beschikking van 28 mei 2026
in de zaak van
de rechtspersoon naar het recht van de Verenigde Arabische Emiraten
STAROL REFINED OIL PRODUCTS LLC,
gevestigd in Dubai,
verzoekster,
hierna te noemen: Starol,
advocaten: mr. J. van den Brande en mr. B. Lem,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CHANE TERMINALS NIEUWE MAAS B.V.,
gevestigd in Rotterdam,
verweerster,
hierna te noemen: Chane,
advocaat: mr. J.B.R. Regouw.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 19 januari 2026, met producties,
- het verweerschrift van 20 april 2026, met producties,
- een akte houdende producties van 23 april 2026 aan de zijde van Starol,
- het bericht van 28 april 2026 aan de zijde van Starol, met betrekking tot het aanhoudings- en voegingsverzoek in het verweerschrift van Chane,
- de mondelinge behandeling van 30 april 2026.

2.De feiten

2.1.
Starol handelt in olie en gas. Zij heeft verschillende koopovereenkomsten gesloten met KVA Holding B.V. (hierna: KVA) voor de koop van Gas-To-Liquids diesel (hierna: het product).
2.2.
Chane is een opslagebedrijf en douane-agent, gespecialiseerd in bulkopslag van vloeibare brandstoffen. Het product ligt opgeslagen bij Chane.
2.3.
Op 3 december 2025 heeft Chane een door Starol gestuurd schip – waarin het product zou moeten worden geladen – toestemming gegeven om aan te meren.
2.4.
Op 5 december 2025 heeft KVA Chane verzocht om het product te laden.
2.5.
Op 9 december 2025 is het schip aangekomen op haar ankerplaats.
2.6.
Op 10 december 2025 heeft Chane het schip naar binnen geroepen.
2.7.
Op 11 december 2025 liet Chane Starol weten dat zij niet kon beginnen met het laden van het schip, vanwege onvoorziene omstandigheden.
2.8.
Op 12 december 2025 stuurde de advocaat van Chane een brief aan KVA, waarin staat dat zij mogelijk geconfronteerd gaat worden met een belastingaanslag van € 54.000.000,00 (in hoofdsom) als gevolg van informatie die KVA heeft verstrekt aan haar. Chane gaf daarbij aan dat zij een retentierecht uitoefent op alle zaken van KVA die zij onder zich heeft en dat zij die niet zal vrijgeven aan KVA of aan een derde partij.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
Starol heeft de rechtbank verzocht om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen.
3.2.
Aan het verzoek heeft Starol het volgende ten grondslag gelegd. Starol heeft het product gekocht van KVA. Het product ligt opgeslagen bij Chane en Chane weigert dit te geven aan Starol. Aanvankelijk vanwege ‘onvoorziene technische problemen’ en vervolgens op grond van, eerst, een retentierecht en later ook een pandrecht. Daaraan ligt ten grondslag dat Chane verwacht dat zij een belastingaanslag gaat krijgen van ruim € 54.000.000,00 in verband met onbetaalde importheffingen. Daaraan ligt ten grondslagdat KVA onjuiste informatie heeft verstrekt aan Chane. Volgens Starol moet Chane het product geven aan haar, althans handelt Chane onrechtmatig jegens haar door dat te weigeren. Starol ziet daar geen grondslag voor. Chane geeft namelijk geen duidelijkheid over de mogelijke belastingaanslag en volgens de douane zijn er geen maatregelen genomen tegen Chane noch worden deze verwacht. Daarnaast heeft Chane volgens Starol ook onrechtmatig gehandeld, doordat zij op enig moment toestemming heeft gegeven om een schip aan te meren en daarin het product te laden, terwijl zij had moeten weten dat zij het product niet vrij zou geven. Daardoor heeft Starol onnodige kosten gemaakt voor het schipvervoer. Starol wenst (nader) bewijs te verkrijgen voor de feiten die aan haar (mogelijke) schadevordering(en) op Chane ten grondslag liggen, door het horen van getuigen.
3.3.
Chane verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert verweer. Chane verzoekt daarnaast om aanhouding van de behandeling van het verzoek van Starol, dan wel van het getuigenverhoor, omdat zij ook een verzoek heeft ingediend dat strekt tot het gelasten van voorlopige bewijsverrichtingen over dezelfde kwestie. Chane verzoekt de rechtbank ook om een gezamenlijke behandeling van de twee verzoeken. Chane concludeert tot een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde afwijzing van het verzoek, met veroordeling van Starol in de proceskosten. Ter zitting heeft Chane verzocht om, voor zover het voorlopig getuigenverhoor wordt toegewezen, in de gelegenheid gesteld te worden om aan één van de getuigen vragen te stellen die voortvloeien uit haar eigen verzoek (productie C-5 bij het verweerschrift).
