ECLI:NL:RBROT:2026:8167

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
11657686 CV EXPL 25-9818
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:40 BWArt. 6:119 BWArt. 6:193b BWArt. 6:193j lid 3 BWArt. 6:203 BW
Verwijzingen
14 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Leningovereenkomst via platform LenenMUB nietig wegens strijd met goede zeden en consumentenbescherming

De zaak betreft een lening van € 1.000,- die via het online platform LenenMUB is verstrekt aan de gedaagde. De leningovereenkomst bevatte een rente van 5% per 30 dagen plus € 20,- vaste kosten, wat neerkomt op een effectief jaarlijks rentepercentage van 84%. Daarnaast werd een boete van € 1.000,- opgelegd bij te late betaling. De eiser vorderde betaling van het volledige bedrag plus incassokosten en rente.

De rechtbank oordeelde dat de overeenkomst een consumentenkredietovereenkomst is en dat de kredietgever niet voldeed aan de informatieverplichtingen zoals voorgeschreven in Boek 7 BW en de Europese richtlijn consumentenkrediet. De overeenkomst bevatte onvolledige en misleidende informatie, en de hoge kosten waren buitensporig en in strijd met dwingendrechtelijke bepalingen.

De strekking van de leningovereenkomst was in strijd met de goede zeden, omdat het platform zich richt op financieel kwetsbare personen en de voorwaarden hen in een problematische financiële situatie brengen. Daarom verklaarde de rechtbank de overeenkomst nietig. De gedaagde moest het reeds ontvangen bedrag minus de reeds betaalde € 350,- terugbetalen, dus € 650,-. Incassokosten werden afgewezen en de eiser moest de proceskosten betalen.

Uitkomst: De leningovereenkomst is nietig verklaard en de gedaagde moet € 650,- terugbetalen aan de eiser.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11657686 CV EXPL 25-9818
datum uitspraak: 3 juli 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
woonplaats: [woonplaats 1] ,
eiser,
gemachtigde: [naam gemachtigde 1] ,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats 2] ,
gedaagde,
gemachtigde: de heer [naam gemachtigde 2] (Stichting Xwiljoenen Juridisch Advies),
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 9 april 2026, met bijlagen;
  • het antwoord, met bijlagen;
  • de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [gedaagde] .
1.2.
Op 2 juni 2026 is de zaak tijdens een zitting met de gemachtigde van [gedaagde] besproken. [eiser] is, hoewel op de juiste manier opgeroepen, niet verschenen.

