ECLI:NL:RBROT:2026:8237

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
12020549 VZ VERZ 25-7282
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:230a BWArt. 7:290 BWArt. 288 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot verlenging ontruimingstermijn bedrijfsruimte wegens onbehoorlijk gebruik

De zaak betreft een geschil tussen [verzoeker], huurder van een bedrijfsruimte aan een adres in Maassluis, en de Gemeente Maassluis als verhuurder. De huurovereenkomst werd door de gemeente opgezegd per 31 oktober 2025. [verzoeker] verzocht primair om niet-ontvankelijkverklaring van zijn verzoek en subsidiair om verlenging van de ontruimingstermijn met een jaar. De gemeente verzocht op haar beurt om een huurprijsverhoging.

De kantonrechter oordeelde dat de bedrijfsruimte kwalificeert als bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW en niet als een artikel 7:290 BW Pro-bedrijfsruimte, omdat de fietsenstalling het overwegende gebruik vormt en de detailhandel slechts een klein deel beslaat. Hierdoor is de opzegging rechtsgeldig en is [verzoeker] ontvankelijk in zijn verzoek tot verlenging.

Het verzoek tot verlenging werd afgewezen op grond van onbehoorlijk gebruik. [verzoeker] gebruikte de ruimte onder meer voor opslag van vuurwerk, olijfolie, tv-schermen en geschorste scooters, wat in strijd is met de bestemming en de vaststellingsovereenkomst. Ook werden openingstijden niet nageleefd, waardoor het publiek de fietsenstalling onvoldoende kon gebruiken.