3.4.
Starol heeft zich bij akte verzet tegen het aanhoudings- en voegingsverzoek van Chane. Aanhouding of voeging levert volgens Starol onnodige vertraging op van de onderhavige procedure. Bovendien ziet het verzoekschrift van Chane op andere feitelijke vragen en richt het zich op andere partijen.

4.De beoordeling

Het aanhoudings- en voegingsverzoek van Chane wordt afgewezen
4.1.
De rechtbank wijst het aanhoudings- en voegingsverzoek van Chane af. Daarvoor is ten eerste van belang dat het verzoek voorlopige bewijsverrichtingen van Chane veel ruimer is en ook ziet op inzage en een voorlopig deskundigenbericht. Ten tweede is relevant dat het verzoek van Chane zich tot andere partijen richt en qua onderwerpen voor een belangrijk deel andere (en veel meer) vragen beantwoord wil zien en, op één persoon na, andere getuigen wil doen horen. De beginselen van een behoorlijke procesorde en de proceseconomie staan dan ook in de weg aan toewijzing van het verzoek. Daar komt bij dat aanhouding en samenvoeging ook zou leiden tot onnodige vertraging van de behandeling van het verzoek van Starol.
Het toetingskader van het voorlopig getuigenverhoor
4.2.
De rechtbank constateert dat partijen in hun verzoek- en verweerschrift al uitgebreid ingaan op de inhoud van de zaak. Die ligt in de onderhavige procedure echter niet ter beoordeling voor.
4.3.
Het toetsingskader van het verzoek luidt als volgt. Een verzoek voorlopige bewijsverrichtingen moet op grond van artikel 197 lid 2 Rv Pro inhouden:
a. een kernachtige omschrijving van het geschil of de gebeurtenis waarop het verzoek betrekking heeft en de gronden van het verzoek
b. de aard en het beloop van de vordering
c. de naam en woonplaats van de wederpartij of de redenen waarom de wederpartij onbekend is.
Verder moet een verzoek dat strekt tot het horen van getuigen de namen en woonplaatsen van de personen die de verzoekende partij als getuigen wil horen vermelden.
Afwijzing is mogelijk op een of meer van de gronden genoemd in artikel 196 lid 2 Rv Pro:
a. de informatie die wordt verlangd, is niet voldoende bepaald;
b. er bestaat onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting;
c. het verzoek is in strijd met de goede procesorde;
d. er is sprake van misbruik van bevoegdheid;
e. andere gewichtige redenen die zich verzetten tegen toewijzing.
4.4.
Het verzoek van Starol voldoet aan de hiervoor weergegeven formele eisen. Vervolgens moet worden beoordeeld of sprake is van een afwijzingsgrond. Chane heeft zich beroepen op de afwijzingsgronden onvoldoende bepaalbaarheid van de verlangde informatie en onvoldoende belang. Zij stelt zich daarnaast op het standpunt dat de feiten waarover Starol getuigen wil doen horen geen (betwiste) feiten zijn die zich lenen voor bewijslevering. Chane beroept zich er ook nog op dat haar pandrecht prevaleert boven Starols gestelde eigendomsrecht. De rechtbank beoordeelt een en ander hierna.
Het verzoek is voldoende bepaald
4.5.
De rechtbank oordeelt dat het verzoek van Starol voldoende bepaald is. Starol heeft voldoende concreet omschreven waarom en waarover zij de getuigen wil horen. Starol wil duidelijkheid krijgen over (i) de achtergrond en status van de douaneproblematiek, en meer in het bijzonder wat Chane daarvan wist en of Chane daar wellicht (deels) zelf verantwoordelijk voor is (ii) de toestemming die Chane heeft gegeven voor het aanmeren en laden van het schip, (iii) de ambtelijke verificaties die de douane heeft verricht met betrekking tot de door KVA opgeslagen producten, en (iv) de feitelijke gang van zaken rondom de meegedeelde onvoorziene technische problemen aan de kant van Chane. Volgens Chane stelt Starol geen concrete, voor bewijs vatbare feiten die duiden op een mogelijke onrechtmatige daad van Chane jegens Starol. Daarmee miskent Chane het doel van een voorlopige bewijsverrichting. Een voorlopige bewijsverrichting mag namelijk ook gericht zijn op het bepalen van de rechtspositie en het al dan niet bestaan van een vordering. Voldoende duidelijk is bovendien dat het verzoek zich feitelijk richt op twee feitencomplexen: de douanekwestie en het handelen van Chane in de periode 5-11 december 2025.
Starol heeft voldoende belang bij haar verzoek
4.6.
