ECLI:NL:RBROT:2026:8163

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
C/10/705596 / HA ZA 25-705
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • P.A.M. Laan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWAVVIV 2009FENEX Dutch Forwarding Conditions 2018Artikel 5.11 Landelijk Procesreglement
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verhuizer aansprakelijk voor verlies inboedel door fout in distributiecentrum

Eiser sloot met verhuizer Gerson een gemengde overeenkomst voor een internationale verhuizing van Zürich naar New York. De inboedel werd ingepakt en naar het distributiecentrum van Gerson in Nederland vervoerd, maar per abuis in een container voor een andere klant geladen en in New Jersey afgeleverd.

Gerson informeerde eiser onjuist over de status van de goederen en communiceerde niet transparant over de fout. De rechtbank oordeelt dat Gerson haar verplichtingen niet is nagekomen en aansprakelijk is voor de schade. Het beroep op aansprakelijkheidsbeperkende bedingen wordt verworpen vanwege het gebrek aan zorgvuldigheid en communicatie.

De schadevergoeding wordt vastgesteld op de dagwaarde van de verdwenen goederen, USD 26.326,99, met wettelijke rente vanaf 17 april 2024. Daarnaast wordt een bedrag van €125,00 toegewezen wegens gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst en €1.177,53 aan buitengerechtelijke incassokosten. Gerson wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en wettelijke rente.

Uitkomst: Gerson wordt veroordeeld tot betaling van USD 26.326,99 schadevergoeding, terugbetaling van €125,00, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/705596 / HA ZA 25-705
Vonnis van 24 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
te Berlijn, [gedaagde],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. J. Driessen,
tegen
GERSON RELOCATION B.V.,
te Vlaardingen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Gerson,
advocaat: eerst mr. W.M. van Rossenberg, nu zonder advocaat.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 augustus 2025 met bijlagen 1 tot en met 23
- het incidenteel vonnis van 17 december 2025 (en onderliggende processtukken), waarin de
rechtbank de vordering van Gerson tot onbevoegdverklaring heeft afgewezen
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 5
- de brieven van de rechtbank van 5 februari 2026 waarmee partijen zijn opgeroepen voor
een mondelinge behandeling
- de e-mail van de rechtbank van 11 mei 2026 met de zittingsagenda
- de op 12 juni 2026 ingekomen en ter zitting toegelaten akte overlegging producties van
[eiser], met productie 24
- de mondelinge behandeling van 15 juni 2026, waarop Gerson niet is verschenen
- de pleitnota van mr. Driessen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Gerson verzorgt verhuizingen wereldwijd, biedt daarvoor een deur-tot-deur verhuisservice en garandeert daarbij een hoog niveau van dienstverlening.
2.2.
[eiser] benaderde Gerson in februari 2023 in verband met zijn privéverhuizing van Zürich in Zwitserland naar New York in de Verenigde Staten.
2.3.
Op 17 april 2023 bracht Gerson een offerte uit, die na overleg en aanpassing leidde tot ondertekening van de offerte op 1 mei 2023. De overeenkomst vermeldt onder meer dat de inboedel van Gerson volledig zou zijn verzekerd en tegen een meerprijs zou zijn voorzien van een GPS-tracker en van vochtabsorberende strips. Partijen kwamen overeen dat de AVVIV 2009 (algemene voorwaarden voor internationale verhuizingen) van toepassing zouden zijn en ook de FENEX Dutch Forwarding Conditions 2018. Op 30 mei 2023 liet [eiser] weten dat ook een sofa en bureau zouden moeten worden meeverhuisd en meeverzekerd. Ook werd nader afgesproken dat drie schilderijen in op maat gemaakte kratten zouden worden verpakt door Gerson. Gerson heeft in overleg met [eiser] een verzekering afgesloten.
2.4.
De inboedel is conform afspraak ingepakt in Zürich op 12 juni 2023 en over de weg vervoerd naar een distributiecentrum/loods van Gerson in Nederland. Vanuit die loods zou de inboedel van [eiser] in een groupagecontainer met andere lading worden verscheept naar de Verenigde Staten en aldaar vervoerd over de weg en afgeleverd bij [eiser] in New York.
