Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- het tussenvonnis van 7 april 2026 en de daarin genoemde stukken;
- de akte uitlating eiseres van 9 juni 2026, met bijlagen.
Rechtbank Rotterdam
Deze zaak betreft een verstekvonnis in een procedure tussen Intrum Nederland B.V. en een gedaagde over een kredietovereenkomst die Otto B.V. aan de gedaagde had verstrekt. In een tussenvonnis van 7 april 2026 werd de kredietovereenkomst ambtshalve vernietigd omdat Otto B.V. niet had voldaan aan de verplichting tot tijdige verstrekking van precontractuele informatie zoals vereist in artikel 7:60 lid 1 BW Pro.
Ondanks de vernietiging van de overeenkomst moet de gedaagde het kredietbedrag dat hij van Otto B.V. heeft ontvangen terugbetalen, omdat dit bedrag onverschuldigd is betaald. Intrum heeft een specificatie gegeven van het verstrekte kredietbedrag en de reeds gedane terugbetalingen. De gedaagde is veroordeeld tot betaling van een hoofdsom van € 2.191,79 aan Intrum.
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf de vijftiende dag na betekening van het vonnis, omdat de vordering pas na vernietiging van de overeenkomst is ontstaan en de gedaagde nog niet in verzuim is. De gevorderde toeslag van 12% per jaar bovenop de wettelijke rente wordt afgewezen omdat deze gebaseerd was op de vernietigde kredietovereenkomst.
De proceskosten worden aan de gedaagde opgelegd en begroot op € 919,35. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat het direct kan worden uitgevoerd ondanks eventuele hoger beroep procedures.
Uitkomst: De gedaagde is veroordeeld tot terugbetaling van € 2.191,79 met wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening en tot betaling van de proceskosten.