Starol heeft voldoende belang bij haar verzoek, omdat zij duidelijk maakt wat zij met het voorlopig getuigenverhoor wil bereiken en omdat zij concreet omschrijft welk potentieel geschil aan het verzoek ten grondslag ligt. Starol heeft namelijk het voornemen om Chane aansprakelijk te stellen op grond van een onrechtmatige daad, omdat Chane het product (volgens haar) zonder rechtsgrond niet vrijgeeft aan haar en omdat Chane aanvankelijk toestemming heeft gegeven gegeven voor het aanmeren en laden van dat ship, terwijl zij, naar moet worden aangenomen, toen al wist, gelet op op 1 december 2025 gedateerde belastingdadvies, (of had moeten weten) dat zij het product niet vrij zou geven. Aannemlijk is dat Starol daardoor schade heeft geleden. Door middel van het voorlopig getuigenverhoor wil Starol meer te weten krijgen over de feiten rondom deze situatie, om zo te bepalen of zij vorderingen tegen Chane aanhangig wil maken. Dat Chane in deze procedure heeft erkend dat de mededeling op 11 december 2025 een verzonnen excuus was, leidt er niet toe dat Starol geen belang heeft bij het horen van de verzochte getuigen. Het verzoek ziet op veel meer dan alleen die mededeling en bijvoorbeeld ook op de mogelijke eigen rol van Chane in de douanekwestie. Bovendien kan Chase nu erkende feiten later alsnog betwisten (HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1112).
Chane stelt daarnaast dat haar pandrecht op het product prevaleert boven het eigendomsrecht van Starol en dat een getuigenverhoor dit niet zal veranderen. Een beroep op die weigerinsggrond stuit ten eerste af op het gegeven dat het, mogelijke, pandrecht van Chane niet raakt aan de schade die Starol stelt te hebben geleden als gevolg van het, onnodig gebleken, sturen van een schip naar Chane.
Er is geen sprake van andere afwijzingsgronden
4.7.
Andere afwijzingsgronden zijn niet gesteld en onderbouwd. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om het verzoek af te wijzen op een of meer van de overige afwijzingsgronden van artikel 196 lid 2 Rv Pro.
De rechtbank wijst het verzoek toe
4.8.
Uit het voorgaande volgt dat het verzoek wordt toegewezen.
Chane mag ook vragen stellen aan [getuige]
4.9.
Ter zitting is ter sprake gekomen dat zowel Starol als Chane [getuige] , [functie] bij KVA, willen horen als getuige. Chane wil [getuige] (ook) horen omtrent de onderwerpen in haar eigen verzoekschrift (productie C-5 bij het verweerschrift). Partijen hebben hierover overeenstemming bereikt. De rechtbank staat dit dan ook toe..
Praktische gang van zaken van het voorlopig getuigenverhoor
4.10.
De rechtbank wijst Starol erop dat de rechtbank voor het verhoor in beginsel maximaal 60 minuten in totaal per getuige reserveert. Als Starol van mening is dat meer tijd noodzakelijk is, moet zij dit – binnen 14 dagen na dagtekening van deze beschikking – gemotiveerd aan de rechter verzoeken. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen moeten ten minste tien dagen voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank worden opgegeven.
4.11.
Omdat de wederpartij bekend is, bepaalt de rechtbank in de beslissing de dag waarop Starol uiterlijk een afschrift van deze beschikking per aangetekende brief of exploot aan Chane moet laten toekomen.
4.12.
Partijen moeten erop voorbereid zijn dat de rechtbank na afloop van een of meer voorlopige bewijsverrichtingen op verzoek van partijen of een van hen of ambtshalve een (nieuwe) mondelinge behandeling kan bevelen om een schikking te beproeven of tot het geven van inlichtingen aan de rechtbank. Tijdens deze mondelinge behandeling kan de rechtbank ook de verdere behandeling van geschillen over de vordering met partijen bespreken.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
beveelt een voorlopig getuigenverhoor,
5.2.
bepaalt dat Chane ook vragen mag stellen aan [getuige] , zoals omschreven in haar eigen verzoekschrift dat als productie C-5 is toegevoegd aan haar verweerschrift,
5.3.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden in het gebouw van de rechtbank te Rotterdam voor een nader te noemen rechter, op een nader, in overleg met partijen vast te stellen datum en tijdstip,
5.4.
bepaalt dat de advocaat van Starol voor de oproeping van de getuigen zorgt,
5.5.
verzoekt de advocaat van Starol het oproepingsschema (met de namen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen) tien dagen voor de zittingsdatum aan de rechtbank en aan de wederpartij toe te zenden,
5.6.
bepaalt dat Starol uiterlijk op 12 juni 2026 een afschrift van deze beschikking bij aangetekende brief of exploot moet doen toekomen aan Chane,
5.7.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.
3961/2009