ECLI:NL:RBROT:2026:8210

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
26/003756, 26/003759
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:26 SvArt. 3:310 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke toewijzing verzoek benadeelde derden tot uitkering ontnemingsbedrag

Het gerechtshof Den Haag legde op 5 maart 2025 een ontnemingsmaatregel op aan de veroordeelde, die op 20 maart 2025 onherroepelijk werd. De Staat ontving het volledige bedrag van €241.500,74 op 7 mei 2025. De verzoeksters, bestaande uit meerdere vennootschappen, dienden op 2 februari 2026 verzoekschriften in op grond van artikel 6:6:26 Sv Pro om een deel van dit bedrag te ontvangen, stellende dat de veroordeelde het bedrag heimelijk op zijn eigen rekening had gestort.

De rechtbank oordeelde dat de verzoeksters als benadeelde derden kunnen worden aangemerkt en dat hun vordering niet verjaard is, omdat deze binnen de strafvorderlijke termijn van drie jaar is ingediend. De civielrechtelijke verjaring is niet van toepassing. Er was een verdelingsafspraak tussen de veroordeelde en verzoeksters waarbij de veroordeelde recht had op een derde van het bedrag.

De rechtbank besloot daarom dat verzoeksters recht hebben op twee derde van het bedrag, zijnde €161.000,49, en beveelt dat dit deel van het reeds betaalde bedrag aan hen wordt uitgekeerd. Het verzoek wordt daarmee gedeeltelijk toegewezen.

Uitkomst: De rechtbank beveelt uitkering van €161.000,49 van het ontnemingsbedrag aan de verzoeksters.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Strafrecht
Zittingsplaats Rotterdam
Raadkamernummers : 26/003756 ( [holding 1] B.V.)
: 26/003759 ( [holding 2] B.V.)
Datum : 16 juni 2026
Beslissing van de meervoudige kamer op de verzoeken op grond van artikel 6:6:26 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[holding 1] B.V.,

gevestigd te [adres 1] , [postcode 1] [plaats 1] ,
en

[holding 2] B.V.,

gevestigd te [adres 2] , [postcode 2] [plaats 2] ,
mede namens
[vennootschap 1] B.V.
en

[vennootschap 2] B.V.,

vertegenwoordigers: [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] ,
mrs. R.J. de Jong en R. Scherpenisse, advocaten te Amsterdam,
hierna te noemen: de verzoeksters.

Feiten

Het gerechtshof Den Haag heeft aan de veroordeelde [veroordeelde] bij arrest van
5 maart 2025 een ontnemingsmaatregel opgelegd, inhoudende de verplichting tot betaling aan de Staat van € 241.500,74. Deze ontnemingsmaatregel is op 20 maart 2025 onherroepelijk geworden.
De Staat heeft het gehele ontnemingsbedrag op 7 mei 2025 ontvangen, waarmee de ontnemingsmaatregel is afgedaan.

Procedure

De verzoekschriften van de verzoeksters zijn op 2 februari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: het CJIB) heeft op 12 mei 2026 naar aanleiding van de verzoekschriften een zaakcommentaar ingediend bij de rechtbank.
Het Openbaar Ministerie heeft op 21 mei 2026 zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De raadslieden van de verzoeksters hebben – naar aanleiding van een e-mailbericht van de rechtbank – op 1 juni 2026 schriftelijk gereageerd op de standpunten van het Openbaar Ministerie en het CJIB.
De rechtbank heeft op 16 juni 2026 de verzoeken op de openbare zitting behandeld.
De rechtbank heeft namens de verzoeksters [vertegenwoordiger 1] en de raadslieden mrs. R.J. de Jong en R. Scherpenisse, en de officier van justitie mr. F.M. van Peski op zitting gehoord.
De veroordeelde [veroordeelde] is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet op zitting verschenen.