2.5.
Op 11 juli 2023 liet Gerson aan [eiser] weten dat de (groupage) container met zijn inboedel erin op 10 augustus 2023 aan boord van een zeeschip zou gaan, en daar tegen 22 augustus 2023 zou arriveren. Na inlading zou de GPS-tracker worden geactiveerd. Navraag door [eiser] op 29 augustus 2023 en 6 september 2023 leidde tot de mededeling dat zijn inboedel op korte termijn alsnog in een container naar New York zou worden geladen. Op vragen over de GPS-tracker kwam geen antwoord. Op 15 september 2023 werd aangekondigd dat het transport nog vier tot zes weken zou duren.
2.6.
Op 11 oktober 2023 liet Gerson weten dat [eiser]’ goederen inmiddels in New Jersey bij een derde waren afgeleverd. Op 17 oktober 2023 nam Gerson contact op met de bewuste derde. Er bleken slechts nog vier dozen aanwezig. Pas op 22 november 2023 is wat er resteerde van de inboedel van [eiser] door of namens Gerson bij de derde afgehaald.
2.7.
Van de 25 verscheepte dozen van [eiser] zijn er slechts vier teruggevonden en aan [eiser] op 12 december 2023 afgegeven. Deze vier dozen bevatten textiel, dossiers en huishoudgerei. Van de waardevollere dozen, de kostbare schilderijen en de grote meubels ontbrak en ontbreekt ieder spoor.
2.8.
Vanaf 19 maart 2024 heeft de advocaat van [eiser] Gerson, die enige maanden stil was gebleven, gesommeerd om de ontbrekende goederen alsnog af te leveren. Op 17 april 2024 meldde Gerson dat zij de goederen als verloren beschouwde. Gerson verzocht om een goederenomschrijving met aanduiding van de waarde om onder de verzekering te kunnen claimen. Zij zegde ook (enige) schadevergoeding toe. [eiser] heeft vanaf 22 mei 2024 verschillende malen (aanvullende) informatie verstrekt en Gerson verzocht om hem bij de correspondentie met de verzekeraar te betrekken. Vanaf 24 juli 2024 vindt ook correspondentie tussen de advocaat van [eiser] en de advocaat van de verzekeraar plaats.
2.9.
Op 29 november 2024 wees de verzekeraar de claim van [eiser] af, onder meer op de gronden (i) dat de dekking verliep 60 dagen nadat de goederen uit het schip waren gelost, wat volgens Gerson op 25 juli 2023 zou zijn gebeurd, (ii) dat de schade nog onvoldoende was onderbouwd en (iii) dat alleen tegen dagwaarde was verzekerd.
2.10.
Pas uit de correspondentie met de advocaat van de verzekeraar bleek dat de goederen al op 4 augustus 2023 bij de derde in New Jersey waren afgeleverd.
2.11.
Op 23 januari 2025 ontbond [eiser] gedeeltelijk de overeenkomst (voor wat betreft het afsluiten van de verzekering, het aanbrengen van vochtabsorberende strips en het inzetten van een GPS-tracker) en sommeerde hij tot betaling van schadevergoeding, kosten en rente.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van Gerson bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad om aan haar te betalen USD 41.850,00 voor de verloren inboedel, € 854,70 voor de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst en € 1.177,53 ter vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten, met rente en kosten.
[eiser] legt daaraan ten grondslag dat Gerson de overeenkomst niet althans niet deugdelijk is nagekomen en aansprakelijk is voor schade die [eiser] heeft geleden. [eiser] vordert de kosten van de verzekering, de GPS-tracker en de vochtabsorberende strips terug, op de grond dat de overeenkomst op die onderdelen wegens tekortschieten van Gerson is ontbonden.
3.2.
Gerson concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure.
Gerson betwist dat zij de overeenkomst niet is nagekomen, betwist dat zij aansprakelijk is en betwist de hoogte van de schade. Gerson doet daarnaast onder verwijzing naar de algemene voorwaarden een beroep op beperking van aansprakelijkheid en verval en verjaring.

4.De beoordeling

Gerson is aansprakelijk
4.1.