De kantonrechter stelde de ontruiming vast op 1 augustus 2026 en wees het verzoek tot huurprijsverhoging af omdat partijen niet over de prijs hadden gesproken. [verzoeker] werd veroordeeld in de proceskosten van €1.009,-. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Verzoek tot verlenging ontruimingstermijn afgewezen wegens onbehoorlijk gebruik; ontruiming vastgesteld op 1 augustus 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12020549 VZ VERZ 25-7282
datum uitspraak: 30 juni 2026
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
[verzoeker] ,handelend onder de naam
[handelsnaam] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
verzoeker,
gemachtigde: mr. G.F. van den Ende,
tegen:
Gemeente Maassluis,
vestigingsplaats: Maassluis,
verweerster,
gemachtigde: mr. A. van den Heuvel.
De partijen worden hierna [verzoeker] ’ en ‘Gemeente Maassluis’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het verzoekschrift met bijlagen;
  • het verweerschrift waarin ook een verzoek wordt gedaan, met bijlagen.
1.2.
Op 30 april 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: [verzoeker] en de gemachtigde, namens de Gemeente Maassluis [persoon A] en de gemachtigde.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[verzoeker] huurt vanaf december 2011 de bedrijfsruimte aan de [adres] van de Gemeente Maassluis. De Gemeente Maassluis heeft bij brief van 31 juli 2025 de huurovereenkomst opgezegd tegen 31 oktober 2025. [verzoeker] vraagt primair om hem niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek en subsidiair om de termijn waarbinnen hij de bedrijfsruimte moet ontruimen te verlengen met een jaar. De Gemeente Maassluis is het hier niet mee eens en verzoekt zelf om verhoging van de huurprijs. De kantonrechter wijst beide vorderingen af. Hierna wordt uitgelegd waarom.
[verzoeker] is ontvankelijk in zijn verzoek
2.2.
Voor de vraag of [verzoeker] ontvankelijk is in zijn verzoek, is van belang of sprake is van huur van een bedrijfsruimte in de zin van de artikelen 7:230a BW of 7:290 BW. Artikel 7:230a BW is van toepassing als de huur betrekking heeft op een (deel van een) gebouwde onroerende zaak, niet zijnde een woonruimte of bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW Pro. Voor de toepasselijkheid van de bepalingen van artikel 7:290 BW Pro e.v. moet komen vast te staan dat het gaat om een gebouwde onroerende zaak die op grond van de overeenkomst bestemd is om gebruikt te worden als een kleinhandelsbedrijf, een restaurant- of cafébedrijf, een afhaal- of besteldienst of een ambachtsbedrijf, een en ander indien in de verhuurde ruimte een voor het publiek toegankelijk lokaal voor de rechtstreekse levering van roerende zaken of voor dienstverlening aanwezig is. Volgens vaste rechtspraak is daarbij beslissend wat partijen bij het sluiten van de huurovereenkomst, mede gelet op de aard en inrichting van het gehuurde, voor ogen stond en hoe zij hieraan uitvoering hebben gegeven.
2.3.
De huurovereenkomst heeft de naam
‘Verhuurovereenkomst fietsenstalling [adres] ’en in de huurovereenkomst staat het volgende over de bestemming:
‘voornoemd pand, verder te noemen: "het Gehuurde" sinds de realisatie van het pand in 1960 in gebruik is als fietsenstalling en fietsenreparatieruimte. Tevens bevindt zich een kleine winkelruimte in het pand van waaruit kleinschalige detailhandel kan worden bedreven;’en
‘Het Gehuurde zal door of vanwege Huurder uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van het exploiteren van een fietsenreparatieruimte - en fietsenstalling en kleine detailhandelverkoopactiviteiten.’
2.4.
Omdat er wordt gesproken over een detailhandel kan sprake zijn van een artikel 7:290-bedrijfsruimte. Dit is het geval als de bedrijfsruimte in overwegende mate bestemd of gebruikt is voor de uitoefening van een kleinhandelsbedrijf als bedoeld in artikel 7:290 BW Pro. [verzoeker] stelt dat dit zo is. Hij zou meer omzet uit de winkel halen en de fietsenstalling zou economisch niet zelfstandig rendabel zijn. De Gemeente Maassluis betwist dit en [verzoeker] heeft dit niet verder onderbouwd. Hij heeft geen cijfers overgelegd waaruit dit blijkt. Voorts blijkt uit de beschrijving in de huurovereenkomst dat het in de eerste plaats gaat om een fietsenstalling. Het is niet gebleken dat partijen bij het aangaan van de huurovereenkomst voor ogen hadden dat de winkelruimte de overhand zou hebben. [verzoeker] heeft op de zitting ook aangegeven dat zijn bedoeling was om zijn brood te verdienen met de fietsenstalling en een kleine detailhandel. Verder heeft [verzoeker] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de bedrijfsruimte in overwegende mate bestemd is voor de uitoefening van een kleinhandelsbedrijf. Hij heeft de winkel weliswaar iets groter gemaakt, maar het grootste gedeelte van de bedrijfsruimte is ingericht als fietsenstalling en slechts een klein gedeelte is detailhandel. Dit blijkt ook uit de plattegrond die is overgelegd. Bovendien is zijn handelsnaam [handelsnaam] . Gelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat sprake is van bedrijfsruimte ex artikel 7:230a BW en niet van een artikel 7:290-bedrijfsruimte.
2.5.
Dit betekent dat de huurovereenkomst rechtsgeldig is opgezegd door de Gemeente Maassluis en [verzoeker] ontvankelijk is in zijn verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn.
Het verzoek wordt afgewezen
2.6.
