ECLI:NL:RBROT:2026:8243

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
C/10/712456 / HA ZA 25-1145
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1074 RvArt. 6:119 BWArt. 6:236 BWArt. 10:166 BWConsumer Rights Act 2015
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bevoegdheidsincident wegens ongeldig arbitraal beding in consumentenovereenkomst medisch vervoer

In deze zaak vordert eiser terugbetaling van een vooruitbetaald bedrag van €49.500 aan EMS Air Ambulance & Medical Repatriation Ltd, nadat de overeenkomst voor medisch vervoer van haar moeder werd opgezegd wegens medische ongeschiktheid voor luchtvervoer. EMS stelde een bevoegdheidsincident in, stellende dat de rechtbank onbevoegd is vanwege een arbitraal beding in haar Servicevoorwaarden.

De rechtbank onderzoekt eerst haar internationale bevoegdheid en concludeert dat zij op grond van Nederlands internationaal privaatrecht bevoegd is, omdat eiser een consument is met woonplaats in Nederland en EMS haar commerciële activiteiten op Nederland richt. Vervolgens beoordeelt de rechtbank de geldigheid van het arbitraal beding volgens het toepasselijke recht van Engeland en Wales.

De rechtbank oordeelt dat het arbitraal beding ongeldig is op grond van de Consumer Rights Act 2015, omdat het oneerlijk is en een significante onbalans veroorzaakt ten nadele van de consument. Het beding is dwingend, niet afzonderlijk onderhandeld en beperkt de consument in haar recht om de rechter te benaderen, terwijl eiser geen juridisch advies heeft ontvangen. Gezien de medische tijdsdruk op consumenten is het beding onredelijk.

Daarom wijst de rechtbank het bevoegdheidsincident af, verklaart zich bevoegd en veroordeelt EMS in de proceskosten van het incident. De hoofdzaak wordt aangehouden voor verdere behandeling.

Uitkomst: De rechtbank wijst het bevoegdheidsincident af en verklaart zich bevoegd om van de hoofdzaak kennis te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/712456 / HA ZA 25-1145
Vonnis in incident van 8 juli 2026
in de zaak van
[eiser],
wonend in [woonplaats],
eisende partij in de hoofdzaak, verwerende partij in het incident,
advocaat: mr. T.J. van Weeren,
tegen
EMS Air Ambulance & Medical Repatriation Ltd,
gevestigd in Londen (Verenigd Koninkrijk),
gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident,
advocaat: mr. M. Bekker.
Partijen worden hierna [eiser] en EMS genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 19 december 2025, met bijlagen 1 tot en met 10;
- het herstelexploot van de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord, tevens inhoudende bevoegdheidsincident, met bijlagen 1 tot en met 3;
- de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident.

2.Het geschil in de hoofdzaak

2.1.
[eiser] vordert bij vonnis, dat de rechtbank voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
1. vernietigt, althans voor recht verklaart dat rechtsgeldig vernietigd zijn:
- het forumkeuzebeding;
- het rechtskeuzebeding; en
- het annuleringsbeding,
zoals opgenomen in de Servicevoorwaarden van EMS;
2. EMS veroordeelt tot terugbetaling aan [eiser] van het bedrag van € 49.500,00 (de vooruitbetaalde hoofdsom), althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag;
3. dit bedrag vermeerdert met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro vanaf 27 mei 2024 tot aan de dag van algehele voldoening;
Subsidiair,voor het geval de rechtbank oordeelt dat EMS gerechtigd is om bepaalde daadwerkelijk gemaakte en door haar te specificeren kosten in mindering te brengen:
4. EMS veroordeelt tot terugbetaling van € 49.500,00 minus uitsluitend die aantoonbare, gespecificeerde kosten, eveneens te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 27 mei 2024;
Zowel primair als subsidiair
5. EMS veroordeelt in de kosten van deze procedure, inclusief de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis worden voldaan.
2.2.
[eiser] legt aan haar vorderingen in de hoofdzaak het volgende ten grondslag. [eiser] en EMS hebben een overeenkomst voor medisch vervoer gesloten. Op grond van die overeenkomst zou EMS de moeder van [eiser] per ambulance en medisch vliegtuig vervoeren van het Erasmus MC in Rotterdam naar het Universiteitsziekenhuis in Tübingen (Duitsland). [eiser] heeft op grond van de overeenkomst een bedrag van € 49.500,00 vooruitbetaald aan EMS. [eiser] heeft de overeenkomst uiteindelijk opgezegd vóórdat haar moeder door EMS was vervoerd, omdat het volgens de behandelaar van de moeder van [eiser] medisch niet verantwoord was om de moeder van [eiser] door de lucht te vervoeren. [eiser] stelt zich nu op het standpunt dat EMS het bedrag van € 49.500,00 zonder rechtsgrond heeft ontvangen en om die reden het bedrag moet restitueren aan [eiser]. Volgens [eiser] is sprake van een situatie waarin de overeenkomst vóór de uitvoering is opgezegd, en EMS geen concrete tegenprestatie heeft geleverd, waardoor sprake is van een onverschuldigde betaling.
2.3.
EMS voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van [eiser].