De rechtbank kwalificeert de tussen partijen gesloten overeenkomst als een gemengde overeenkomst, die elementen bevat van de verhuisovereenkomst, van expeditie (het doen vervoeren over zee en ook over de weg binnen de Verenigde Staten) en mogelijk van opdracht en/of bewaarneming.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de AVVIV en FENEX voorwaarden geldig zijn overeengekomen. Ook is niet in geschil dat (aanvullend) het Nederlandse recht van toepassing is.
4.3.
De rechtbank volgt Gerson niet in haar standpunt dat de goederen tijdens het gedeelte van de overeenkomst dat in de Verenigde Staten moest worden uitgevoerd verloren zijn gegaan. Vast staat dat de goederen het distributiecentrum van Gerson hebben bereikt en dat zij op enig moment in een groupagecontainer, bestemd voor een andere klant van Gerson in New Jersey, zijn beland. Gerson heeft niet gesteld dat de inboedel van [eiser] door haar welbewust in die container is geladen. In tegendeel, zij geeft bij conclusie van antwoord aan dat dit per abuis is gebeurd. Daarbij past dat er geen documenten zijn overgelegd (bijvoorbeeld een uitslaginstructie, vervoeropdracht, (zee)vrachtbrief of dergelijk vervoersdocument of correspondentie met een vervoerder of hulppersoon) waaruit de rechtbank kan afleiden dat Gerson deze inboedel in de voor New Jersey bestemde container heeft geladen ter uitvoering van de overeenkomst met [eiser]. Uit de correspondentie met [eiser] volgt dat Gerson in ieder geval op 6 september 2023 nog veronderstelde dat zij de goederen van [eiser] nog onder zich had en dat zij op 15 september 2023 nog dacht dat deze goederen ofwel nog niet verscheept ofwel nog onderweg waren. In werkelijkheid waren de goederen al op 4 augustus 2023 in New Jersey aan een derde afgegeven.
Uit deze feiten trekt de rechtbank de conclusie dat de goederen feitelijk uit de macht en het toezicht van Gerson zijn geraakt op het moment dat zij in het Nederlandse distributiecentrum onbedoeld zijn ingeladen bij en/of ten vervoer zijn meegegeven met een andere zending. Het is dus niet tijdens ‘het Amerikaanse deel’ van het verhuistraject, maar juist bij het opslaan en overslaan in het eigen distributiecentrum dat de relevante fout is gemaakt. De reis die de inboedel verder heeft afgelegd valt niet te beschouwen als uitvoering door Gerson van de verhuisovereenkomst met [eiser].
4.4.
De rechtbank heeft in de zittingsagenda gevraagd of vaststaat dat alle goederen van [eiser] aan de derde in New Jersey zijn afgegeven. Ter zitting is dit door [eiser] bevestigd. Hij heeft toegelicht dat zijn productie 19 als één samenhangend document is verstrekt door de advocaat van de ladingverzekeraar. Productie 19 is een door de derde getekende bevestiging van ontvangst van de bij haar afgeleverde goederen. Die bevestiging ziet enerzijds op een voor haar eigen goederen opgestelde inventarislijst en anderzijds op een los met de hand beschreven blad met goederenaanduidingen en nummers. Die goederenaanduidingen en nummers komen overeen met de aanduidingen en nummers die Gerson bij het inpakken toekende aan de inboedel van [eiser]. De rechtbank stelt op die basis vast dat niet alleen de vier teruggevonden dozen maar ook alle andere goederen van [eiser] aan de derde zijn afgegeven.
4.5.
[eiser] klaagt terecht over het verloren gaan van vrijwel zijn gehele inboedel, waaronder de drie schilderijen en twee grote designmeubelen. Ook de rechtbank vindt dat Gerson haar verbintenissen onder de overeenkomst niet goed is nagekomen en dat dit haar kan worden toegerekend. In beginsel is Gerson daarom aansprakelijk voor de schade die [eiser] daardoor lijdt. In de beginfase heeft Gerson ook toegezegd schade te zullen vergoeden, binnen grenzen, maar daaraan heeft zij geen gevolg gegeven.