2.De beoordeling

Waar gaat deze zaak over?
2.1.
[gedaagde] heeft op 24 april 2024 via de website ‘Lenen MUB’ (www.lenenmetuitkeringbkr.com) een lening aangevraagd voor een bedrag van € 1.000,-. Dit bedrag heeft zij ook ontvangen.
2.2.
[gedaagde] heeft van Lenen MUB een leningovereenkomst ontvangen, waarop staat “
autorisatie door dhr. [eiser] , hierna te noemen “uitlener””.
In de leningovereenkomst staan onder meer de volgende bepalingen:
De uitlener stelt een bedrag van € 1.000,- ter beschikking (hoofdsom 1);
De uitlener stelt nog een bedrag van € 1.000,- ter beschikking (hoofdsom 2) voor “het online (uit)lenen dienstverlenende advies van Service MUB”;
[gedaagde] moet een rente betalen van 5% per 30 dagen, vermeerderd met € 20,-;
Hoofdsom 1 plus de rente daarover moeten binnen 30 dagen worden terugbetaald. De zin waarin zou moeten staan wat er gebeurt als [gedaagde] dat niet doet, is incompleet. Vervolgens staat er dat [gedaagde] in maandelijkse termijnen van € 150,- moet terugbetalen.
2.3.
[gedaagde] heeft een achterstand laten ontstaan in de maandelijkse betalingen. Dat erkent zij. [gedaagde] heeft volgens haar eigen stelling € 350,- terugbetaald, in zeven (maandelijkse) deelbetalingen van € 50,-, tussen 30 april 2024 en 31 oktober 2024. [eiser] is vervolgens deze procedure begonnen en eist betaling van € 980,-, plus € 177,87 aan buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente. Ook wil hij dat [gedaagde] de proceskosten betaalt.
2.4.
Volgens [gedaagde] is de overeenkomst nietig. De kantonrechter is dat met haar eens. [gedaagde] hoeft slechts € 650,- terug te betalen. Deze beslissing wordt hierna uitgelegd.
Er is sprake van een consumentenkredietovereenkomst
2.5.
Voordat de kantonrechter de vordering van [eiser] kan beoordelen, moet zij eerst vaststellen om wat voor overeenkomst het hier gaat. Dat is een consumentenkredietovereenkomst als bedoeld in artikel 7:57 lid 1 onder Pro c BW. Die vaststelling is relevant, omdat de kredietgever die een consumentenkredietovereenkomst sluit verplicht is om vooraf bepaalde informatie aan de kredietnemer te verstrekken en de kredietwaardigheid te toetsen. Als de kredietgever daar niet aan voldoet, heeft dat gevolgen voor de geldigheid van de overeenkomst.
2.6.
De kantonrechter oordeelt dat uit de overgelegde stukken volgt dat hier sprake is van een lening die is verstrekt door een kredietgever als bedoeld in artikel 7:57 lid 1 onder Pro b BW aan een consument. De omstandigheid dat [eiser] een natuurlijk persoon is, maakt dit niet anders. [gedaagde] heeft de lening aangevraagd via een daarvoor ingericht online platform, dat als doel heeft leningen te (laten) verstrekken aan mensen die bij de reguliere geldverstrekkers (waarschijnlijk) niet of erg moeilijk voor een lening in aanmerking zouden komen. Het is niet duidelijk wat de relatie tussen [eiser] en Lenen MUB is. Omdat [eiser] niet op de zitting was, heeft de kantonrechter hem hier ook niet naar kunnen vragen. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat hij degene is die Lenen MUB exploiteert. Maar ook als dit niet zo zou zijn en [eiser] een particulier is die ervoor heeft gekozen om via dit platform geld uit te lenen wordt hij geacht de lening als beroepsactiviteit te hebben verstrekt. Het gaat niet om een vriendendienst en gelet op de inhoud van de leningovereenkomst was het doel daarvan om een hoge winst te behalen.
De leningovereenkomst is vernietigbaar
2.7.
De leningovereenkomst valt niet onder een van de uitzonderingen als genoemd in artikel 7:58 lid 2 BW Pro. Daarom zijn alle bepalingen van titel 2A van boek 7 BW op de overeenkomst van toepassing, waaronder artikel 7:60 BW Pro. In artikel 7:60 BW Pro is bepaald dat de kredietgever de consument geruime tijd voordat deze door een kredietovereenkomst of een aanbod wordt gebonden, de precontractuele informatie moet verstrekken die door artikel 5 en Pro 6 van de Richtlijn 2008/48/EG (Richtlijn consumentenkrediet) wordt voorgeschreven, op de in die Richtlijn voorgeschreven manier. Dit betekent dat [eiser] , vóórdat [gedaagde] de leningovereenkomst sloot, een zogenoemd ESIC-formulier aan [gedaagde] had moeten verstrekken met daarop onder meer informatie over het soort krediet, de identiteit van [eiser] , de duur van de overeenkomst, het totale kredietbedrag, de debetrentevoet, het herroepingsrecht van [gedaagde] en de kosten van het krediet. Dat heeft [eiser] niet gedaan, althans dat is niet gebleken.
2.8.
Het niet naleven van de verplichting van artikel 7:60 lid 1 BW Pro levert volgens artikel 7:60 lid 3 BW Pro een oneerlijke handelspraktijk op als bedoeld in artikel 6:193b BW. Dat maakt de overeenkomst vernietigbaar (artikel 6:193j lid 3 BW).
2.9.
De overeenkomst is daarnaast vernietigbaar omdat deze niet alle informatie bevat die is voorgeschreven in artikel 7:61 BW Pro. Zo zijn het geografische adres van [eiser] , het totale kredietbedrag (inclusief kosten) en het jaarlijkse kostenpercentage niet vermeld.
De leningovereenkomst is nietig
2.10.
De kantonrechter komt echter niet toe aan het vernietigen van de leningovereenkomst, omdat deze nietig is. De kantonrechter oordeelt namelijk dat de strekking van de leningovereenkomst in strijd is met de goede zeden (artikel 3:40 lid 1 BW Pro). Dit wordt hierna uitgelegd.