3.Het geschil in het bevoegdheidsincident

3.1.
EMS vordert in het incident dat de sector civiel van de rechtbank Rotterdam zich bij vonnis onbevoegd verklaart om van het geschil kennis te nemen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis tot aan de dag van algehele voldoening.
3.2.
EMS motiveert haar vordering als volgt. Op de tussen partijen gesloten overeenkomst zijn de Servicevoorwaarden [1] van EMS van toepassing. Een onderdeel van die voorwaarden is een arbitragebeding, op grond waarvan de rechtbank onbevoegd is om kennis te nemen van dit geschil.
3.3.
[eiser] voert verweer dat strekt tot afwijzing van het bevoegdheidsincident. Volgens [eiser] is het arbitragebeding vernietigd, althans vernietigbaar op grond van artikel 6:236, sub n, BW.

4.De beoordeling in het bevoegdheidsincident

4.1.
Het gaat in het bevoegdheidsincident om de vraag of deze rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van de hoofdzaak. De rechtbank stelt in dat verband eerst vast dat zij in principe internationaal en nationaal bevoegd is om kennis te nemen van de hoofdzaak. Vervolgens komt de rechtbank toe op het beroep van EMS op het arbitragebeding in haar Servicevoorwaarden. De rechtbank oordeelt dat partijen het arbitragebeding weliswaar zijn overeengekomen, maar dat het beding naar het door partijen gekozen recht van Engeland en Wales ongeldig is. De rechtbank concludeert dat zij bevoegd is om kennis te nemen van de hoofdzaak. De rechtbank legt al deze oordelen hierna uit.
Deze rechtbank is in principe bevoegd om kennis te nemen van de hoofdzaak
4.2.
Bij het onderzoek ter beantwoording van de vraag of aan de rechtbank ten aanzien van de door [eiser] tegen EMS ingestelde vorderingen (internationale) bevoegdheid toekomt, is het uitgangspunt dat de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel I bis) niet van toepassing is. De gedaagde partij in de hoofdzaak (EMS) heeft immers geen woonplaats op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie. Ook andere internationale regelingen op het gebied van de rechterlijke bevoegdheid missen in deze zaak toepassing.
4.3.
Dat betekent dat de internationale bevoegdheid van de rechtbank beoordeeld moet worden aan de hand van de in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) neergelegde regels van Nederlands commuun internationaal bevoegdheidsrecht, de artikelen 1-13 Rv.
4.4.
Aangezien EMS geen woonplaats heeft in Nederland, kan de Nederlandse rechter in deze zaak zijn bevoegdheid niet ontlenen aan de hoofdregel van het internationale bevoegdheidsrecht dat rechtsmacht hebben de gerechten van het land waar de gedaagde partij zijn woonplaats heeft.
4.5.
De rechtbank constateert dat de tussen partijen gesloten overeenkomst, waar de hoofdzaak betrekking op heeft, een consumentenovereenkomst is. Die overeenkomst is immers gesloten tussen een partij die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf (EMS) en een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf ([eiser], een consument). Voor zaken die zo’n overeenkomst betreffen, wat naar het oordeel van de rechtbank het geval is in de hoofdzaak, bepaalt artikel 6, aanhef en onder d, Rv het volgende:

Artikel 6 Rv Pro
De Nederlandse rechter heeft eveneens rechtsmacht in zaken betreffende:
(…)
d. een overeenkomst die wordt gesloten door een partij die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf en een natuurlijke persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, indien die natuurlijke persoon in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft en de partij die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf aldaar commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit, of dergelijke activiteiten met ongeacht welke middelen richt op Nederland en de overeenkomst onder die activiteiten valt; (…).”.
4.6.
Aan de vereisten van dit artikel is in deze zaak voldaan. De natuurlijke persoon ([eiser]) woont in Nederland. Verder richt de partij die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf (EMS) haar commerciële of beroepsactiviteiten (mede) op Nederland, aangezien de website van EMS in het Nederlands valt te raadplegen en de offerte voor de tussen partijen gesloten overeenkomst en de daarop van toepassing verklaarde Servicevoorwaarden in het Nederlands zijn opgesteld. [2] Daarmee beoogt EMS consumenten in (onder meer) Nederland te benaderen en richt zij haar commerciële of beroepsactiviteiten dus (onder meer) op Nederland.
4.7.
De conclusie is dan ook dat de Nederlandse rechter (en gelet op de woonplaats van [eiser] meer specifiek: de Rechtbank Rotterdam) [3] in principe bevoegd is om kennis te nemen van de hoofdzaak.
Er is een arbitraal beding overeengekomen
4.8.
EMS beroept zich echter op een arbitraal beding in haar Servicevoorwaarden, die volgens haar van toepassing zijn op de tussen partijen gesloten overeenkomst. Dat die Servicevoorwaarden op de tussen partijen gesloten overeenkomst van toepassing zijn, is tussen partijen ook niet in geschil. [eiser] heeft bij dagvaarding zelf de offerte van EMS, waarin wordt verwezen naar de Servicevoorwaarden van EMS, en de Servicevoorwaarden van EMS in het geding gebracht en zij heeft daarnaast niet betwist dat zij door aanvaarding van de offerte ook de Servicevoorwaarden (al dan niet stilzwijgend) heeft aanvaard. Aangezien zich vóór alle weren op het bestaan van het arbitraal beding in de Servicevoorwaarden heeft beroepen, moet deze rechtbank zich in principe onbevoegd verklaren om van de hoofdzaak kennis te nemen. [4]
Het overeengekomen arbitraal beding is ongeldig
4.9.
Het voorgaande is alleen anders als het arbitraal beding ongeldig is onder het op dat beding toepasselijke recht. Om de geldigheid van het arbitraal beding te kunnen beoordelen, moet de rechtbank dus eerst vaststellen welk recht op dat beding van toepassing is.
4.10.
Voor de beoordeling van het toepasselijke recht zijn de regels van Rome I niet van toepassing. Rome I is namelijk niet van toepassing op overeenkomsten van arbitrage. [5] Dat betekent dat het toepasselijke recht gezocht moet worden via de weg van artikel 10:166 BW Pro. Volgens dat artikel is een overeenkomst tot arbitrage materieel geldig als zij geldig is naar het recht dat partijen hebben gekozen of naar het recht van de plaats van arbitrage of, indien partijen geen rechtskeuze hebben gemaakt, naar het recht dat van toepassing is op de rechtsbetrekking waarop de arbitrageovereenkomst betrekking heeft. In het geval dat partijen een rechtskeuze hebben gemaakt, moet de rechtbank ook beoordelen of die rechtskeuze ook geldt ten aanzien van het arbitraal beding.
4.11.
De rechtbank stelt vast dat in Sectie 10.1 onder d. van de Servicevoorwaarden van EMS staat dat het recht van Engeland en Wales van toepassing is op “de overeenkomst”. Deze bewoordingen zijn van algemene aard en kunnen om die reden zowel de hoofdovereenkomst, als het arbitraal beding betreffen. Gelet op de plaats van de rechtskeuze in Sectie 10.1 onder d. van de Servicevoorwaarden en dus ná het arbitraal beding (Sectie 10.1 onder b. van de Servicevoorwaarden) is de rechtbank van oordeel dat de rechtskeuze ook ziet op het arbitraal beding. Dit betekent dat de geldigheid van het arbitraal beding moet worden beoordeeld naar het recht van Engeland en Wales.
4.12.
Volgens EMS worden arbitrageovereenkomsten naar het recht van Engeland en Wales sterk gerespecteerd en ruim uitgelegd. EMS verwijst in dit verband naar de
Arbitration Act 1996(‘Arbitration Act’). [6] EMS miskent echter de positie van [eiser] als consument (zie hiervoor in 4.5). Aan het oordeel dat [eiser] de overeenkomst met EMS als consument heeft gesloten, doet – anders dan EMS stelt – niet af dat [eiser] zelf arts is en verzekerd is bij het VvAA. [eiser] handelde immers niet als arts bij het sluiten van de overeenkomst, maar als een natuurlijk persoon die namens haar moeder medisch vervoer naar het buitenland wilde regelen.
4.13.
De Arbitration Act kent een aparte regeling voor arbitrageovereenkomsten die met consumenten worden gesloten. Die regeling is de
Consumer Rights Act 2015(‘Consumer Rights Act’). De Consumer Rights Act bepaalt in Section 62(4):