Gerson komt geen beroep toe op haar algemene voorwaarden
4.6.
Gerson beroept zich in deze procedure op bepalingen in haar algemene voorwaarden, die tot gevolg moeten hebben dat zij niet aansprakelijk is, dat eventuele aansprakelijkheid in omvang is beperkt, en dat [eiser]’ (rechts)vorderingen tegen haar zijn vervallen of verjaard. [eiser] bestrijdt op diverse gronden dat Gerson zich op die beperkende afspraken kan beroepen.
4.7.
De rechtbank geeft [eiser] hierin gelijk. Gerson moest als goed huisvader passen op de aan haar toevertrouwde goederen zolang deze onder haar hoede waren. Als er onverhoopt verkeerde goederen worden meegegeven aan een vervoerder, dan mag van een professioneel verhuisbedrijf als Gerson - dat zich laat voorstaan op uitstekende service - worden verwacht dat zij dit tijdig ontdekt, dat zij haar klant onverwijld en transparant informeert en ook uitlegt wat er fout is gegaan en hoe dat heeft kunnen gebeuren. Ook mag van Gerson worden verwacht dat zij zich proactief en adequaat inspant om de gemaakte fout te herstellen althans de daaruit voortvloeiende schade zoveel mogelijk te beperken. En ook daarover diende zij transparant te communiceren. Of Gerson zich naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid mag beroepen op bedingen die haar aansprakelijkheid beperken, hangt mede af van de vraag in hoeverre zij zich de belangen van haar gedupeerde klant ook in dat opzicht heeft aangetrokken.
4.8.
De rechtbank constateert dat er in de loods van Gerson een fout is gemaakt, zonder dat Gerson heeft uitgelegd wat er concreet is gebeurd (wat, wie, hoe, wanneer) of hoe het incident heeft kunnen gebeuren in het licht van de regels en werkprocessen die zij hanteert ter voorkoming van dit soort incidenten. Alle informatie over wat zich in haar distributiecentrum heeft afgespeeld bevindt zich in het domein van Gerson. Bij gebrek aan voldoende informatie kan van [eiser] niet worden verwacht dat hij zijn beroep op bewuste roekeloosheid feitelijk meer handen en voeten geeft dan hij heeft gedaan.
4.9.
De rechtbank constateert ook dat Gerson aan [eiser] wekenlang onjuiste informatie over de te verwachten vertrek- en aankomstdata heeft verstrekt. Gerson licht niet toe wanneer zij ontdekte of vernam dat de spullen van [eiser] zoek waren en zij zegt ook niet of zij deze voordien al had gezocht om het voorgenomen transport naar New York voor te bereiden. Wanneer en hoe Gerson vernam dat de goederen in New Jersey waren ‘afgeleverd’ - als deel van het transport naar een andere klant - heeft zij ook niet toegelicht. Uit haar stukken en stellingen blijkt dus ook niet dat zij direct na ontdekking/verwittiging in actie kwam om de eigendommen van [eiser] veilig te stellen, bijvoorbeeld door deze direct te doen afhalen of door de onbevoegde ontvanger aan te spreken. Ook is niet gebleken dat zij deze ontvanger, die had getekend voor ontvangst van de inboedel van [eiser], indringend heeft aangesproken op de verdwijning van het grootste deel daarvan.
Aldus ontstaat het beeld dat Gerson zich onvoldoende rekenschap gaf van de belangen van haar klant, zich niet proactief inspande om de gevolgen van haar fout te beperken en niet adequaat en transparant communiceerde, terwijl dat in een geval als dit wel van een verhuisbedrijf dan wel expediteur mag worden verwacht. Dat [eiser] uiteindelijk pas in de tweede helft van 2024 vernam - niet van Gerson maar van de advocaat van de verzekeraar - dat zijn goederen al begin augustus 2023 in New Jersey waren achtergelaten, past in dit beeld.
4.10.