2.11.
Ten eerste lijkt het erop dat Lenen MUB een systeem hanteert waarbij de lening wordt verstrekt op naam van een natuurlijk persoon, waardoor de suggestie gewekt wordt dat de dwingendrechtelijke bepalingen over consumentenkrediet niet van toepassing zijn. De consument wordt hierdoor niet juist en onvolledig geïnformeerd over zijn rechten en plichten. Dit klemt te meer nu Lenen MUB zich blijkens haar website richt op kwetsbare personen. Op haar website staat:
Lenen MUB is een online financiering dienst aanbieder voor kleine alledaagse geldzaken. Wij helpen ook mensen met een uitkering en BKR die geen geld kunnen lenen bij een reguliere bank, omdat ze een negatieve financiële historie hebben.Het zal veelal gaan om mensen die eerder gebaat zijn bij schuldhulpverlening dan bij het aangaan van een nieuwe kortdurende lening om ‘het ene gat met het andere te dichten’.
2.12.
Ten tweede zijn de kosten die worden gerekend voor de lening buitensporig hoog en in strijd met dwingendrechtelijke bepalingen over de maximale hoogte van de kosten voor consumentenkrediet. Zo betaalt de kredietnemer een rente van 5% over het leningbedrag
per maand, plus een vast bedrag van € 20,- (ook per maand). In geval van een lening van € 1.000,- komt dit neer op een rentebedrag van € 70,- per maand en daarmee op € 840,- per jaar (als niet wordt afgelost). Dat is een percentage van 84% per jaar.
2.13.
Daarnaast is in de leningovereenkomst ten onrechte vermeld dat een tweede hoofdsom van € 1.000,- zou zijn ontvangen. [gedaagde] heeft hierover navraag gedaan bij Lenen MUB en heeft het volgende antwoord ontvangen:
“Dit betekent dat als u bijvoorbeeld een lening van € 300,- afsluit, u eigenlijk tekent voor een totaalbedrag van € 1300,-. Het goede nieuws is dat u dit extra bedrag van € 1000,- niet hoeft te betalen als u uw maandelijkse aflossingen op tijd doet. De juiste bedrag zal ook worden vermeld op het Factuur-Bon Bewijs dat u maandelijks ontvangt.”Dit komt erop neer dat bij te late betaling van een aflossingstermijn een boete van € 1.000,- bij de consument in rekening wordt gebracht. Een consument die de lening niet binnen dertig dagen kan terugbetalen – en die kans is reëel bij de doelgroep waarop Lenen MUB zich richt – wordt hiermee van de wal in de sloot geholpen. [eiser] / Lenen MUB kunnen de regels over de maximale kosten niet omzeilen door deze betalingsverplichting in de vorm van een ‘serviceovereenkomst’ te gieten (artikel 7:73 lid 2 BW Pro).
[gedaagde] moet € 650,- aan [eiser] betalen
2.14.
Omdat de kredietovereenkomst nietig is, heeft [eiser] een geldbedrag van € 1.000,- aan [gedaagde] verstrekt zonder dat daarvoor een rechtsgrond aanwezig was. Daarom moet [gedaagde] dat bedrag terugbetalen op grond van artikel 6:203 BW Pro (onverschuldigde betaling), voor zover het bedrag nog niet is terugbetaald. [gedaagde] is geen rente en kosten op grond van de ongeldige kredietovereenkomst verschuldigd (geworden). Voor zover al bedragen aan rente en kosten zijn betaald, strekken zij in mindering op de terug te betalen kredietsom. [gedaagde] heeft laten zien dat zij € 350,- aan [eiser] heeft terugbetaald. Zij moet nog € 650,- terugbetalen. Dit bedrag wordt toegewezen.
[gedaagde] hoeft geen incassokosten te betalen
2.15.
De incassokosten worden afgewezen, omdat in geval van een consumentenkrediet geen aparte incassokosten in rekening mogen worden gebracht. Die worden geacht te zijn opgenomen in de afgesproken kredietvergoeding. De nietigheid van de overeenkomst betekent niet dat [eiser] nu wel incassokosten mag rekenen.
[gedaagde] moet wettelijke rente betalen
2.16.
De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend. Dat sprake is van een vordering uit onverschuldigde betaling, is pas met dit vonnis vastgesteld, zodat de rente niet eerder dan de datum van dit vonnis kan worden toegewezen. [gedaagde] is op dit moment echter nog niet in verzuim; de brieven die eerder aan haar zijn gestuurd gaan immers niet over het onverschuldigd door [eiser] aan [gedaagde] verstrekte bedrag. Bovendien is onduidelijk waarop de vordering van € 980,- die in de brieven wordt genoemd ziet. De kantonrechter geeft [gedaagde] nog een termijn van veertien dagen om aan dit vonnis te voldoen. [1]
[eiser] moet de proceskosten betalen
2.17.
De proceskosten komen voor rekening van [eiser] , omdat hij – vanwege de nietigheid van de overeenkomst waarop hij zich beroept – moet worden aangemerkt als de partij die voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [eiser] aan [gedaagde] moet betalen op € 288,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten × € 144,-) en € 72,- aan nakosten. Dat is in totaal € 360,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.18.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is betekend aan [eiser] te betalen € 650,- en als [gedaagde] dat niet doet, moet zij over dit bedrag de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro betalen vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 360,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
51909

Voetnoten

1.Hoge Raad 7 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5408