A term is unfair if, contrary to the requirement of good faith, it causes a significant imbalance in the parties' rights and obligations under the contract to the detriment of the consumer.
En in Section 62(5):
“Whether a term is fair is to be determined –
(a)taking into account the nature of the subject matter of the contract, and
(b)by reference to all the circumstances existing when the term was agreed and to all of the other terms of the contract or of any other contract on which it depends.”
4.14.
Het vereiste van goede trouw (
‘good faith’) in deze context houdt in dat partijen eerlijk en open met elkaar moeten omgaan. Openheid betekent dat de voorwaarden volledig, duidelijk en leesbaar moeten worden geformuleerd, zonder verborgen valkuilen. Er moet voldoende nadruk worden gelegd op voorwaarden die nadelig kunnen zijn voor de consument. Eerlijke omgang (
‘fair dealing’) vereist dat een leverancier, opzettelijk noch onbewust, misbruik maakt van de noodzaak, armoede, gebrek aan ervaring, onbekendheid met het onderwerp van het contract, zwakke onderhandelingspositie van de consument, (…). [7]
4.15.
De
Competition and Markets Authorityheeft een document opgesteld met haar inzichten van de bepalingen in de Consumer Rights Act 2015 met verwijzingen naar Engelse jurisprudentie. De zogenoemde
Unfair Contract Terms Guidance: Guidance on the unfair Terms Provisions in the Consumer Rights Act 2015(hierna: ‘Guidance’).
In de Guidance wordt nader toegelicht wanneer sprake is of kan zijn van een
unfair term.
“2.16 A term is considered most likely to cause an unfair imbalance if it alters the balance in rights and obligations that the law would have struck if left to itself.”
Een voorbeeld van een dergelijk beding wordt in punt 2.17 van de Guidance genoemd:
“constraining the consumer from seeking the legal remedies to which their rights give rise (for instance, compelling the consumer to take a dispute to arbitration) (…)”
4.16.
Verder staat in de Guidance het volgende:
Compulsory arbitration and alternative dispute resolution clauses
5.29.2
The law allows contractual disputes to be resolved through arbitration, rather than going to court, where the parties agree. Fairness requires that agreement to go to arbitration should be genuine, not forced.(…).
5.29.3
If an arbitration clause is to be used with consumers, it must be free from
the element of compulsion, (…).”
4.17.
Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat het arbitraal beding in de Servicevoorwaarden van EMS oneerlijk c.q. ongeldig is naar het recht van Engeland en Wales. Het arbitraal beding bevat een ‘
element of compulsion’. Het arbitraal beding is immers opgenomen in de Servicevoorwaarden van EMS, maar daar is niet afzonderlijk over onderhandeld. De tekst van dat arbitraal beding is dwingend en gunt de consument ([eiser]) geen optie om het geschil voor te leggen aan de rechter. Van consumenten, als zwakkere partij, kan niet worden verwacht dat zij zich bewust zijn van de gevolgen van een arbitraal beding, tenzij zij hierover juridisch advies hebben gekregen. [8] Het is niet gesteld of gebleken dat [eiser] vóór het sluiten van de overeenkomst juridisch advies heeft gekregen met betrekking tot het arbitraal beding, terwijl dat beding [eiser] wel hindert in haar mogelijkheden om het geschil met EMS aan de bevoegde rechter voor te leggen. Het voorgaande geldt des te meer omdat de consumenten die een overeenkomst aangaan met EMS vaak onder extreme (lees: medische) tijdsdruk staan en van hen niet kan worden verwacht dat zij de volledige tekst van de algemene voorwaarden lezen, laat staan dat zij begrijpen welke juridische gevolgen die meebrengen.
Gelet hierop is sprake van een oneerlijk c.q. ongeldig arbitraal beding, zoals bedoeld in Section 62 van de Consumer Rights Act.
De conclusie
4.18.
De conclusie is dat het arbitraal beding in de Servicevoorwaarden oneerlijk c.q. ongeldig is naar het recht van Engeland en Wales en dat deze rechtbank als gevolg daarvan (internationaal) bevoegd is om van de hoofdzaak kennis te nemen (zie 4.2. tot en met 4.7.).
EMS wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident
4.19.
EMS is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in het incident betalen. De proceskosten van [eiser] in het incident worden begroot op:
- salaris advocaat € 653,00
- nakosten €
189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 842,00
5. De beslissing
De rechtbank:
in het incident
5.1.
wijst de vordering in het incident af;
5.2.
veroordeelt EMS in de proceskosten in het incident van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als EMS de proceskosten niet op tijd betaalt en het vonnis daarna wordt betekend, dan is EMS € 98,00 extra verschuldigd, plus de kosten van betekening;
in de hoofdzaak
5.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol komt van
22 juli 2026voor opgave verhinderdata over de maanden augustus 2026 tot en met februari 2027 door alle partijen;
5.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.D. Olden. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.
4041/3349/3669

Voetnoten

2.Vergelijk
3.Artikel 101 Rv Pro.
4.Artikel 1074 Rv Pro.
5.Artikel 1, lid 2, sub e Rome I.
6.De Arbitration Act 1996 is inmiddels gedeeltelijk opgevolgd door de Arbitration Act 2025, maar dat maakt voor de beoordeling van de rechtbank geen verschil.
7.House of Lords (Verenigd Koninkrijk) 25 oktober 2001,
8.Guidance p. 114.