Ook in de verzekeringsdiscussie is niet merkbaar dat Gerson zich na de door haar gemaakte fout de belangen van [eiser] voldoende actief aantrok. Zij liet [eiser] eerst niet toe tot de correspondentie met (de tussenpersoon van) verzekeraars, liet hem wel alle informatieverzoeken van verzekeraars beantwoorden, en toen verzekeraars het allemaal uiteindelijk niet genoeg en te laat vonden, sloot Gerson zich daarbij zonder weerwoord aan terwijl minst genomen een discussie had kunnen worden gevoerd over de bijzondere - aan Gerson te wijten - omstandigheden die maakten dat [eiser] niet binnen de termijn van 60 dagen na lossing uit het schip had kunnen claimen. Dat [eiser] zelf tijdig verzekeraars had kunnen aanspreken stuit ook af op het feit dat hij, zoals [eiser] ter zitting heeft verklaard, niet het verzekeringscertificaat of de benodigde gegevens van verzekeraars van Gerson had ontvangen.
4.11.
Onder al deze omstandigheden komt naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aan Gerson geen beroep toe op de bepalingen in haar algemene voorwaarden die strekken tot beperking van haar aansprakelijkheid, waaronder de verval- en verjaringsbedingen. De rechtbank verwerpt deze verweren.
Gerson moet schadevergoeding betalen
4.12.
[eiser] begroot zijn schade op de kosten die hij heeft gemaakt of nog moet maken om de verdwenen artikelen te vervangen. Dat vindt de rechtbank niet reëel, omdat de verdwenen goederen niet nieuw waren en toewijzing van deze vordering [eiser] in een betere positie zou brengen dan wanneer zijn goederen niet zouden zijn verdwenen. Hij heeft slechts recht op de dagwaarde, die hij heeft uitgerekend als USD 26.326,99. De daartegen aangevoerde betwisting is gelet op de onderbouwing en de door Gerson geaccepteerde te verzekeren waarde te mager. De rechtbank stelt de schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van de toerekenbare tekortkoming van Gerson daarom vast op USD 26.326,99. Dit bedrag zal worden toegewezen met de daarover gevorderde en onvoldoende betwiste wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 17 april 2024.
Voor vergoeding van hypothetische transportkosten naar New York ingeval de bank wordt vervangen ziet de rechtbank geen aanleiding, temeer nu [eiser] inmiddels in Berlijn woont en niet stelt de bank te hebben vervangen toen hij nog in New York woonde.
4.13.
[eiser] vordert verder terugbetaling van € 854,70 op de grond dat hij heeft betaald voor elementen van de overeenkomst die hij inmiddels heeft ontbonden. Wat betreft de door Gerson afgesloten verzekering slaagt deze vordering niet. De klachten over het niet correct zijn afgesloten van de verzekering zijn afdoende weersproken door Gerson en het beroep op ontbinding slaagt in zoverre niet. Het beroep op ontbinding slaagt wel voor wat betreft de vochtabsorberende strips en GPS-tracker. Daarvoor dient Gerson in totaal € 125,00 terug te betalen, te vermeerderen met de daarover gevorderde wettelijke rente. De rechtbank wijst rente toe vanaf de dag van ontbinding, 27 januari 2025.
buitengerechtelijke incassokosten
4.14.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 1.177,53 worden toegewezen. Over deze kosten is geen rente gevorderd.
proceskosten
4.15.
Gerson is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De kosten van de tolk blijven op grond van artikel 5.11 Landelijk Procesreglement voor eigen rekening. De kosten van het incident zijn al eerder toegewezen. De overige proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
148,04
- griffierecht
1.374,00
- salaris advocaat
1.672,00
(2 punten × € 836,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.383,04
4.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
veroordeelt Gerson om aan [eiser] te betalen USD 26.326,99 aan schadevergoeding, althans de tegenwaarde daarvan in euro, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 17 april 2024,
5.2.
veroordeelt Gerson om aan [eiser] (terug) te betalen € 125,00 wegens de gedeeltelijke ontbinding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 27 januari 2025,
5.3.
veroordeelt Gerson om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.177,53 aan buitengerechtelijke kosten,
5.4.
veroordeelt Gerson in de proceskosten van € 3.383,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Gerson niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
veroordeelt Gerson tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
5.7.
verklaart dit vonnis wat de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. Laan en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.
615/1885