Het verzoek van [verzoeker] wordt slechts toegewezen indien zijn belangen door de ontruiming ernstiger worden geschaad dan die van de Gemeente Maassluis bij voortzetting van het gebruik door [verzoeker] . Het verzoek wordt afgewezen als de Gemeente Maassluis aannemelijk maakt dat van haar door onbehoorlijk gebruik van het verhuurde, overlast of wanbetaling niet gevergd kan worden dat [verzoeker] langer het recht heeft op het gebruik van de zaak (artikel 7:230a lid 4 BW).
2.7.
De kantonrechter wijst het verzoek aan de hand van deze beoordelingsmaatstaf af. Er is namelijk sprake van een verplichte afwijzingsgrond: onbehoorlijk gebruik. Elke huurder is verplicht zich ten aanzien van het gebruik van de gehuurde zaak als een goed huurder te gedragen. Gemeente Maassluis heeft voldoende onderbouwd gesteld dat [verzoeker] door de wijze waarop hij de ruimte gebruikt hiervan onbehoorlijk gebruik heeft gemaakt.
2.8.
Partijen hebben in december 2016 naar aanleiding van de vondst van verdovende middelen en de sluiting van de bedrijfsruimte een vaststellingsovereenkomst gesloten. Hierin is onder andere het volgende opgenomen:
[verzoeker] mag de bedrijfsruimte slechts gebruiken waarvoor de bedrijfsruimte bestemd is. Opslag voor derden e.d. is dus niet toegestaan; [verzoeker] zal niet aan derden gastvrijheid verlenen of het gehuurde als tijdelijke reparatieruimte, al dan niet tegen vergoeding, aan derden beschikbaar stellen;’.Uit de stukken blijkt dat [verzoeker] zich niet aan deze voorwaarden heeft gehouden. Hij gebruikt de ruimte voor de opslag van vuurwerk, olijfolie, tv schermen en geschorste scooters. [verzoeker] stelt weliswaar dat het slechts ging om twee dozen siervuurwerk en spullen voor klanten en zijn familie, maar de ruimte is niet bedoeld als opslagruimte terwijl het bovendien ging om drie dozen met per doos 56 stuks vuurwerk. Bovendien kan de opslag van welk vuurwerk dan ook in combinatie met de bedrijfsactiviteiten die hier aan de orde zijn een gevaar voor de veiligheid opleveren. Verder is het niet de bedoeling dat dhr. [persoon B] geschorste scooters/brommers stalt in de fietsenstalling of hier deze en fietsen repareert en verkoopt zoals werd gedaan. Met het voorgaande handelt [verzoeker] niet alleen in strijd met de afspraken uit de vaststellingsovereenkomst, maar ook met de bestemming van de ruimte. Er is dan ook sprake van onbehoorlijk gebruik. De Gemeente Maassluis heeft ook gesteld dat [verzoeker] verboden vapes met smaakjes verkoopt, maar dat is niet komen vast te staan.
2.9.
De kantonrechter voegt hier aan toe dat hoewel er geen expliciete openingstijden zijn opgenomen in de huurovereenkomst, het wel van belang is dat de bedrijfsruimte door het publiek kan worden gebruikt zoals het bedoeld is. Dat is ook de bedoeling van de Gemeente Maassluis geweest en die lijkt ook te volgen uit de verklaring van [verzoeker] zelf dat hij openingstijden vanaf circa 08.00 uur hanteert, maar dat wordt hier door [verzoeker] niet gedaan. Uit het rapport van buitengewone opsporingsambtenaren blijkt dat de ruimte tussen 28 november 2025 en 31 maart 2026 eenendertig keer niet voor acht uur ’s ochtends geopend was en elf keer geopend was na negen uur ’s avonds. Uit de verklaring van een omwonende blijkt dat niemand zijn fiets nu in de fietsenstalling zet. Dit is weliswaar betwist door [verzoeker] , maar duidelijk is dat als de fietsenstalling niet voor acht uur ’s ochtends open is, veel mensen hun fiets er niet kwijt kunnen. Dit klemt te meer nu de fietsenstalling gelegen is op een openbaar vervoerspunt, bij een metrostation, twee bushaltes richting Delft en Monster en in de nabije omgeving van de veerboot naar Rozenburg. [verzoeker] heeft aangegeven dat hij regelingen heeft met mensen die hun fiets buiten de openingstijden willen stallen, maar op deze manier kan niet iedereen die gebruik wil maken van de fietsenstalling dit doen.
2.10.
Omdat sprake is van een verplichte afwijzingsgrond (het onbehoorlijk gebruik), komt de kantonrechter niet toe aan een belangenafweging. De kantonrechter stelt het tijdstip van ontruiming vast op 1 augustus 2026. [verzoeker] moet de ruimte uiterlijk op die datum verlaten hebben.
Het verzoek tot verhoging van de huurprijs wordt afgewezen
2.11.
De Gemeente Maassluis verzoekt om verhoging van de huurprijs. Dit verzoek wordt afgewezen. Het is duidelijk dat niet is voldaan aan de voorwaarden waarop de kantonrechter de huurprijs kan vaststellen, omdat partijen op de zitting hebben erkend nog niet eens over de prijs te hebben gesproken (artikel 7:230a lid 6 BW).
[verzoeker] moet de proceskosten betalen
2.12.
De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot de kosten die [verzoeker] aan Gemeente Maassluis moet betalen op € 865,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.009,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als deze beschikking wordt betekend.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad
2.13.
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 288 Rv Pro). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst het verzoek van [verzoeker] om verlenging van de ontruimingstermijn af;
3.2.
stelt het tijdstip van ontruiming van de bedrijfsruimte aan de [adres] in Maassluis vast op 1 augustus 2026 en veroordeelt [verzoeker] ertoe de ruimte uiterlijk op die datum verlaten te hebben, met alle personen en zaken die zich daar vanwege hem daar bevinden, onder overhandiging van de sleutels van de ruimte aan Gemeente Maassluis;
3.3.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, die aan de kant van Gemeente Maassluis worden begroot op € 1.009,-;
3.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst al het andere af.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken.
49196