Verzoeken

De verzoeken strekken ertoe dat de rechtbank zal bevelen dat het door de veroordeelde reeds betaalde bedrag van € 241.500,74 aan de verzoeksters zal worden uitgekeerd.
Aangevoerd is dat de veroordeelde namens de verzoeksters (de [vennootschappen] : [vennootschap 1] B.V. en [vennootschap 2] B.V.) heimelijk en onbevoegd een claim heeft ingediend bij Epiq en vervolgens het van Epiq ontvangen bedrag van
€ 241.500,74 buiten de verzoeksters om op zijn eigen rekening heeft laten storten (oplichting). De [vennootschappen] waren de daadwerkelijke rechthebbenden van dit geld. Door de rechtbank en het gerechtshof is vastgesteld dat zij benadeeld zijn door de veroordeelde en daarmee komt het bedrag van € 241.500,74 toe aan de verzoeksters als benadeelde derden.
De civielrechtelijke verjaringstermijn in de zin van artikel 3:310 van Pro het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing, nu sprake is van een eigen strafrechtelijke verjaringstermijn in de zin van artikel 6:6:26 lid 4 Sv Pro. Tot slot was er geen afspraak tussen de verzoeksters en de veroordeelde over de verdeling van het geld dat zou worden uitgekeerd na toewijzing van de claim. Een eventuele verdeling had bovendien alleen tot stand gekomen als de claim niet achter de rug van de verzoeksters om was ingediend.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verzoeksters kunnen worden aangemerkt als benadeelde derden. Met betrekking tot de civiele verjaringstermijn refereert zij zich aan het oordeel van de rechtbank, na aanvankelijk het standpunt te hebben betrokken dat de claim van verzoeksters civielrechtelijk verjaard is en dit consequenties dient te hebben voor het verzoekschrift in onderhavige zaak.
Het Openbaar Ministerie kan instemmen met uitbetaling aan de verzoeksters door het CJIB van het vanwege de ontnemingsmaategel geïncasseerde bedrag voor ten hoogste
€ 161.000,49, nu er sprake was van een 1/3 verdelingsafspraak tussen de veroordeelde en de verzoeksters.

Beoordeling

Op grond van artikel 6:6:26 Sv Pro kan de rechter een aan een veroordeelde in rechte opgelegde betalingsverplichting van een bedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van een derde benadeelde verminderen of kwijtschelden of kan de rechter bevelen dat een reeds betaald of verhaald bedrag geheel of gedeeltelijk wordt teruggegeven of aan een derde wordt uitgekeerd.
Aan de veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 5 maart 2025 de verplichting opgelegd tot betaling van € 241.500,74 aan de Staat ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uit de schriftelijke toelichting van het CJIB van 12 mei 2026 blijkt dat het ontnemingsbedrag op 7 mei 2025 is voldaan aan de Staat.
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank stelt vast dat de verzoeksters (de [vennootschappen] en de holding B.V’s) als benadeelde derden kunnen worden aangemerkt in de zin van artikel 6:6:26 Sv Pro.
De rechtbank overweegt dat de vordering van verzoeksters niet is verjaard, omdat deze, zoals vereist in artikel 6:6:26 lid 4 Sv Pro, is ingediend binnen de termijn van drie jaar nadat het verschuldigde bedrag geheel is betaald. Uit de toelichting op artikel 6:6:26 Sv Pro blijkt dat het civiele recht over de kwestie van verjaring in deze geen toepassing vindt, omdat de strafvorderlijke regeling prevaleert.
Voorts volgt uit het dossier dat er een afspraak is gemaakt over een verdeling tussen de veroordeelde en de verzoeksters van een eventueel door Epiq uit te keren bedrag. Het uitgangspunt voor het bepalen van de hoogte van de uitkering aan de benadeelde derden conform artikel 6:6:26 Sv Pro acht de rechtbank de hypothetische situatie die zou hebben bestaan zonder het strafbare feit. Uit het dossier volgt verder nog dat door [vertegenwoordiger 2] , één der vertegenwoordigers van verzoeksters, is verklaard dat met de veroordeelde was afgesproken dat bij een eventuele uitkering door Epiq de opbrengst verdeeld zou worden en de veroordeelde 1/3 zou krijgen.
De rechtbank acht het bestaan van deze afspraak te meer aannemelijk nu dit niet door de veroordeelde maar door [vertegenwoordiger 2] is verklaard en stelt aldus vast dat deze afspraak tot stand is gekomen tussen de veroordeelde en één der vertegenwoordigers van verzoeksters.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat verzoeksters 2/3 van het totaal uitgekeerde bedrag dienen te ontvangen. De rechtbank stelt vast dat dit gaat om een bedrag van € 161.000,49. De rechtbank zal daarom, ingevolge artikel 6:6:26 eerste Pro lid Sv, bepalen dat het reeds geïncasseerde bedrag ter hoogte van € 161.000,49 wordt uitgekeerd aan de verzoeksters.

Beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek gedeeltelijk toe en beveelt dat van het reeds betaalde bedrag een gedeelte van € 161.000,49 zal worden uitgekeerd aan de verzoeksters.
Deze beslissing is gegeven door:
mr. G.C. Bos, voorzitter,
mrs. J.C. Oord en J.C. Rous, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K. Dere, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.