ECLI:NL:RBROT:2026:8210
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Gedeeltelijke toewijzing verzoek benadeelde derden tot uitkering ontnemingsbedrag
Het gerechtshof Den Haag legde op 5 maart 2025 een ontnemingsmaatregel op aan de veroordeelde, die op 20 maart 2025 onherroepelijk werd. De Staat ontving het volledige bedrag van €241.500,74 op 7 mei 2025. De verzoeksters, bestaande uit meerdere vennootschappen, dienden op 2 februari 2026 verzoekschriften in op grond van artikel 6:6:26 Sv Pro om een deel van dit bedrag te ontvangen, stellende dat de veroordeelde het bedrag heimelijk op zijn eigen rekening had gestort.
De rechtbank oordeelde dat de verzoeksters als benadeelde derden kunnen worden aangemerkt en dat hun vordering niet verjaard is, omdat deze binnen de strafvorderlijke termijn van drie jaar is ingediend. De civielrechtelijke verjaring is niet van toepassing. Er was een verdelingsafspraak tussen de veroordeelde en verzoeksters waarbij de veroordeelde recht had op een derde van het bedrag.
De rechtbank besloot daarom dat verzoeksters recht hebben op twee derde van het bedrag, zijnde €161.000,49, en beveelt dat dit deel van het reeds betaalde bedrag aan hen wordt uitgekeerd. Het verzoek wordt daarmee gedeeltelijk toegewezen.
Uitkomst: De rechtbank beveelt uitkering van €161.000,49 van het ontnemingsbedrag aan de verzoeksters.