Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 juli 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
[Minderjarige] ( [Minderjarige] )
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster heeft een aanvraag voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) ingediend, welke door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam is afgewezen. Na afwijzing van bezwaar heeft verzoekster beroep ingesteld en een voorlopige voorziening gevraagd, waarop eerder een uitspraak is gedaan.
Op 18 juni 2026 diende verzoekster een herhaald verzoek om voorlopige voorziening in, stellende dat zij opnieuw is blootgesteld aan psychisch, seksueel en economisch geweld door haar ex-partner en dat haar verblijfsstatus is gewijzigd door verlening van een verblijfsvergunning. De voorzieningenrechter oordeelt dat deze gewijzigde verblijfsstatus geen belangrijke wijziging van relevante feiten inhoudt en dat verzoekster de beweringen over geweld niet aannemelijk heeft gemaakt met voldoende bewijs.
De voorzieningenrechter overweegt dat het eerdere voorlopige oordeel blijft gelden zolang het standpunt van het college ongewijzigd is en er geen ernstige onvolkomenheden of belangrijke feitenwijzigingen zijn. Ook de belangen van de minderjarige zoon zijn meegewogen, waarbij het college oog heeft voor zijn belangen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter M. Zoethout op 8 juli 2026 en bindt niet in een eventueel bodemgeding. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het herhaalde verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van belangrijke wijziging van relevante feiten.